ECLI:NL:GHARL:2026:5981

Datum uitspraak
17-09-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.368.168
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

de vervangende toestemming erkenning, de omgangsregeling en de informatieregeling en ontvankelijkheid. Benoeming bijzondere curator. Artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek Artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Artikel 1:377a lid 3 BW Artikel 283 Rechtsvordering (Rv) in combinatie met de artikelen 130 Rv en 362 Rv Artikel 1:377b leden 1 en 2 BW

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.368.168

(zaaknummer rechtbank Gelderland 438056)

beschikking van 17 september 2026

over de vervangende toestemming erkenning, de omgangsregeling en de informatieregeling

in de zaak van

[vader] (de vader)

die woont in [woonplaats1]

advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter

en

[moeder] (de moeder) die woont op een bij het hof bekend adresadvocaat: mr. F.B. Flooren

en

mr. M.J.S. Linssen (de bijzondere curator)

die kantoor houdt in Waardenburg

en

de raad voor de kinderbescherming (de raad)

als adviseur van het gerechtshof

1 Samenvatting

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige] . Het hof beslist dat dit zo moeten blijven. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen afgewezen. Het hof beslist dat dit ook zo moet blijven. Het hof zal het verzoek van de vader over de informatieregeling toewijzen. Het hof legt hierna uit waarom het hof zo beslist.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder hebben kort een relatie met elkaar gehad. Tussen de vader en de moeder is niet in geschil dat de vader de verwekker is van [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] is geboren [in] 2014.

2.3.

De vader heeft [minderjarige] bij zijn geboorte niet erkend. De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag uit.

3 De procedure bij de rechtbank

3.1.

De vader heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, verzocht:

- om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [minderjarige] ;

- tussen [minderjarige] en hem een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondag 18.00 uur en ook de helft van de vakanties en feestdagen bij hem zal verblijven, of dat de rechtbank anders een omgangsregeling vaststelt die de rechtbank juist acht.

3.2.

De rechtbank heeft de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige] . De overige verzoeken heeft de rechtbank afgewezen.

3.3.

Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 30 januari 2026.

4 De procedure bij het hof

4.1.

De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank, voor zover zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met [minderjarige] is afgewezen, ongedaan maakt. De vader verzoekt het hof een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen zoals door hem bij de rechtbank is verzocht en anders te bepalen dat met inzet van hulpverlening wordt gewerkt aan een gefaseerde opbouw van het contact tussen hem en [minderjarige] , of een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht. Daarnaast verzoekt de vader het hof een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder eenmaal per maand hem per e-mailbericht informeert en consulteert over de ontwikkelingen van [minderjarige] en andere belangrijke zaken over [minderjarige] , met daarbij een duidelijke kleurenfoto of filmpje van [minderjarige] .

4.2.

De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank over de omgangsregeling. De moeder wil dan ook dat het hof de beslissing over de omgangsregeling in stand laat en dat de vader niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek over de informatieplicht. De moeder heeft ook hoger beroep ingesteld (incidenteel hoger beroep). Zij wil dat het hof de beslissing over de vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] ongedaan maakt en het verzoek van de vader om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [minderjarige] alsnog afwijst.

4.3.

De vader vraagt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen.

4.4.

De bijzondere curator is het eens met het verzoek van de moeder in incidenteel hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank over de erkenning ongedaan maakt.

4.5.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift ontvangen op 29 april 2026;

  • het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;

  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

  • het advies van de bijzondere curator;

  • de spreekaantekeningen van de vader.

4.6.

[minderjarige] heeft op 3 augustus 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof over zijn situatie.

4.7.

De zitting bij het hof was op 6 augustus 2026. Aanwezig waren:

  • de vader met mr. Q van Mossevelde (als waarnemer van mr. A.A. Broekman-de Feijter);

  • de moeder met haar advocaat;

  • de bijzondere curator;

  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

5 Het oordeel van het hof

Benoeming bijzonder curator

5.1.

Artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een minderjarig kind in een procedure over zijn afstamming vertegenwoordigd moet worden door een bijzondere curator. Bij de rechtbank heeft mr. M.J.S Linssen kantoorhoudende in Waardenburg, opgetreden als bijzondere curator van [minderjarige] . De rechtbank heeft mr. M.J.S Linssen bij beschikking van 30 januari 2026 ontslagen van haar taak als bijzondere curator. Het hof ziet aanleiding om haar opnieuw tot bijzondere curator te benoemen om ook in deze procedure in hoger beroep de belangen van [minderjarige] te behartigen.

Vervangende toestemming erkenning

Wat staat in de wet?

5.2.

Als de toestemming van de moeder dan wel van het kind van twaalf jaren of ouder tot erkenning ontbreekt, kan die toestemming op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon:

a. de verwekker van het kind is; of

b. de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.1

5.3.

Hierbij dient een afweging te worden gemaakt van de belangen van betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Daarbij zal het belang van de vader bij en zijn aanspraak op erkenning moeten worden afgewogen tegen het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en van het kind bij niet-erkenning. Van schade aan het belang van het kind in de zin van het hiervoor genoemde wetsartikel is slechts sprake indien ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s ontstaan dat het kind wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Een zekere emotionele weerstand van de moeder is onvoldoende om vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, indien duidelijk wordt dat de weerstand van de moeder negatieve gevolgen voor de positie van het kind met zich brengt.

Hoe oordeelt het hof?

5.4.

In haar incidentele verzoek voert de moeder aan dat de erkenning van [minderjarige] door de vader haar veel stress heeft bezorgd waardoor zij minder in staat is om goed voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Uit de stukken en uit wat op de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof er niet van overtuigd dat de moeder als gevolg van de erkenning in een zodanige onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is [minderjarige] een stabiel opvoedingsklimaat te bieden. Door de erkenning door de vader verandert er naar het oordeel van het hof niet veel voor [minderjarige] , omdat hij al weet wie zijn biologische vader is.

Voor het hof is het duidelijk dat het toewijzen van het verzoek tot erkenning tot spanning bij de moeder heeft geleid, maar in haar toelichting ziet het hof te weinig aanknopingspunten dat een erkenning van [minderjarige] door de vader tot een situatie leidt waarin zij onvoldoende in staat is om goed voor [minderjarige] te kunnen zorgen.

In het verleden heeft [minderjarige] een aantal keer contact gehad met de vader. Het is de vader tot op heden alleen niet gelukt om structureel contact met [minderjarige] te onderhouden. [minderjarige] is daardoor teleurgesteld. Verder heeft [minderjarige] de afgelopen periode gemerkt dat zijn moeder last heeft van de spanning door deze procedure en dit maakt dat hij ook spanning en onrust ervaart. Hij is opgegroeid bij de moeder en daardoor is zijn loyaliteit naar de moeder groot. Het hof heeft de indruk dat deze situatie maakt dat [minderjarige] op dit moment behoefte heeft aan rust en niet opnieuw teleurgesteld wil worden. Het hof begrijpt die wens van [minderjarige] .

De bezwaren van de moeder, de bijzondere curator en de raad zien voornamelijk op het contact tussen de vader en [minderjarige] . Zij vrezen dat de vader er niet in zal slagen het contact met [minderjarige] structureel te onderhouden. Duidelijk is dat de moeder op dit punt nog steeds geen vertrouwen heeft in de vader maar dat is geen reden om geen vervangende toestemming voor de erkenning te verlenen.

5.5.

Alles overwegende acht het hof het in het belang van [minderjarige] dat officieel wordt vastgelegd wie zijn vader is. Hij zal door deze erkenning niet ernstig worden belemmerd in zijn sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Ook acht het hof dat de door de moeder gestelde spanningen niet zodanig zijn dat deze haar band met [minderjarige] in negatieve zin beïnvloeden en dat de spanningen in de weg staan aan de ontwikkeling van [minderjarige] na de erkenning. Met de erkenning wordt de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de biologische en feitelijke werkelijkheid. [minderjarige] heeft recht op duidelijkheid over zijn afkomst en dat zijn relatie met de vader wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De beslissing van de rechtbank over de erkenning blijft daarom in stand.

Omgangsregeling

Wat staat in de wet?

5.6.

De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een omgangsregeling vast of ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.2

Hoe oordeelt het hof?

5.7.

Het hof vindt net als de raad dat het in dit stadium te vroeg is om omgang tussen de vader en [minderjarige] toe te staan. [minderjarige] kent de vader nog niet goed genoeg en de vader vormt voor hem geen belangrijk hechtingsfiguur. Het is de vader tot nu toe niet gelukt om contact te onderhouden en ook niet om een structurele rol te spelen in het leven van [minderjarige] . Er zijn geen duidelijke aanknopingspunten dat dit op korte termijn zal gaan veranderen.

5.8.

Het hof is dan ook van oordeel dat op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] om een omgangsregeling vast te stellen. De beslissing van de rechtbank over de omgang blijft daarom ook in stand.

(niet-)ontvankelijkheid van de vader in zijn aanvullend verzoek

5.9.

De moeder voert aan dat de vader niet kan worden ontvangen in zijn verzoek om een informatieregeling vast te stellen, omdat dat verzoek voor het eerst in hoger beroep is gedaan.

5.10.

De vader is bevoegd de verzoeken die hij bij de rechtbank heeft gedaan of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. De verzoeken en de onderwerpen waarop zij betrekking hebben mogen alleen niet zozeer van het onderwerp van het geschil bij de rechtbank verschillen dat deze wijziging in hoger beroep in strijd is met de eisen van een goede procesorde.3

5.11.

Het hof vindt dat de door de vader verzochte informatieregeling voldoende samenhang heeft met de onderwerpen die al ter beoordeling voorlagen. Daarom is de vader ontvankelijk in dit verzoek.

Informatieregeling- en consultatieregeling

Wat staat in de wet?

5.12.

De ouder die met het gezag is belast is gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze, zo nodig te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter, indien het belang van het kind dit vereist bepalen dat de hiervoor genoemde verplichtingen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven of daarvoor een regeling vaststellen.4

Met ‘ouder’ is bedoeld diegene die de juridische vader of moeder van het kind is. Biologisch ouderschap alleen is onvoldoende.

Hoe oordeelt het hof?

5.13.

Het hof vindt dat een informatieregeling de vader kan helpen om in de toekomst aansluiting te vinden bij [minderjarige] . Tot nu toe heeft de vader niet veel meegekregen van het leven van [minderjarige] en hoe hij zich ontwikkelt. Door het vastleggen van een informatieregeling kan [minderjarige] op zijn beurt wennen aan de aanwezigheid van de vader in zijn leven, zij het voorlopig op afstand.

5.14

Het hof volgt het advies van de raad en beslist dat de moeder een keer per vier maanden een bericht aan de vader moet sturen met informatie over [minderjarige] .

5.15

Het hof vindt het niet in het belang van [minderjarige] dat de moeder verplicht is de vader te consulteren voordat zij een ingrijpende beslissing neemt over [minderjarige] of zijn vermogen. De vader is tot heden niet of nauwelijks aanwezig geweest in het leven van [minderjarige] . De ouders hebben geen contact met elkaar en mede gezien de weerstand die bij moeder bestaat valt niet uit te sluiten dat voorafgaand overleg bij het nemen van beslissingen tot onrust zal leiden, wat niet in het belang is voor de rust en stabiliteit van [minderjarige] .

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

In het principaal hoger beroep

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 30 januari 2026 ten aanzien van de beslissing over de erkenning en de omgang;

in aanvulling op de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 30 januari 2026 bepaalt het hof dat de moeder eenmaal per vier maanden de vader moet informeren over [minderjarige] ;

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, H. Phaff en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. A. Turan als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »