ECLI:NL:RBAMS:2026:9720

Datum uitspraak
16-09-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Zaaknummer
C/13/778495 HA ZA 25-1685
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gedaagde wil een derde oproepen in procedure en vorderingen op die derde instellen. Dat is niet toegestaan omdat dit niet past in procesrecht. Bovendien heeft de derde woonplaats in Zwitserland en is er geen bijzondere bevoegdheidsregel waarop de rechtsmacht van deze rechtbank voor vorderingen op die derde kan worden gebaseerd. Ook omdat een tegenvorderingen in Europees recht volgens rechtspraak (zowel Europees als Nederlands) is gericht tegen de wederpartij die de procedure heeft ingesteld. Dan is toestaan voor het oproepen van die derde zonder doel.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/778495 / HA ZA 25-1685

Vonnis in incident ex artikel 118 Rv van 16 september 2026

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[eiser] LTD.,

gevestigd te [vestigingsplaats], Tortola (Britse Maagdeneilanden),

eisende partij in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. J.W. de Groot,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNITED GROUP B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: UG,

advocaat: mr. E.R. Meerdink,

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 4 november 2025 met producties,

  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie tevens incidentele conclusie tot inzage ex artikel 195 jo. 194 Rv en voorwaardelijk ex art. 195a jo. 194 Rv, met producties,

  • het exploot tot oproeping ex artikel 118 Rv tevens houdende eis in reconventie en incidentele vordering tot inzage ex art. 195 jo. 194 Rv en voorwaardelijk ex art. 195a jo. 194 Rv, dat namens UG op 21 januari 2026 is betekend aan [naam], wonende te [plaats] (Zwitserland),

  • de brief van 26 januari 2026 van mr. De Groot waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de oproeping ex artikel 118 Rv,

  • de beslissing van de rolrechter dat bij wijze van incident zal worden beslist over de toelaatbaarheid van de oproeping ex artikel 118 Rv,

  • de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 118 Rv van [eiser],

  • de brief van 25 maart 2026 waarin (op verzoek van UG) een mondelinge behandeling in het incident ex artikel 118 Rv is gepland,

  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in het incident gehouden op 20 augustus 2026 en de daarin opgenomen processtukken en proceshandelingen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident ex artikel 118 Rv.

2 De feiten voor zover van belang in het incident

2.1.

De heer [naam] (hierna: [naam]) houdt 99% van de aandelen in [eiser], een vennootschap naar het recht van de Britse Maagdeneilanden.

2.2.

Op 24 maart 2022 hebben UG en [eiser] een overeenkomst van opdracht gesloten (hierna: de Consultancy Agreement). Daarin is onder meer vermeld:

“1. Services and duration

1.1.

The services to be provided by the Contractor [[eiser], rb] to the Client [UG, rb] – which services are explicitly not provided from/in the Netherlands and Switzerland – are those of the Chairman of Group Management Meetings and will primarily consist of the following:

(a) to take the chair at the meetings of the Group Management Board and of various (agreed) affiliated entities of the Client (as agreed from time to time between the Client and the Contractor). (..)

(b) to take a leading role in determining the composition and structure of the group management board. (..)

(c ) to act as the group’s (..) leading representative which will involve the presentation of the group’s aims and policies to the Client’s investors, stakeholders and outside world.

(..)

1.4.

This agreement is entered into for a periode of one year with effect from 1 January 2022 and replaces any previous agreement between the parties relating to the services covered by this agreement.

2. Performance

2.1.

Notwithstanding clauses 2.2 and 2.3 parties agree and the Contractor represents and warrants that the services under this agreement will be primarily performed and, in case of outsourcing, monitored by Mr. [naam] who shall be made available to conduct the services and who has a good conceptual understanding of the business of the Client. The Contactor organizes its work independently, rendering services in line with the reasonable guidelines given by the Client.

(..)

3. Fee and payment

3.1.

The Contractor shall receive an annual fixed fee of EUR 10,000,000 excluding VAT and other government levies (..) for providing the services. The annual fixed fee covers the services provided under this agreement as well as all the expenses incurred by the Contractor in connection with the performance of the agreement. The annual fixed fee will be paid against an invoice issued by the Contractor with a payment term of 8 business days.

3.2.

In addition to the annual fixed fee set out above, the Contractor shall be entitled to a performance variable fee equal to 0,6% of the adjusted EBITDA for each financial year as shown by the audited consolidated financial statements of Adria Midco B.V., which includes the Client and other (in)direct subsidiaries of Adria Midco B.V, payable against an invoice issued by the Contractor following the approval of aforementioned accounts by the board of director of Adria Midco B.V., with a payment term of 8 business days.

(..)

5. Termination

5.1.

Both parties have the right to terminate this agreement with due observance of a notice period of not less than six months. Notice of termination must be given in writing and will not lead to liability for any damage sustained by the other party as a result.

(..)

9. Other provisions

(..)

9.3.

The agreement is governed by the laws of the Netherlands. Any dispute that may arise in connection with the present agreement of further agreements that may result therefrom will be brought before the competent court in Amsterdam, the Netherlands, which shall have exclusive jurisdiction in connection with such dispute.”’

2.3.

In november 2023 hebben partijen een Amendment to the Consultancy Agreement dated 24 March 2022 ondertekend waarin is overeengekomen de jaarlijkse vaste consultancyvergoeding met ingang van 1 oktober 2023 te verhogen naar € 12.000.000 per jaar.

2.4.

In januari 2025 heeft UG de factuur van [eiser] voor € 6.000.000 betreffende het eerste half jaar van 2025 betaald.

2.5.

Bij brief van 16 juni 2025 heeft (onder meer) UG aan [naam] bericht:

“We (..) have decided that it is not in the best interests of United Group for us to continue our relationship. As such, we will not enter into a new Consultancy Agreement with [eiser] Ltd (the ‘Contractor’) and, therefore, your services will not be needed. (..)

This will mean that you will no longer be the Chairman of the Advisory Board of United Group, will have no role or titles in the business moving forward, you will not represent the Group in any way and you will have no ability to enter into deals on behalf of, or bind, any company within the Group. The Contractor will also receive no further remuneration from United Group or any other company in the Group.”

2.6.

Vervolgens is een geschil tussen partijen ontstaan dat in deze procedure aan de orde is.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert in conventie veroordeling van UG tot betaling van een bedrag van € 6.000.000 betreffende de vaste consultancyvergoeding over de tweede helft van 2025, alsmede de variabele vergoeding over 2025, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

UG vordert in reconventie – samengevat – een verklaring voor recht dat de Consultancy Agreement is vernietigd, althans wordt vernietigd, per 1 januari 2022 dan wel 1 januari 2023, en anders niet is verlengd voor het jaar 2025. Dit alles met hoofdelijke veroordeling van [eiser] en [naam] tot terugbetaling van de door [eiser] ontvangen consultancyvergoedingen van € 60.897.700,73 indien de Consultancy Agremeent per 1 januari 2022 is vernietigd, of € 44.495.285,82 indien de Consultancy Agreement per 1 januari 2023 is vernietigd en anders € 6.000.000 indien de Consultancy Agreement niet is verlengd dan wel is ontbonden voor 2025. Indien de Consultancy Agreement niet per 1 januari 2025 of daarvoor is vernietigd vordert UG hoofdelijke veroordeling van [eiser] en [naam] tot betaling van gedeclareerde onkosten en ontvangen aanvullende vergoedingen ten bedrage van € 15.820.802,73 en GBP 162.000. Alle bedragen te vermeerderen met wettelijke rente.

in de incidenten

3.3.

UG vordert – samengevat – afgifte van bescheiden op grond van artikel 195 Rv, en voorwaardelijk (indien artikel 195 Rv niet geldt ten aanzien van [naam]) op grond van artikel 195a Rv.

3.4.

Daarnaast vordert UG de oproeping van [naam] als derde in deze procedure (artikel 118 Rv). UG legt daaraan ten grondslag dat zij haar vordering in reconventie en haar incidentele vordering tot inzage van gegevens ook tegen [naam] wil instellen. Volgens UG is voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad stelt voor oproeping ex artikel 118 Rv.

Ten eerste bestaat er een duidelijke samenhang tussen de vorderingen in conventie van [eiser] tegen UG en de vordering in reconventie tegen [naam] omdat beide betrekking hebben op (de uitvoering van) de Consultancy Agreement. Aangezien partijen de Consultancy Agreement zijn aangegaan met de bedoeling dat [naam] de opdracht persoonlijk zou uitvoeren, is hij op grond van artikel 7:404 BW persoonlijk gehouden tot uitvoering van de opdracht. Verder is hij persoonlijk verbonden voor de (correcte) nakoming van de opdracht. [naam] heeft de opdracht zelf uitgevoerd en wordt door UG aangesproken op zijn eigen persoonlijk handelen. Hij is daarom hoofdelijk aansprakelijk voor schade die UG heeft geleden door een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de opdrachtovereenkomst tussen [eiser] en UG.

Ten tweede is de proceseconomie gebaat bij een gelijktijdige afdoening van de reconventionele vorderingen tegen [eiser] en tegen [naam]. Het zou inefficiënt zijn als UG hiervoor een afzonderlijke procedure zou moeten voeren over hetzelfde feitencomplex dat in dit geding centraal staat. Verder heeft UG belang bij een vonnis dat mede is gewezen tegen [naam] omdat [eiser] een offshore-vennootschap is, gevestigd op de Britse Maagdeneilanden, en onzeker is of zij voldoende verhaal biedt.

Ten derde is geen sprake van een zwaarder wegend belang aan de zijde van [naam] dan wel [eiser] dat in de weg zou staan aan gelijktijdige behandeling van de vordering in conventie en de vorderingen in reconventie tegen [eiser] en [naam].

3.5.

[eiser] voert in deze fase van de procedure verweer tegen het incident tot oproeping van [naam] als derde in de procedure. Volgens haar is niet voldaan aan de vereisten van artikel 118 Rv. De wens van UG om, behalve tegen [eiser], in afwijking van artikel 136 Rv ook een vordering in reconventie in te stellen tegen [naam], is onvoldoende om oproeping van [naam] toe te staan. Bovendien zou dat leiden tot omzeiling van de internationale bevoegdheidsregels. [naam] woont immers in Zwitserland, zodat op grond van de hoofdregel van artikel 2 lid 1 EVEX II1 de Zwitserse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een eventuele vordering van UG tegen hem.

4 De beoordeling in het artikel 118 Rv incident

4.1.

UG heeft een oproepingsexploot ex artikel 118 Rv uitgebracht zonder daartoe voorafgaand toestemming van de rechtbank te vragen. Hoewel geen sprake is van een in de wet erkende incidentele vordering,2 kan achteraf toetsing plaatsvinden waarbij de rechtbank beslist of oproeping van een derde als partij in het geding wordt toegelaten.3 De rolrechter heeft bepaald dat daarover bij vonnis in incident (dit vonnis) zal worden beslist.

4.2.

Deze rechtbank heeft rechtsmacht kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] op UG – en de tegenvorderingen van UG op [eiser], omdat de forumkeuze uit de opdrachtovereenkomst tussen partijen voldoet aan de eisen van artikel 25 lid 1 Brussel I bis4 en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder: HvJ EU5) over dat artikel.

4.3.

Artikel 118 Rv geeft (procedurele) regels voor de oproeping van derden in het geding. De bepaling is gebaseerd op artikel 12a Rv (oud) en strekte er aanvankelijk toe dat de eiser na aanvang van het geding alsnog een noodzakelijke derde kon oproepen in het geding.

4.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 maart 20146 overwogen dat artikel 118 Rv

“is bedoeld voor gevallen waarin het voor de beslissing over de rechtsbetrekking in geschil noodzakelijk is (vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv, p. 18-20) of zinvol is (vgl. HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483, NJ 1995/564 en HR 12 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2035, NJ 1996/437) om de derde als partij in het geding te betrekken.”

4.5.

Oproeping van een derde is noodzakelijk voor de beslissing over de rechtsbetrekking in geschil indien sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding of op basis van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling.

4.6.

In dit geval is geen sprake van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling die de oproeping van [naam] voorschrijft. Ook is geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Volgens de Hoge Raad is sprake van ondeelbaarheid van een rechtsverhouding in die zin dat daaromtrent door de rechter slechts kan worden beslist in een geding waarin alle bij deze rechtsverhouding betrokkenen partij zijn, indien het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van al die betrokken in dezelfde zin luidt.7

Bij hoofdelijkheid is sprake van een materieel ondeelbare rechtsverhouding en niet van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het is zeer goed mogelijk om alleen tegen één hoofdelijk verbonden schuldenaar een veroordelend vonnis te verkrijgen, zonder dat de andere schuldenaren in de procedure betrokken zijn.8 Ook in dit geval is het zeer goed mogelijk om over de vordering in conventie van [eiser] tegen UG en de vordering in reconventie van UG tegen [eiser] te oordelen zonder deelname van [naam] aan het geding. UG heeft overigens ter zitting bevestigd dat in dit geval geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.

4.7.

Resteert de vraag of het in dit geval voor de beslissing over de rechtsbetrekking in geschil zinvol is om [naam] als partij in het geding te betrekken.

De rechtbank stelt voorop dat er reden is voor terughoudendheid bij (gedwongen) interventie van derden. Het belang van efficiënte procesvoering (onderdeel van de goede procesorde) is daarmee gediend. Deelname van meer dan twee partijen compliceert de procedure en leidt al snel tot vertraging.9

4.8.

Oproeping van een derde in het geding is geboden indien de beslissing een recht van een derde raakt. Het gaat dan om benadeling van een recht van een derde zoals vereist voor derdenverzet (artikel 376 Rv). Om latere executiegeschillen/derdenverzet te voorkomen kan het zinvol zijn de derde direct als partij aan het geding te laten deelnemen.

Ook hiervan is in dit geval geen sprake. Een oordeel tussen [eiser] en UG raakt immers geen recht van [naam]. Ook de executie door UG van een eventueel toewijzend vonnis in reconventie tegen [eiser] raakt geen rechten van [naam]. Dat [eiser] mogelijk geen verhaal biedt, is geen reden om een derde op te roepen in het geding, zoals [eiser] terecht heeft betoogd. Dit verhaalsrisico kan UG immers betrekken bij de afweging of zij al dan niet een vordering in reconventie instelt tegen [eiser].

4.9.

Verder kan er reden zijn voor oproeping van een derde met het oog op herstel van processuele verwikkelingen. De voorbeelden daarvan in de jurisprudentie10 vertonen geen gelijkenis met deze zaak. Er is geen sprake van een (verschoonbare11) vergissing aan de zijde van UG omtrent de identiteit of hoedanigheid van haar wederpartij. Evenmin is sprake van een wederpartij die opgehouden is te bestaan of de beschikkingsbevoegdheid over haar vermogen heeft verloren. UG kan simpelweg een eigen separate dagvaarding uitbrengen tegen [naam].

4.10.

Hoewel artikel 118 Rv niet uitsluit dat de rechter kán toestaan dat de eiser (indien dat zinvol is) ontbrekende (beweerdelijke) hoofdelijk schuldenaren in een lopende procedure betrekt12, gaat het in dit geval om een gedaagde die een derde (beweerdelijk hoofdelijk schuldenaar) wenst op te roepen om een vordering jegens die derde geldend te maken. Dat onderscheid is van belang zoals uit het hiernavolgende blijkt.

4.11.

Op grond van artikel 136 Rv kan een vordering in reconventie alleen worden ingesteld tegen de processuele wederpartij (de eiser in conventie). Doorgaans zal dit de oorspronkelijke eiser zijn maar het kan ook een tussengekomen derde zijn, mits die derde een vordering tegen gedaagde heeft ingesteld en ten opzichte van gedaagde dus ook als ‘eiser’ kan worden aangemerkt.13 Daarvan is in dit geval geen sprake. [naam] heeft immers geen vordering ingesteld tegen UG. In feite is dus ook geen sprake van een vordering in reconventie van UG tegen [naam]. Als gedaagde (UG) zou worden toegestaan in deze procedure zonder extra griffierecht verschuldigd te worden een vordering in te stellen tegen een derde ([naam]) zou dat in feite een vordering in conventie zijn van UG tegen [naam]. [naam] zou dan echter wel griffierecht verschuldigd zijn en hem zou de mogelijkheid worden ontnomen om zelf een vordering in reconventie tegen UG in te stellen, welke mogelijkheid hem wel toekomt indien UG simpelweg een eigen separate dagvaarding uitbrengt tegen [naam]. Het ligt dan ook niet voor de hand dit toe te staan.14

4.12.

Ook uit het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 202015 kan niet worden afgeleid dat in dit geval oproeping van een natuurlijk persoon (de ‘ultimate benificial owner’ van de contractuele wederpartij, die 99% van de aandelen houdt) naast de rechtspersoon [eiser] moet plaatsvinden. De Hoge Raad overwoog in genoemd arrest:

“3.1.3 Opmerking verdient dat een gedaagde jegens wie een vof uitsluitend op eigen naam een vordering heeft ingesteld en die een eis in reconventie wenst in te stellen (mede) tegen een of meer afzonderlijke vennoten van die vof, de rechter kan verzoeken de gelegenheid te geven op de voet van art. 118 Rv die vennoot of vennoten in het geding te betrekken. Voor het geven van die gelegenheid zal aanleiding kunnen bestaan indien sprake is van samenhangende vorderingen in conventie en reconventie en de proceseconomie gediend is met afdoening van die vorderingen in dezelfde procedure.”

4.13.

In het door de Hoge Raad berechte geval ging het om een vennootschap onder firma (hierna: vof) die wel op eigen naam in rechte kan optreden maar geen rechtspersoonlijkheid heeft en die evenmin zelfstandig draagster is van subjectieve rechten en verplichtingen. Een overeenkomst met een vof moet dan ook worden aangemerkt als een overeenkomst met de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid van vennoten.16 Op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel is elke vennoot hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vof. Een schuldeiser van de gezamenlijke vennoten kan zijn vordering zowel geldend maken tegen de gezamenlijke vennoten (‘tegen de vof’) als tegen iedere vennoot afzonderlijk. Dat is een verschil met de situatie in deze zaak. [eiser] heeft immers wel rechtspersoonlijkheid, terwijl de positie van [naam] niet gelijk kan worden gesteld met die van een vennoot in een vennootschap onder firma. Overigens was in de zaak die tot dit arrest heeft geleid in eerste aanleg door eiser (de vof) geen bezwaar gemaakt tegen de door gedaagde ingestelde ‘vordering in reconventie’ tegen de vennoot (die formeel geen procespartij was) en was er evenmin een beroep op gedaan dat deze vordering tegen de verkeerde partij was ingesteld. In zoverre zou het geval dus ook kunnen worden geschaard onder herstel van processuele verwikkelingen.17

4.14.

Uit hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen volgt verder dat voor oproeping van een derde in het geding slechts beperkt ruimte is wanneer de reden voor oproeping is gelegen in de juridische verhouding tussen partijen of één van hen en een derde. De Hoge Raad heeft namelijk gekozen voor een formulering die expliciet is toegespitst op de merites van de zaak waarover hij diende te oordelen. In het arrest zijn geen aanknopingspunten te vinden dat de Hoge Raad ook het oog heeft gehad op een geval als het onderhavige, waarbij gedaagde een derde in het geding wil oproepen met het enkele doel een vordering op die derde in te stellen om proceseconomische redenen.

4.15.

De oproeping van [naam] heeft al geleid tot vertraging in de hoofdzaak en zal leiden tot verdere vertraging van de procedure. Daarbij is relevant dat [naam] woonplaats heeft in Zwitserland. Als UG wordt toegestaan [naam] als derde op te roepen in deze procedure, dient deze rechtbank (ambtshalve) te beslissen over de rechtsmacht voor de vorderingen van UG op [naam], ongeacht of hij verschijnt of niet. Ook bij het verlenen van verstek tegen in het buitenland woonachtige (rechts)personen is immers noodzakelijk dat wordt vastgesteld dat de rechtbank internationaal bevoegd is. Dit houdt in dat als UG wordt toegestaan [naam] als derde op te roepen in deze procedure, een onderzoek naar de internationale bevoegdheid van deze rechtbank noodzakelijk zal worden. Daarom zal de rechtbank in deze fase een voorlopig oordeel geven over de rechtsmacht ten aanzien van de vorderingen die UG wenst in te stellen op [naam], op basis van de standpunten die partijen daarover hebben ingenomen.

4.16.

Zoals uit die voorlopige beoordeling blijkt komt de rechtbank geen rechtsmacht toe voor de vorderingen van UG op [naam] (zie hierna in 4.17 e.v.), zodat de oproeping van [naam] op grond van artikel 118 Rv zinledig is. Ook om die reden is oproeping in strijd met de goede procesorde.

Rechtsmacht voor vorderingen van UG op [naam]?

4.17.

In beginsel dient [naam] te worden gedagvaard voor een Zwitserse rechter (de hoofdregel van internationale bevoegdheidsregels, in dit geval artikel 2 lid 1 EVEX II). Uit artikel 3 lid 1 EVEX II volgt dat daarop in bijzondere gevallen (als bepaald in de artikelen 5 tot en met 24 EVEX II) een uitzondering kan worden gemaakt. De bepalingen in EVEX II moeten op overeenkomstige wijze worden toegepast als de parallelle bepalingen in Brussel I bis18.

4.18.

UG stelt in deze procedure dat de rechtsmacht van deze rechtbank voor haar (tegen)vorderingen op [naam] volgt uit artikel 6 lid 3 EVEX II19 en de forumkeuze in de opdrachtovereenkomst tussen haar en [eiser]. De rechtbank volgt UG daarin niet.

Rechtsmacht op grond van een tegenvordering?

4.19.

UG betoogt dat uit artikel 6 lid 3 EVEX II volgt dat een tegenvordering kan worden ingesteld bij het gerecht waar een samenhangende vordering is ingesteld. In dit geval zijn de vorderingen van UG op [naam] gebaseerd op dezelfde overeenkomst en rechtsfeiten als waarop de vorderingen van [eiser] op UG zijn gebaseerd. Daarom heeft deze rechtbank op grond van artikel 6 lid 3 EVEX II rechtsmacht voor de vorderingen van UG op [naam], zoals blijkt uit de arresten Kostanjevec20 en Danværn21 van het HvJ EU en verder het arrest van de Hoge Raad in de zaak Inversiones/Cancun II22 (dat verwijst naar het arrest Kostanjevec), aldus steeds UG.

4.20.

UG is bij haar beroep op artikel 6 lid 3 EVEX II in het geheel niet ingegaan op het betoog van [eiser] dat uit die drie arresten blijkt dat een tegenvordering slechts kan worden ingesteld tegen dezelfde persoon/eiser die de oorspronkelijke vordering heeft ingesteld. [eiser] heeft daarbij gewezen op de door het HvJ EU gebruikte woorden “tussen dezelfde partijen” en door de Hoge Raad “wederzijdse aanspraken” bij de uitleg (of toepassing) van de internationale bevoegdheidsregel voor een tegenvordering. In het arrest Danværn spreekt het HvJ EU nadrukkelijk over veroordeling van de “verzoeker” tot betaling van een schuld “jegens hem” (de verweerder). Anders dan UG heeft gesteld is voor de toepassing van artikel 6 lid 3 EVEX II kennelijk van belang dat daadwerkelijk sprake is van een “tegenvordering” tegen de oorspronkelijke verzoeker/eiser.

Rechtsmacht op grond van forumkeuze in opdrachtovereenkomst?

4.21.

De rechtbank volgt evenmin de stellingen van UG dat [naam] gebonden is aan de forumkeuze23 in de opdrachtovereenkomst tussen haar en [eiser].

4.22.

[naam] is geen partij bij de opdrachtovereenkomst tussen UG en [eiser], zodat tussen UG en [naam] geen sprake is van een wilsovereenstemming24 voor deze rechtbank als forum voor geschillen.

4.23.

UG betoogt dat een derde onder omstandigheden kan worden geacht te hebben ingestemd met de forumkeuze die andere partijen hebben gemaakt. De voorwaarden daarvoor zijn afhankelijk van de aard van de overeenkomst25, in dit geval de opdrachtovereenkomst tussen haar en [eiser] waarin een forumkeuze voor deze rechtbank is opgenomen. In die opdrachtovereenkomst is afgesproken dat [naam] de opdracht in persoon zal uitvoeren (en ook heeft uitgevoerd). Volgens UG leidt dat tot hoofdelijke aansprakelijkheid (artikel 7:404 BW) en persoonlijke gebondenheid van [naam] aan de bedingen uit de opdrachtovereenkomst tussen [eiser] en UG, en daarmee ook aan de forumkeuze in die opdrachtovereenkomst.

4.24.

Het HvJ EU heeft in enkele gevallen26 een uitzondering gemaakt op de vereiste wilsovereenstemming tussen (beoogde) procespartijen voor een bepaald gerecht in een lidstaat van de EU (of verdragsluitende staten bij EVEX II), waarbij de aard van de overeenkomst van doorslaggevend belang is.

4.25.

Anders dan UG heeft betoogd is de opdrachtovereenkomst tussen haar en [eiser] niet van die aard. Die opdrachtovereenkomst is gesloten met het doel dat [naam] de opdrachtwerkzaamheden namens [eiser] zou uitvoeren. Dat heeft hij ook gedaan. Het uitvoeren van die opdrachtwerkzaamheden kan niet worden gelijkgesteld aan het impliciet aanvaarden van een forumkeuze opgenomen in de statuten van een vennootschap waarin de derde gaat deelnemen onder aanvaarding van die statuten.27 Evenmin is de opdrachtovereenkomst en het uitvoeren van de opdrachtwerkzaamheden te vergelijken met internationaal zeetransport en de daarin gebruikte cognossementen (met een forumkeuze) tussen de vervoerder en de inlader (of afzender), waarbij de derde-cognossementhouder (naar toepasselijk nationaal recht) dient te worden gezien als rechtsopvolger van de inlader, zodat het forumkeuzebeding aan hem kan worden tegengeworpen.28 Tot slot is in dit geval geen sprake van rechtsopvolging in algemene zin waardoor de opvolger gebonden is aan een forumkeuze van de partij die in rechte is opgevolgd.29

4.26.

Wat er ook zij van de stellingen van UG over de hoofdelijke aansprakelijkheid en persoonlijke gebondenheid van [naam] bij de opdrachtovereenkomst, de aard van die overeenkomst is niet voldoende om een uitzondering te maken op de benodigde wilsovereenstemming bij een forumkeuze tussen procespartijen.

Voorlopige tussenconclusie over rechtsmacht voor vorderingen van UG op [naam]

4.27.

UG heeft geen beroep gedaan op een andere bijzondere bevoegdheidsregel en zonder nadere feiten en omstandigheden lijkt een andere bevoegdheidsgrondslag niet aan de orde.

4.28.

Uit het voorgaande volgt dat op dit moment niet kan worden vastgesteld dat deze rechtbank rechtsmacht toekomt voor de vorderingen die UG meent te hebben op [naam]. In dat geval zal de oproeping van [naam] als derde in deze procedure zinledig zijn en in die zin niet in overeenstemming met de goede procesorde.

Overige aspecten bij internationale oproeping

4.29.

Naast dit alles is ook van belang dat [naam] een aanvullende termijn moet worden gegund om zich te stellen als UG wordt toegestaan hem op te roepen in deze procedure, waarna dus hoe dan ook moet worden geoordeeld over de rechtsmacht. Dit alles zal leiden tot onredelijke vertraging van de procedure (artikel 20 Rv). Het belang van UG om haar vorderingen op [naam] aan een rechter voor te leggen kan ook op andere wijze, zonder impact op deze procedure, worden bereikt: door een dagvaarding in te stellen tegen [naam] voor een daartoe bevoegd gerecht.

Slotsom in het artikel 118 Rv incident

4.30.

De oproeping van [naam] is niet noodzakelijk of zinvol voor de beslissing over de rechtsbetrekking in geschil. Verder is voorshands aannemelijk dat deze rechtbank geen rechtsmacht toekomt voor de vorderingen van UG op [naam] zodat zijn oproeping zinledig zal zijn. Daarnaast zal een oproeping van [naam] leiden tot onredelijke vertraging (in ieder geval voor [eiser]) van de procedure. Onder deze omstandigheden verzet de goede procesorde zich tegen de oproeping van [naam] in deze procedure.

De incidentele vordering ex artikel 118 Rv van UG wordt daarom afgewezen, met veroordeling van UG in de kosten in dit incident. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 1.495 (2 punten van het tarief bij een vordering van onbepaalde waarde (2 x € 653 = € 1.306) en de na dit vonnis te ontstane kosten (€ 189)), te vermeerderen als vermeld in de beslissing.

in de hoofdzaak

4.31.

[eiser] heeft ter zitting te kennen gegeven een verzoek te overwegen tot splitsing van de behandeling van haar vordering in conventie en de vordering van UG in reconventie. Vooralsnog zijn er geen feiten en omstandigheden bekend bij de rechtbank die rechtvaardigen dat de behandeling van deze vorderingen wordt gesplitst (artikel 138 Rv). Op dit moment ligt een gelijktijdige behandeling van de vorderingen over en weer meer voor de hand dan een splitsing.

4.32.

[eiser] heeft verder ter zitting verklaard dat een termijn van 10 weken na de mondelinge behandeling in het artikel 118 Rv incident – of 6 weken na dit vonnis in incident – voldoende is voor het dienen van antwoord in reconventie en in het incident op grond van artikel 195 jo 194 Rv en, voorwaardelijk, artikel 195a jo 194 Rv. [eiser] zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld op die termijn.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de incidentele vordering tot oproeping van [naam] als derde in het geding af,

5.2.

veroordeelt UG in de kosten van het incident, tot op heden begroot op € 1.495, te vermeerderen met € 98 aan salaris advocaat en de betekeningskosten in geval UG niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis voldoet en dit vonnis moet worden betekend,

in de hoofdzaak

5.3.

verwijst de zaak naar de rol van 28 oktober 2026 voor conclusie van antwoord in het incident tot inzage ex art. 195 jo. 194 Rv en, voorwaardelijk, ex art. 195a jo. 194 Rv en tevens conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van [eiser],

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »