ECLI:NL:GHARL:2026:6397

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.360.960/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Huurzaak over visstekken. Arrest in verzet op verstekarrest (ECLI:NL:GHARL:2025:5698). Geen ruimte om de grieven in verstek opnieuw in verzet te behandelen. Verhuurster is niet tekortgeschoten en niet tegenover huurder schadeplichtig. Huurder moet achterstallige huur betalen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.360.960/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 10571172

arrest van 6 oktober 2026

in de zaak van

[appellant] , h.o.d.n. [naam1]

die woont in [woonplaats]

hierna: [appellant]

advocaat: mr. T.H.I.M. Pierik

en

Lido Drenthe B.V.

die is gevestigd in Hoogeveen

hierna: Lido Drenthe

advocaat: mr. A. Neophitou

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

[appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis1 dat op 14 januari 2025 tussen partijen is uitgesproken door de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen. Tegen Lido Drenthe toen ‘verstek verleend’, wat betekent dat zij in hoger beroep toen geen verweer heeft gevoerd. Het hof heeft vervolgens op 16 september 2025 onder zaaknummer 200.353.709/01 arrest2 gewezen.

1.2

Lido Drenthe is van dit arrest tijdig in verzet gekomen. Zij heeft vervolgens alsnog geantwoord op de grieven van [appellant] en zelf ook bezwaren opgeworpen (‘incidenteel hoger beroep ingesteld’) tegen het vonnis van 14 januari 2025, onder wijziging van haar vordering op [appellant] . [appellant] heeft geantwoord op de grieven van Lido.

1.3

Op 21 augustus 2026 heeft Lido Drenthe bij akte haar vordering op [appellant] opnieuw gewijzigd en daarbij een aantal producties overgelegd. Ook [appellant] heeft op 21 augustus 2026 nog een aantal producties overgelegd.

1.4

Op 1 september 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, waarvan een verslag is gemaakt (het ‘proces-verbaal’). Tot slot heeft het hof bepaald dat opnieuw arrest wordt gewezen – in dit geval onder zaaknummer 200.360.960/01.

2 De kern van de zaak

[appellant] huurde van Lido Drenthe visstekken en exploiteerde deze stekken. Omdat Lido Drenthe de huurovereenkomst niet deugdelijk is nagekomen, heeft de kantonrechter aan [appellant] een schadevergoeding toegewezen. Lido Drenthe wil dat die schadevergoeding alsnog wordt afgewezen en dat haar eerder afgewezen vordering tot betaling van achterstallige huur alsnog wordt toegewezen. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een tekortkoming die tot een schadevergoeding moet leiden en dat [appellant] achterstallige huur moet betalen. Dat oordeel licht het hof hierna toe.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1

Onder Hoogeveen is gelegen het recreatieterrein “Strand Nijstad” (hierna: het recreatieterrein) dat bestaat uit een strand met horecafaciliteiten, twee plassen (plas 1 ofwel de Oostplas en plas 2 ofwel de Westplas), terreinen voor dagrecreatie en parkeren, gelegen op en nabij een voormalige zandwinlocatie.

3.2

[appellant] drijft een eenmanszaak waarin hij een aantal plekken (‘stekken’) voor het vissen naar karpers exploiteert.

3.3

Lido Drenthe drijft een onderneming die zich richt op dagrecreatie en sportactiviteiten. Zij wordt bestuurd door Beukie’s Holding B.V., die wordt bestuurd door de heer [naam2] . Beukie's Holding heeft een huur- en exploitatierecht verworven van Lido Hoogeveen B.V. (hierna: Lido Hoogeveen), waarbij Beukie's Holding dan wel een door haar op te richten vennootschap het recreatieterrein huurt en kan exploiteren.

3.4

[appellant] heeft met Lido Drenthe per 1 april 2019 een huurovereenkomst gesloten voor de bedrijfsruimte, staande en gelegen te ( 7908 TP ) Hoogeveen, aan de Koedijk 8, kadastraal bekend gemeente Hoogeveen, sectie Z, nummer 207 (deel) en een aantal visstekken. Het gehuurde maakt deel uit van het recreatieterrein.

3.5

De tussen partijen opgemaakte huurovereenkomst vermeldt een huurprijs van € 235,95 inclusief btw per maand, te vermeerderen met een omzetafhankelijke toeslag en bepaalt dat de huurovereenkomst op 31 maart 2026 eindigt. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing verklaard de ‘Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW’ (hierna: AV).

3.6

Artikel 12.1 “Publiekrechtelijke bestemming” van de huurovereenkomst luidt:

Huurder verklaart zich op de hoogte te hebben gesteld van het vigerende bestemmingsplan en vrijwaart verhuurder ter zake. Verhuurder staat dan ook geenszins in voor de door huurder gewenste aanwending dan wel het gebruik zoals omschreven in artikel 1.2.

3.7

Artikel 1.2 van de huurovereenkomst luidt:

Het gehuurde zal door of vanwege Huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als kantoorunit en opslagruimte voor visspullen alsmede per ingangsdatum minimaal vijf daartoe

geschikte visstekken en na het gereedkomen van de werkzaamheden aan de tweede plas nog eens vijf visstekken (totaal minimaal tien visstekken).

3.8

In artikel 14 “Exploitatie visstekken” van de huurovereenkomst staat onder meer:

14.1

Verhuurder verleent aan huurder het recht om voor eigen rekening en risico in totaal minimaal 10 (tien) visstekken aan te leggen en te exploiteren. Bij aanvang van het contract 05 (vijf) in plas 1 en zo spoedig mogelijk doch uiterlijk per 01-07-2021 nog eens 05 (vijf) in plas 2. (...)

14.2

Huurder krijgt het exclusieve recht en plicht om de visstekken op basis van volgtijdigheid te verhuren aan (sport)vissers.

(…)

14.4

Verhuurder is verplicht om op adequate wijze zorg te dragen en dat derden, zoals de bezoekers en bewoners van en op het terrein, niet zullen vissen in en rondom de plassen.

Uitgezonderd nadrukkelijke, schriftelijke toestemming vooraf van de Huurder.

14.5

Verhuurder onthoudt zich van alle activiteiten en zal geen afspraken maken met derden die de beoogde exploitatie van de visstekken in de weg zullen staan.

Aan de huurovereenkomst is onder meer als bijlage gehecht een plattegrond/tekening waarop indicatief de visstekken zijn aangegeven.

3.9

[appellant] heeft de karpers in plas 1 (de Oostplas) uitgezet. Vissers kunnen bij hem een stek huren en moeten naast huur ook betalen voor de door hen gevangen vissen.

3.10

Lido Drenthe heeft vanaf april 2019 steeds wisselende bedragen per maand aan [appellant] in rekening gebracht. In een e-mail van 4 mei 2020 schrijft Lido Drenthe:

In het contract staat ook een vast bedrag opgenomen voor de visstekken en opslagruimte etc. Dit heb ik eerst op 90 euro per maand gezet, incl. energielasten.

Lido Drenthe heeft daarop vanaf de maand april 2020 tot en met december 2020 steeds € 90 (exclusief btw en exclusief een afdracht van 10%) bij [appellant] in rekening gebracht.

3.11

Lido Hoogeveen is per 29 december 2021 hernoemd tot Nijstad Exploitatie B.V. (hierna: Nijstad Exploitatie). Nijstad Exploitatie wordt bestuurd door [bedrijf1] B.V., welke op haar beurt wordt bestuurd door de heer [naam3] (hierna samen ook: [naam3] ).

3.12

Beukie's Holding en Lido Drenthe hebben Lido Hoogeveen in december 2020 gedagvaard in kort geding tot nakoming van de huur- en exploitatieovereenkomst. Zij hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de beëindiging van hun geschil en hun afspraken neergelegd in een door hen ondertekend proces-verbaal van 17 december 2020. Hierin zijn Beukie's Holding en Lido Drenthe enerzijds en Lido Hoogeveen anderzijds onder meer overeengekomen:

1. De "Overeenkomst exploitatie gebiedsregisseur" eindigt per 1 januari 2021. Lido Hoogeveen belet evenwel niet de uitvoering van de overeenkomst die [naam2] heeft met derden. [naam2] zal de overeenkomsten met derden per direct beëindigen als de waardebepaling financieel is afgewikkeld.

(...)

3. [naam2] zal per 1 januari 2021 stoppen met de exploitatie en gebiedsregie van Nijstad. (...)

De exploitatie zal vanaf 1 januari 2021 voor rekening en risico van [naam3] geschieden. [naam3] vrijwaart [naam2] voor eventuele aanspraken uit dien hoofde.

3.13

Lido Drenthe heeft via een WhatsApp-bericht van 17 december 2020 en via een e-mail van 22 december 2020 aan [appellant] medegedeeld:

Per 1-1-2021 neemt Lido Hoogeveen, het bedrijf van [naam3] , de exploitatie van Strand Nijstad en de daarbij behorende overeenkomsten over, hier is hij dan ook aan gehouden.

3.14

Met een brief van 12 januari 2021 heeft de advocaat van [appellant] aan Lido Drenthe onder meer geschreven:

Naar verluidt bent u voornemens het betreffende huurobject te vervreemden, hetgeen betekent dat de nieuwe eigenaar gehouden is aan de verplichtingen zoals neergelegd in de betreffende akte van huurovereenkomst te voldoen. Immers, koop breekt geen huur.

3.15

Met een e-mail van 15 januari 2021 heeft Lido Drenthe geantwoord:

Bij deze de bevestiging dat uw schrijven in goede orde ontvangen is. Lido Hoogeveen, vertegenwoordigd door dhr. [naam3] , heeft de exploitatie incl. overeenkomsten overgenomen. U zult zich dus tot hem moeten wenden.

3.16

[appellant] advocaat heeft op 25 maart 2021 Beukie’s Holding aangeschreven in hoedanigheid van bestuurder/enig aandeelhouder van Lido Drenthe over de verplichtingen uit de huurovereenkomst en gevraagd te bevestigen dat de huurverplichtingen onverkort zullen worden nagekomen.

3.17

Lido Drenthe c.s. en [naam3] hebben op 11 april 2023, in verband met een

rechtszaak tussen hen, hun afspraken over de exploitatie van het recreatieterrein nogmaals onderling bevestigd, inhoudende dat Lido Drenthe c.s. vanaf 1 januari 2021 geen exploitatievergoeding meer aan [naam3] verschuldigd is en [naam3] (Nijstad Exploitatie) de huurovereenkomst met [appellant] overneemt en voortzet. Zij hebben hun afspraken neergelegd in een door hen ondertekend proces-verbaal van 11 april 2023:

1. Tussen partijen heeft te gelden de tussen hen overeengekomen vaststellingsovereenkomst zoals deze staat opgenomen in het proces-verbaal van 17 december 2020, tenzij in deze vaststellingsovereenkomst iets anders is overeengekomen.

2. De "Overeenkomst exploitatie gebiedsregisseur" eindigt per 1 januari 2021. Feitelijk is de exploitatie vanaf 1 januari 2021 door Nijstad c.s. voortgezet. Per 1 mei 2023 worden door Nijstad c.s. de bij de exploitatie behorende contracten voortgezet, behoudens hetgeen hieronder is bepaald onder 10 ten aanzien van de visplekken.

3. De vergoedingen die Lido c.s. uit hoofde van de exploitatie in de periode l januari 2021 tot 1 mei 2023 heeft ontvangen, worden afgetrokken van de uiteindelijke door de deskundige vastgestelde waardebepaling. (...)

(...)

10. Nijstad c.s. neemt de contracten van Lido c.s. over (en zet deze voort) die zij heeft met Outdoor Nijstad, Paviljoen Nijstad en [naam1] , met dien verstande dat er ter zake van het contract met [naam1] het volgende geldt: eventuele claims ter zake de vijf visplekken aan de westelijke plas (die buiten het exploitatiegebied valt) komen voor risico van Lido c.s. en eventuele claims ter zake de vijf visplekken aan de oostelijke plas komen voor risico van Nijstad c.s.

3.18

[appellant] was aanwezig bij de zitting van 11 april 2023.

3.19

Lido Drenthe en [naam3] hebben een aanvullende overeenkomst gesloten die inhoudt dat Lido Drenthe de huurpenningen mag incasseren die [appellant] moet betalen over de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 mei 2023. Op 12 juli 2023 heeft Lido Drenthe hiervoor een factuur verzonden aan [appellant] van € 10.968,95. [appellant] heeft niet betaald.

3.20

[appellant] heeft in mei 2023 onder meer ten laste van Lido Drenthe conservatoir derdenbeslag doen leggen. In een daarover aanhangig gemaakt kort geding is op 4 december 2023 tussen onder meer Lido Drenthe en [appellant] een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen, in welk verband een bedrag in depot is gestort en de beslagen zijn opgeheven. In artikel 4 van die overeenkomst is – voor zover relevant – bepaald:

Van het bedrag (…) zal een bedrag groot van € 217.000,00 in depot blijven zitten totdat er bij onherroepelijk vonnis of een vaststellingsovereenkomst definitief een einde komt aan het geschil over de visstekken (…). Indien en voor zover zou blijken dat er geen vordering bestaat van [appellant] op Lido c.s., zal [appellant] de wettelijke rente verschuldigd worden over het deel dat ten onrechte in depot is gehouden.

3.21

[naam3] en Lido Drenthe hebben ieder voor zich de huurovereenkomst met [appellant] opgezegd tegen 31 maart 2026. [appellant] heeft per die datum het gehuurde ontruimd en zijn exploitatie ter plaatse beëindigd.

4 De procedures; het oordeel van het hof in de verstekzaak

4.1

[appellant] heeft bij de kantonrechter de veroordeling gevorderd van Lido Drenthe en Beukie’s Holding tot betaling van een schadevergoeding.

4.2

Lido Drenthe heeft op haar beurt (‘in reconventie’) gevorderd de veroordeling van [appellant] tot betaling van de achterstallige huur, te vermeerderen met rente, tot verstrekking van kopieën aangiften omzetbelasting en tot opheffing van een ten laste van haar gelegd conservatoir beslag.

4.3

In het vonnis van 21 november 2023, hersteld op 28 november 2023, is – voor zover van belang – [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tegen Beukie’s Holding en is het Lido Drenthe toegestaan [naam3] in vrijwaring op te roepen. Lido Drenthe is daartoe ook overgegaan.

4.4

In het vonnis van 9 april 2024 is het [naam3] toegestaan om zich aan de zijde van Lido Drenthe te voegen.

4.5

In het vonnis3 van 14 januari 2025 heeft de kantonrechter in conventie beslist:

7.1.

verklaart voor recht dat Lido Drenthe aansprakelijk is voor alle door [appellant] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het niet nakomen van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen [appellant] en Lido Drenthe gesloten huurovereenkomst van 1 april 2019 tot 1 mei 2023;

7.2.

veroordeelt Lido Drenthe aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 21.120,00 (zegge:

eenentwintigduizendhonderdtwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 2 juni 2023, zijnde de dag van dagvaarding, tot de dag der voldoening;

7.4.

veroordeelt Lido Drenthe tot betaling van de kosten van het gelegde beslag tot een bedrag van € 2.596,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, zijnde 2 juni 2023, tot de dag der voldoening;

7.5.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten zal moeten dragen;

7.5

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4.6

De tegen [appellant] gerichte vordering in reconventie van Lido Drenthe is door de kantonrechter afgewezen, onder veroordeling van Lido Drenthe in de proceskosten. Ook de tegen [naam3] gerichte vordering in vrijwaring van Lido Drenthe is afgewezen, eveneens onder haar veroordeling in de proceskosten.

4.7

De bedoeling van het hoger beroep dat [appellant] had ingesteld, was dat hem een hogere schadevergoeding werd toegekend. In het verstekarrest heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, behalve de hiervoor in rov. 4.5 vermelde beslissing sub 7.1 en die vernietigd. Het hof heeft daarop voor recht verklaard dat Lido Drenthe aansprakelijk is voor alle door [appellant] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het niet nakomen van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen [appellant] en Lido Drenthe gesloten huurovereenkomst van 1 april 2019 tot en met 31 maart 2026 en is Lido Drenthe veroordeeld aan [appellant] de als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat. Het hof heeft voorts Lido Drenthe veroordeeld tot betaling van € 3.168 aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2023. Tot slot is bepaald dat [appellant] de eigen kosten van zijn hoger beroep moet dragen.

4.8

De bedoeling van het nu aan de orde zijnde hoger beroep van Lido Drenthe is dat het verstekarrest alsook het vonnis van 14 januari 2025 worden vernietigd, dat de vorderingen van [appellant] alsnog geheel worden afgewezen en dat – onder herhaalde wijziging van eis – [appellant] alsnog wordt veroordeeld tot:

I. betaling aan Lido Drenthe van € 12.768,95, vermeerderd met een boeterente van € 300 per maand dan wel de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 10.968,95 vanaf 1 februari 2024 tot de dag van betaling;

II. verstrekking aan Lido Drenthe van de kopieën aangiften omzetbelasting voor elk kwartaal van de jaren 2021 tot en met 2025 alsmede het eerste kwartaal van 2026 binnen 14 dagen na betekening van het arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag, met een maximum van € 10.000;

III. betaling aan Lido Drenthe van € 235,95 per maand vanaf 1 mei 2023 tot en met 31 maart 2026, aldus € 8.494,20, vermeerderd met de boeterente van € 300 per maand, althans de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 2 weken na aanschrijving op basis van het arrest;

alsook

IV. zal verklaren voor recht “dat [appellant] op basis van de schikking voor zover aan [appellant] op grond van het in deze te wijzen arrest geen vordering, dan wel enige vordering op Lido Drenthe toekomt, [appellant] in relatie tot het daarvoor tot zekerheid gestelde depot onder de Stichting Beheer Derdengelden Bloomstead Advocaten over het niet toegewezen deel van het depot van € 217.000,00 conform artikel 4 van de schikking wettelijke rente aan Lido Drenthe B.V. verschuldigd is, vanaf de dag van het stellen van het depot tot aan de dag van de vrijgave daarvan aan de respectievelijke rechthebbenden van het depot na onherroepelijk worden van het in deze te wijzen arrest, dan wel na gezamenlijke instructie van partijen op basis van het in deze te wijzen arrest”;

met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

4.9

Tegen de wijzigingen van eis heeft [appellant] zich als zodanig niet verzet en ook het hof ziet geen redenen om de eiswijzigingen ambtshalve te weigeren op grond strijd met een goede procesorde. Het hof zal daarom rechtdoen op de herhaald gewijzigde eis.

5 Het oordeel van het hof in deze verzetzaak

Omvang van het hoger beroep

5.1

Lido Drenthe heeft vijf bezwaren (grieven) tegen het vonnis van 14 januari 2025 en in het verlengde daarvan tegen het verstekarrest van 16 september 2025. Grief 1 ziet op de contractsoverneming en op het door de kantonrechter aangenomen onttrekken aan haar verplichtingen als verhuurder. Met grief 2 bestrijdt Lido Drenthe dat zij tekort is geschoten op een wijze zoals door de kantonrechter is aangenomen en met grief 3 komt zij op tegen wat de kantonrechter heeft overwogen en beslist over de omvang van schade. Grief 4 keert zich tegen de toegewezen beslagkosten. Tot slot ziet grief 5 op de volgens Lido Drenthe ten onrechte afgewezen vordering in reconventie.

5.2

[appellant] heeft in zijn memorie van antwoord op het beroep van Lido Drenthe het hof verzocht terug te komen op wat het hof in het verstekarrest in rov. 6.15 e.v. heeft overwogen en beslist over zijn winstderving en met name dat aangenomen moet worden dat bevissing van de Westplas bestuursrechtelijk niet is toegestaan. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] het hof ook verzocht terug te komen op wat is overwogen en beslist in rov. 6.8 e.v. aangaande de door hem gestelde maar niet aangenomen tekortkomingen van i. niet voldoende visstekken aan de Oostplas ter beschikking stellen, ii. blokkeren van visstekken en iii. bevissing van de Oostplas door derden.

5.3

Anders dan [appellant] meent, is een procedure in verzet in hoger beroep geen voortzetting van zijn hoger beroep in die zin dat zijn grieven opnieuw volledig worden behandeld. Er bestaat alleen ruimte om op een in het verstekarrest gegeven oordeel terug te komen als dat door het door de andere partij (in dit geval: Lido Drenthe) ingestelde verzet (en/of een zelfstandig ingesteld hoger beroep) wordt geraakt. In die situatie valt dat aan de orde gestelde in de door de grieven van Lido Drenthe afgebakende omvang van de rechtsstrijd van partijen. In dit geval geldt dat voor het debat of sprake is van a) een contractsoverneming, b) een tekortkoming doordat de visstekken aan de Westplas niet (tijdig) ter beschikking zijn gesteld en c) de schadeomvang. Die onderwerpen worden immers door Lido Drenthe in verzet tegen het beroep van [appellant] respectievelijk in haar grieven in haar beroep aan de orde gesteld. Dit geldt niet voor de in rov 6.8 e.v. van het verstekarrest bedoelde tekortkomingen. Die zijn vanwege de grieven van [appellant] al besproken en verworpen. Tegen de beslissingen in het verstekarrest die buiten de omvang van de rechtsstrijd in verzet liggen, staat voor [appellant] beroep in cassatie open op de voet van artikel 401c lid 2 Rv.

Contractsoverneming

5.4

In het tussenarrest van 16 september 2025 is in de rov. 6.4 tot en met 6.7 overwogen en beslist dat bij gebrek aan medewerking van [appellant] geen contractsoverneming heeft plaatsgevonden (ook niet per 1 mei 2023) en dat Lido Drenthe als verhuurder partij is gebleven bij de huurovereenkomst. In dat oordeel zijn betrokken de in rov. 3.14 en 3.16 bedoelde e-mailberichten, de omstandigheid dat [naam3] tegenover [appellant] nimmer aanspraak op de betaling van huur heeft gemaakt, de aanwezigheid van [appellant] tijdens het kort geding van 11 april 2023 tussen Lido Drenthe en [naam3] alleen als toehoorder en het gegeven dat [appellant] kort na die zitting bij dagvaarding van 2 juni 2023 zijn vordering tegen Lido Drenthe als zijn verhuurder heeft ingesteld.

5.5

Lido Drenthe heeft daartegen ingebracht dat [naam3] op 1 mei 2023 met [appellant] heeft gesproken over de huurovereenkomst en het voortzetten daarvan door [naam3] . [naam3] heeft van dat gesprek op 3 mei 2023 een verslag aan [appellant] toegezonden, waarop [appellant] niet heeft gereageerd, aldus Lido Drenthe. Zij wijst er verder op dat [appellant] , zo blijkt volgens haar uit de uitspraak van 3 september 2025, in een procedure bij de Raad van State heeft aangevoerd dat hij op basis van een huurovereenkomst met Nijstad Exploitatie B.V. (zie rov. 3.11) zijn visstekken exploiteert. Als dit, samen met de voormelde feiten en omstandigheden, wordt gewogen, kan daarvan volgens Lido Drenthe geen andere conclusie mogelijk zijn dan dat [appellant] de contractsoverneming heeft geaccepteerd en daaraan meegewerkt. Het hof volgt Lido Drenthe daarin niet.

5.6

Het staat immers vast dat [appellant] niet heeft gereageerd op de mail waarmee [naam3] het gespreksverslag heeft toegezonden. Tegen de achtergrond van de eerdere protestmails van de advocaat van [appellant] en het gegeven dat [appellant] op 2 juni 2023 tegen Lido Drenthe een procedure is gestart en haar heeft aangesproken op het nakomen van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, is daarmee ook het gegeven dat [appellant] op 1 mei 2023 met [naam3] heeft gesproken en die daarvan een verslag heeft opgesteld onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] met een contractsoverneming heeft ingestemd. Voormelde vermelding in de uitspraak van de Raad van State is evenmin doorslaggevend, al is het maar omdat niet duidelijk is dat die vermelding is gebaseerd op wat [appellant] heeft aangevoerd. Dat [appellant] zich in die bestuursrechtelijke procedure, terwijl dat daarin niet relevant is, op het standpunt zou stellen dat zij van een ander dan Lido Drenthe zou huren, terwijl dat niet past bij zijn standpunt in dit al jarenlang lopend geschil laat zich ook niet inzien. Deze door Lido Drenthe aangedragen argumenten zijn dan ook voor het hof onvoldoende om anders te beslissen. Het hof blijft dan ook bij zijn oordeel dat Lido Drenthe als verhuurder partij is gebleven bij de huurovereenkomst van 15 februari 2019.

Tekortschieten Lido Drenthe

5.7

Voor de door [appellant] gestelde en door Lido Drenthe bestreden tekortkomingen van het niet beschikbaar zijn van de bedrijfsruimte (opslagruimte) en het vanaf 1 juli 2021 niet ter beschikking stellen van de vijf visstekken in plas 2 (Westplas) geldt het volgende.

-bedrijfsruimte

5.8

Lido Drenthe heeft betwist dat zij de bedrijfsruimte aan [appellant] heeft onttrokken, in welk verband zij aanvoert dat zij nimmer in gebreke is gesteld en [appellant] overigens door het niet betalen van de basishuur per maand in schuldeisersverzuim verkeert. In het e-mailbericht van 1 juni 2021 aan Lido Drenthe schrijft [appellant] “De toekomstige eigenaar heeft zich toegang verschaft van het gehuurde opslaghok en spullen vervreemd en verplaatst zonder toestemming (..)”. Hoewel [appellant] ook schrijft dat huurgenot moet worden hersteld en dat de toekomstige eigenaar zich aan het huurcontract moet houden, is daarin niet met zoveel woorden te lezen dat [appellant] zelf geen toegang meer heeft tot de bedrijfsruimte. Of sprake is (geweest) van een gebrek in het huurgenot waarvoor Lido Drenthe aansprakelijk is, kan echter op grond van het navolgende in het midden worden gelaten.

5.9

Gesteld noch gebleken is immers dat [appellant] tegenover Lido Drenthe enige consequentie heeft verbonden aan een niet meer beschikbaar zijn van ‘het opslaghok’. Van enig beroep op opschorting van een deel van de huur of verrekening met een schadevergoeding ter zake (zo al mogelijk) is niet gebleken, terwijl in dat verband ook niet om een gedeeltelijke ontbinding van de huurovereenkomst en/of een huurprijsvermindering is verzocht. Door de kantonrechter is overwogen dat de door [appellant] ingeschakelde accountant in zijn rapport over de door Lido Drenthe veroorzaakte schade geen bedrag heeft opgenomen vanwege het niet meer beschikbaar zijn van de opslagruimte, waarna ook de kantonrechter in zijn begroting van de schade daarvoor geen bedrag heeft opgenomen. Dit is door [appellant] in zijn beroep onweersproken gelaten. Het bestaan van enige schade is daarom niet aannemelijk. Bijgevolg bestaat er geen grond voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Welk belang [appellant] dan ten aanzien van dit aspect heeft bij een verklaring voor recht dat Lido Drenthe aansprakelijk is voor een tekortkoming ter zake laat zich dan bij gebrek aan onderbouwing ook niet inzien. Aan dit gestelde gebrek gaat het hof dan ook alsnog voorbij. Lido Drenthe komt daarom terecht op tegen wat de kantonrechter daarover heeft overwogen en beslist.

-Westplas

5.10

[appellant] voert aan dat uit de artikelen 14.1 en 1.2 van de huurovereenkomst (zie rov. 3.7 en 3.8) volgt dat Lido Drenthe uiterlijk per 1 juli 2021 vijf visstekken in de Westplas ter beschikking had moeten stellen en dat Lido Drenthe daarin toerekenbaar tekort is geschoten. Lido Drenthe stelt daartegen dat het samenstel van die bepalingen juist duidelijk maakt dat eerst nog toestemming moest worden verkregen, zowel van de eigenaar van de plas als van de gemeente, alvorens de Westplas commercieel bevist mocht worden en dat de in dat verband in februari 2019 opgenomen datum van 1 juli 2021 was gebaseerd op de eerdere ervaringen en gemoeide tijd om commerciële bevissing in de Oostplas mogelijk te maken. Partijen zijn het er dus niet over eens hoe deze afspraak moet worden uitgelegd.

5.11

De vraag wat tussen [appellant] en Lido Drenthe over de terbeschikkingstelling van de visstekken in de Westplas is overeengekomen, moet beoordeeld worden naar de zogeheten Haviltex-maatstaf. Die maatstaf houdt in dat voor het antwoord op de vraag wat is overeengekomen niet alleen gekeken moet worden naar wat er in de overeenkomst en op papier staat, maar dat ook rekening gehouden moet worden met wat partijen aan elkaar hebben geschreven of gezegd, hoe zij zich hebben gedragen en wat zij daaruit redelijkerwijs mochten afleiden. Daarbij komt ook betekenis toe aan gedragingen en gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na het tot stand komen van de overeenkomst. Het hof houdt verder bij de uitleg rekening met de aard van de overeenkomst: het gaat hier om een afspraak over het gaan gebruiken van grond en water dat pas na verloop van jaren na het maken van de afspraak daarover ter beschikking moet komen en waarvoor eerst nog ‘de werkzaamheden’ aan de tweede plas (de Westplas) gereed moesten komen (artikel 1.2 van de huurovereenkomst).

5.12

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is afdoende gebleken dat ten tijde van de totstandkoming van de huurovereenkomst op 15 februari 2019 met betrekking tot beide plassen geen fysieke werkzaamheden nog hoefden gereed te komen. Partijen zijn het erover eens dat op dat moment de zandwinning al jaren daarvoor was beëindigd en dat alle voorzieningen daartoe al waren verwijderd. [appellant] heeft in dat verband het hof niet duidelijk kunnen maken welke werkzaamheden in fysiek opzicht dan nog gereed moesten komen, anders dan dat hij na het ter beschikking komen van de visstekken daarvoor nog vissteigers had aan te leggen. Dat maakt aannemelijk dat het gereedkomen van ‘de werkzaamheden’ op iets anders zag dan fysieke werkzaamheden. Lido Drenthe heeft in dat verband aangevoerd dat het opnemen van ‘gereedkomen van de werkzaamheden’ te maken had met het (zo nodig) wijzigen van de publiekrechtelijke bestemming van de gehele Westplas – zoals dat eerder is gedaan ten aanzien van de Oostplas – en het verkrijgen van instemming van de eigenaren van de Westplas en aanliggende grond. Daarover kan het volgende worden vastgesteld.

5.13

Ook als ervan uit moet worden gegaan, zoals [appellant] stelt, dat de voor de Oostplas gewijzigde publiekrechtelijke bestemming zich uitstrekt tot een oostelijk deel van de Westplas en de landrug tussen de twee plassen, geldt dat daarmee twee, en misschien drie, van de vijf beoogde visstekken al onder het aangepaste regime vielen, waarmee zonder twijfel commerciële bevissing van het water mogelijk werd gemaakt. Dat de bestaande bestemming van (het resterende, grootste deel van) de Westplas van ‘agrarisch’ en ‘zandwinning’ zulke commerciële bevissing al mogelijk maakt, zoals [appellant] stelt, is onvoldoende onderbouwd. Het bestemmingsplan met bijbehorende voorschriften is niet overgelegd, terwijl het door hem overgelegde advies van een jurist op het terrein van het bestuursrecht niet meer inhoudt dan dat het geldende bestemmingsplan “vissen in de Westplas niet uitsluit”, stellend dat ter plaatse dagrecreatie zou zijn toegestaan. Daarmee is echter niet gezegd dat ter plaatse van de Westplas ook de exploitatie van een commercieel visbedrijf mogelijk was. Daarmee blijft voor het hof voldoende aannemelijk dat bevissing van de gehele Westplas bestuursrechtelijk nog niet was toegestaan en dat daarvoor eerst een wijziging van het bestemmingsplan nodig was. Daarmee bestond er vanaf 15 februari 2019 een bestuursrechtelijke belemmering de visstekken in de Westplas commercieel te exploiteren. Partijen zijn het erover eens dat het voor het grootste deel van de Westplas geldende bestemmingsplan tot op heden nog niet is aangepast, zodat die belemmering ook na 1 juli 2021 heeft voortgeduurd. In die zin zijn daarmee ‘de werkzaamheden’ al niet gereed gekomen.

5.14

Verder is gebleken dat op en voor 15 februari 2019 de Westplas en aanliggende grond voor het grootste deel in eigendom toebehoorde aan de familie [naam4] . Uit de door Lido Drenthe overgelegde stukken blijkt dat haar directeur [naam2] (in ieder geval) vanaf 2016 in overleg met die familie was om voor de Westplas in enigerlei vorm een exploitatierecht te verkrijgen. In de daarbij overgelegde WhatsAppberichten vraagt [appellant] vanaf december 2016 tot en met juli 2018 geregeld naar de stand van zaken met betrekking tot de familie [naam4] , waarna [naam2] steeds aangeeft niet duidelijk te hebben hoe ver de familie [naam4] is met hun plannen voor het gebied. Verder blijkt dat in oktober 2018 tussen de familie [naam4] en Lido Drenthe in concept een intentieovereenkomst is opgesteld. In dat concept is onder meer verwoord dat het de bedoeling is dat die delen grond en water, die geen onderdeel gaan uitmaken van de ontwikkeling van woningbouw verpacht zullen worden aan Lido Drenthe en dat Lido Drenthe in dat geval een bufferzone in acht moet nemen. In de daarop volgende mailwisselingen van 12 december 2018 en 1 februari 2019 zijn schetsindelingen van het gebied uitgewisseld tussen Lido Drenthe en (kennelijk de vertegenwoordigers van) de familie [naam4] .

5.15

[appellant] heeft in voormeld verband niet gemotiveerd weersproken dat [naam2] hem van de ontwikkelingen op de hoogte hield. Tegen die achtergrond is aannemelijk dat Lido Drenthe én [appellant] bij de totstandkoming van hun huurovereenkomst de verwachting hadden dat binnen afzienbare termijn, maar dan toch uiterlijk per 1 juli 2021, toestemming van de eigenaren zou zijn verkregen de Westplas commercieel te exploiteren.

5.16

Uit het door Lido Drenthe overgelegde verslag van 5 november 2020 van een bespreking tussen haar en de vertegenwoordigers van de familie [naam4] , welk verslag per e-mailbericht van 10 november 2020 is verzonden, blijkt echter dat tijdens de uitwerking van de plannen van de familie [naam4] en Lido Drenthe, de familie [naam4] in juli 2020 door [naam3] is benaderd met een alternatief plan voor hun perceel met onder meer de realisatie van een vakantiepark, dat de familie [naam4] in augustus 2020 heeft besloten aan dat alternatieve plan de voorkeur te geven en dat zij eveneens de voorkeur had de grond aan één partij te verkopen of te verpachten. Omdat zij financieel niet in staat was om een aan dat alternatieve plan gelijkwaardig plan te realiseren, aldus Lido Drenthe, heeft zij uiteindelijk met de familie [naam4] geen overeenkomst kunnen sluiten op basis waarvan zij de visstekken in de Westplas aan [appellant] ter beschikking kon stellen. Een en ander vindt steun in de in december 2020 tussen [naam3] en Lido Drenthe gesloten overeenkomst waarbij [naam3] de rol van Lido Drenthe als de exploitant/gebiedsregisseur van het recreatieterrein overneemt.

5.17

Met een en ander is voldoende aannemelijk geworden dat vanwege het door [naam3] aan de familie [naam4] voorgelegde alternatieve plan voor de grond en het water van de Westplas Lido Drenthe uiteindelijk geen exploitatieovereenkomst met de familie [naam4] heeft kunnen sluiten. Dat die overeenkomst niet tot stand gekomen, is daarmee, anders dan [appellant] nog suggereert, niet door Lido Drenthe geforceerd.

5.18

Het voorgaande leidt ertoe dat onder ‘na het gereedkomen van de werkzaamheden aan de tweede plas’ ook moet worden verstaan dat de familie [naam4] via een daartoe te sluiten overeenkomst toestemming had verleend voor gebruik van de Westplas. De tekst in artikel 14.1 dat de vijf visstekken in de Westplas ‘zo spoedig mogelijk’ ter beschikking worden gesteld past bij de verwachting van partijen als bedoeld in rov. 5.14 en rov. 5.15. De vervolgens genoemde uiterste datum van 1 juli 2021 wijst er in de gegeven omstandigheden – hoewel die datum in dat opzicht bepaald gemankeerd is verwoord – dan ook op niet meer dan de veronderstelling van partijen dat op dat moment zowel het bestuursrechtelijke regime zal zijn aangepast als de benodigde toestemming van de eigenaren van de Westplas zal zijn verkregen. De tekst van artikel 14.1 houdt dus naar het oordeel van het hof geen fatale termijn in, maar is veeleer een horizonbepaling waarmee partijen tot uitdrukking hebben gebracht waarbinnen Lido Drenthe een en ander – waarop zij naar [appellant] wist geen doorslaggevende invloed had – verwachtte te hebben gerealiseerd. Aanknopingspunten voor een andere uitleg, anders dan de tekst van artikel 14.1, heeft [appellant] niet aangevoerd. Het hof ziet daarmee onvoldoende aanknopingspunten voor een andere uitleg.

5.19

Gelet op het voorgaande levert de omstandigheid dat de vijf visstekken in de Westplas niet uiterlijk per 1 juli 2021 ter beschikking van [appellant] zijn gekomen dan ook geen tekortkoming van Lido Drenthe op. Voor de suggestie van [appellant] dat Lido Drenthe zich door [naam3] royaal heeft laten afkopen, met voorbij zien aan de belangen van [appellant] , ziet het hof geen aanknopingspunten. Die afkoop is het logische gevolg van de omstandigheid dat [naam3] de activiteiten van Lido Drenthe heeft overgenomen en dat die activiteiten een waarde vertegenwoordigden.

5.20

In het arrest van 16 september 2025 is al overwogen en beslist dat de drie andere door [appellant] gestelde tekortkomingen geen doel treffen. Hiervoor is overwogen dat die verwijten in het beroep van Lido Drenthe niet opnieuw aan de orde kunnen komen.

5.21

Er kan daarmee niet tot de conclusie worden gekomen dat sprake is (geweest) van een ‘toerekenbare ernstige tekortkoming’ van Lido Drenthe als bedoeld in artikel 10.3 van de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst. Er is daarmee geen grond voor toewijzing van een door [appellant] gevorderde verklaring voor recht dat Lido Drenthe aansprakelijk is voor alle door [appellant] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het niet nakomen door Lido Drenthe van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst van 15 februari 2019. Die vordering zal worden afgewezen.

Schade

5.22

Uit voorgaande conclusie volgt dat er ook geen grond is voor een toekenning van een schadevergoeding aan [appellant] ten laste van Lido Drenthe. Wat partijen over en weer hebben aangevoerd over de begroting van schade en wat de kantonrechter in dat verband heeft overwogen, kan daarom verder onbesproken worden gelaten. De veroordeling van Lido Drenthe tot vergoeding van € 21.120 met rente vanaf 2 juni 2023 alsook de verwijzing naar de schadestaat voor de ná 1 mei 2023 geleden schade kunnen dan ook niet in stand blijven.

Huur(-omvang & -achterstand)

5.23

Uit wat hiervoor is overwogen en beslist omtrent de contractsoverneming volgt dat Lido Drenthe onveranderd de verhuurder van [appellant] is gebleven. [appellant] is dan ook gehouden de door hem verschuldigde huur aan Lido Drenthe te betalen.

5.24

[appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat de door partijen afgesproken en in de huurovereenkomst van 15 februari 2019 vastgelegde basishuur van € 195 exclusief btw (ofwel € 235,95 inclusief btw) per maand naderhand door hen per 1 april 2020 blijvend is vastgesteld op € 90 exclusief btw per maand. [appellant] heeft niet toegelicht wanneer en waarom de huurprijs blijvend zou zijn verlaagd. Uit het door hem overgelegde e-mailbericht van 4 mei 2020 van Lido Drenthe blijkt niet meer dan dat Lido Drenthe de factuur voor april 2020 toezendt, onder verwijzing naar het vaste bedrag zoals opgenomen in ‘het contract’ en dat zij ‘dit eerst op 90 euro per maand [heeft] gezet’. Vanaf januari 2021 is (kennelijk vanwege de tussen Lido Drenthe en Lido Hoogeveen/ [naam3] ontstane discussie) in eerste instantie aan [appellant] geen maandelijkse huur in rekening gebracht. Uiteindelijk is [appellant] per factuur van 12 juli 2023 over de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 april 2023 de maandelijkse huur van € 235,95 inclusief btw, vermeerderd met 10% commissie over 2021 en 2022, in rekening gebracht. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] zich toen op het standpunt heeft gesteld dat een basishuur van € 90 per maand zou gelden. In de door hem uitgebrachte dagvaarding van 2 juni 2023 in deze procedure heeft [appellant] in randnummer 1 zonder enig voorbehoud vermeldt dat de huurprijs “€ 235,95 + p.m.” bedraagt, daarbij verwijzend naar de huurovereenkomst van 15 februari 2019. Aan het verweer van [appellant] dat de basishuur blijvend is verlaagd tot € 90 per maand, exclusief btw en exclusief omzetafhankelijke toeslag, gaat het hof dan ook als onvoldoende onderbouwd voorbij.

5.25

De door Lido Drenthe over de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 april 2023 gevorderde basishuur van € 5.460 exclusief btw, ofwel € 6.606,60 inclusief btw, is gezien het voorgaande in beginsel verschuldigd. In de factuur van 12 juli 2023 heeft Lido Drenthe ook bedragen van € 2.380 en € 1.225, steeds exclusief btw, opgenomen als verschuldigde commissie van 10% voor de jaren 2021 en 2022. Daar waar Lido Drenthe aanvoert dat zij vanaf januari 2021 geen inzicht heeft in de door [appellant] behaalde omzet en afgifte vordert van de aangiften omzetbelasting gaat het hof er vanuit dat dit bedragen zijn die als voorschot worden gevorderd. [appellant] heeft een en ander inhoudelijk onbesproken gelaten, zodat die voorschotten eveneens toewijsbaar zijn. Hetzelfde geldt voor de over de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 maart 2026 (= 35 maanden) gevorderde basishuur van € 235,95 inclusief btw ofwel € 8.258,25 inclusief btw (en niet € 8.494,20 inclusief btw, zoals Lido Drenthe kennelijk bij vergissing heeft berekend).

5.26

Zoals overwogen, heeft [appellant] geen vordering op Lido Drenthe. Daardoor gaat zijn beroep op opschorting van zijn betalingsverplichting alsook zijn beroep op verrekening van de door hem verschuldigde huur met een schadevergoeding niet op, nog daargelaten dat Lido Drenthe onbestreden heeft aangevoerd dat dat in de huurovereenkomst is uitgesloten. Een en ander leidt ertoe dat de door Lido Drenthe gevorderde bedragen aan huur van € 10.968,65 (inclusief voorschot op de 10% commissie en inclusief btw) en € 8.494,20 (inclusief btw) toewijsbaar zijn.

Boete of wettelijke handelsrente

5.27

Lido Drenthe vordert over de achterstallige huur over de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 april 2023 vanaf augustus 2023 een boeterente van € 300 per maand (daaronder begrepen de € 1.800 zoals deel uitmakend van het in rov. 4.8 sub I. gevorderde € 12.768,95) subsidiair de vergoeding van de wettelijke handelsrente vanaf 1 februari 2024. Over de vanaf 1 mei 2023 verschuldigde huur vordert Lido Drenthe een boete van € 300 per maand vanaf

twee weken na aanschrijving op basis van het arrest subsidiair de wettelijke handelsrente.

5.28

De boeterente is door Lido Drenthe niet verder toegelicht dan dat het “contractueel” zou zijn. Over zo’n boete is in de huurovereenkomst is niets te lezen. Dat zo’n boete te baseren zou zijn op enige bepaling in de algemene bepalingen heeft Lido Drenthe niet uitgewerkt. In zoverre is dit deel van de vordering al onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat Lido Drenthe zich jarenlang op het standpunt heeft gesteld dat zij niet meer de verhuurder was maar [naam3] en daardoor zaken ook jarenlang op hun beloop heeft gelaten. Zij heeft daardoor in relevante mate bijgedragen aan de onduidelijkheid bij [appellant] over zijn positie. Tegen die achtergrond is het naar het oordeel van het hof onaanvaardbaar dat Lido Drenthe met terugwerkende kracht aanspraak zou hebben op een boete wegens een te late betaling door [appellant] . De over de tweede periode aan huur gevorderde boete deelt dat lot.

5.29

Wat betreft de gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW geldt dat de huurovereenkomst van partijen moet worden aangemerkt als een handelsovereenkomst in de zin van genoemd artikel omdat beide partijen bij de huurovereenkomst hebben gehandeld in de uitoefening van hun bedrijf. De daarbij door Lido Drenthe gestelde data van ingang zijn als niet weersproken en als het mindere passend bij de systematiek van lid 2 van artikel 6:119a BW toewijsbaar.

Aangiften omzetbelasting

5.30

In artikel 15 van de huurovereenkomst is bepaald dat [appellant] bovenop de huur per maand een ‘succesfee’ aan Lido Drenthe is verschuldigd van 10% van de door [appellant] behaalde bruto omzet exclusief btw. Artikel 15.3 verplicht [appellant] in dat verband om binnen 5 weken na ieder kwartaal een afschrift van zijn aangifte omzetbelasting te verstrekken. Het staat vast dat Lido Drenthe – in ieder geval in haar eis in reconventie van 16 januari 2024 – om afgifte van dergelijke kopieën heeft gevraagd en dat [appellant] die tot op heden niet heeft verstrekt. Omdat aan Lido Drenthe, zoals hiervoor overwogen, de achterstallige huur toekomt, valt niet in te zien dat [appellant] , die daarvoor ook geen inhoudelijk argument aanvoert, die kopieën niet verstrekt. De gevorderde afgifte zal dan ook worden toegewezen. De daarbij gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen.

Rente over depot

5.31

De door Lido Drenthe gevorderde verklaring voor recht als het gaat om de door [appellant] verschuldigde rente over het in december 2023 in depot gestelde bedrag is eveneens toewijsbaar als in de beslissing weer te geven. [appellant] heeft als verweer daartegen aangevoerd dat hij geen rente is verschuldigd als hem enige vordering toekomt, en dus ook niet over het bedrag dat daardoor te veel (ten onrechte) in depot is gehouden. Hiervoor is vastgesteld dat [appellant] geen vordering op Lido Drenthe heeft zodat dit verweer al doel mist. Overigens laat de tekst en de strekking van artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst van 4 december 2023 naar het oordeel van het hof geen andere lezing toe dan dat [appellant] , ook als hij wel een bedrag van Lido Drenthe te vorderen zou hebben, over het meerdere boven dat bedrag wettelijke rente is verschuldigd.

Kosten procedure bij de kantonrechter & beslagkosten

5.32

Uit het voorgaande volgt dat [appellant] in de procedure bij de kantonrechter alsnog als de overwegend in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden. Lido Drenthe is daarmee ten onrechte met de kosten van de procedures in conventie en reconventie belast. [appellant] zal daarin worden veroordeeld hierna nader aan te geven. Een en ander betekent verder dat de door [appellant] gevorderde vergoeding voor beslagkosten ten onrechte is toegewezen. Die zal alsnog worden afgewezen. Voor zover Lido Drenthe die kosten op basis van het bestreden vonnis aan [appellant] heeft vergoed, moet [appellant] die aan Lido Drenthe terugbetalen. Omdat Lido Drenthe daarvoor in deze procedure niet al een vordering heeft ingesteld, is zij, als [appellant] niet vrijwillig terugbetaalt, aangewezen op een afzonderlijke procedure.

Bewijsaanbod

5.33

Het door [appellant] in zijn hoger beroep gedane bewijsaanbod is al bij het arrest van 16 september 2025 gepasseerd. In het door Lido Drenthe ingestelde beroep heeft [appellant] geen bewijs aangeboden. Het hof ziet ook geen reden hem uit eigen beweging bewijs op te dragen.

De conclusie

5.34

Het hoger beroep van Lido Drenthe slaagt. Geen van de vorderingen van [appellant] is toewijsbaar. Die van Lido Drenthe worden toegewezen als hiervoor is overwogen. Dit betekent dat het bestreden vonnis van 14 januari 2025 alsook het verstekarrest niet in stand kunnen blijven. Die zullen worden vernietigd.

5.35

Omdat [appellant] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep en bij de kantonrechter (zowel in conventie als in reconventie) veroordelen.

5.36

Voor de kosten van de procedure bij de kantonrechter gaat het hof uit van het liquidatietarief kanton zoals dat gold tot 1 februari 2026. Uitgaande van het in conventie gevorderde past het hof voor het salaris de trede van € 200.000 tot € 400.000 toe ofwel € 1.087 per punt. Voor de conventie kent het hof drie punten toe (1 punt voor het antwoord, de dupliek en voor de mondelinge behandeling). Voor de reconventie past het hof voor het salaris de trede van € 20.000 tot € 40.000 toe ofwel € 543 per punt. Voor de reconventie kent het hof twee punten toe (1 punt voor de eis in reconventie en voor de repliek in reconventie). Omdat de reconventie niet voortvloeit uit het verweer worden de punten in reconventie niet gehalveerd.

5.37

Voor de kosten van het hoger beroep past het hof het voor de gerechtshoven sinds 1 februari 2026 geldende liquidatietarief toe. Wat betreft de proceskosten in hoger beroep gaat het hof voor het hoger beroep van [appellant] uit van een aan de orde zijnde geldswaarde van € 20.000 tot € 40.000, ofwel tarief III, waarvoor ieder punt wordt gewaardeerd op € 1.670. Voor dat beroep kent het hof 1,5 punt toe (1 punt voor het antwoord en de mondelinge behandeling wordt bij helfte toegerekend aan beide beroepen). Voor het beroep van Lido Drenthe past het hof toe tarief II (vordering met een geldswaarde van € 10.000 tot € 20.000) ofwel € 1.290 per punt. Voor dat beroep kent het hof eveneens 1,5 punt (1 punt voor de grieven en een half punt voor de mondelinge behandeling). De kosten van de verzetdagvaarding blijven voor rekening van Lido Drenthe omdat zij er welbewust voor heeft gekozen aanvankelijk verstek te laten gaan.

5.38

Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.4

5.39

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6 De beslissing

Het hof:

6.1

vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 16 september 2025, zowel in conventie als in reconventie gewezen;

6.2

vernietigt het arrest van 16 september 2025;

6.3

wijst de vorderingen van [appellant] af;

6.4

veroordeelt [appellant] tot betaling aan Lido Drenthe van € 10.968,95 aan huur over de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 april 2023, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 februari 2024;

6.5

veroordeelt [appellant] tot betaling aan Lido Drenthe van € € 8.258,25 aan huur over de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 maart 2026, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 2 weken na aanschrijving op basis van het arrest;

6.6

veroordeelt [appellant] tot verstrekking aan Lido Drenthe van de kopieën aangiften omzetbelasting voor elk kwartaal van de jaren 2021 tot en met 2025 alsmede het eerste kwartaal van 2026 binnen 14 dagen na betekening van het arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag, met een maximum van € 10.000;

6.7

verklaart voor recht dat [appellant] op basis van de schikking van 4 december 2023 in relatie tot het daarvoor tot zekerheid gestelde depot onder de Stichting Beheer Derdengelden Bloomstead Advocaten over het niet toegewezen deel van het depot van € 217.000 conform artikel 4 van de schikking wettelijke rente aan Lido Drenthe verschuldigd is, vanaf de dag van het stellen van het depot tot aan de dag van de vrijgave daarvan aan de respectievelijke rechthebbenden van het depot na onherroepelijk worden van dit arrest, dan wel na gezamenlijke instructie van partijen op basis van dit arrest;

6.8

veroordeelt [appellant] tot betaling van:

A. de proceskosten van Lido Drenthe tot aan de uitspraak van de kantonrechter in conventie:

  • nihil aan griffierecht

  • € 3.261 aan salaris van de advocaat van Lido Drenthe (3 procespunten × het toepasselijke tarief à € 1.087)

B. de proceskosten van Lido Drenthe tot aan de uitspraak van de kantonrechter in reconventie:

 € 1.086 € 1.086 aan salaris van de advocaat van Lido Drenthe (2 procespunten × het toepasselijke tarief à € 543)

de proceskosten van Lido Drenthe in het hoger beroep van [appellant] :

 € 2.505 € 2.505 aan salaris van de advocaat van Lido Drenthe (1,5 procespunt × het toepasselijke tarief III);

de proceskosten van Lido Drenthe in haar eigen hoger beroep:

  • € 6.803 aan griffierecht

  • € 1.935 aan salaris van de advocaat van Lido Drenthe (1,5 procespunt × het toepasselijke tarief II)

6.9

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;

6.10

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

6.11

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, J.H. Kuiper en O.E. Mulder, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

6 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »