GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.368.067/01 |
|
CJIB-nummer |
: 261020095 |
|
Uitspraak d.d. |
: 2 september 2026 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 september 2023 om 21.43 uur op de Rijksweg (A16) in Zwijndrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter heeft miskend dat geen sprake is van een aan (de gemachtigde van) de betrokkene toe te rekenen termijn in administratief beroep die de redelijke termijn van berechting verlengd. De gemachtigde verzoekt het hof om het bedrag van de sanctie alsnog te matigen met 25 procent.
3. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de redelijke termijn van berechting niet is overschreden, omdat de termijn van berechting in administratief beroep is verlengd doordat aan de gemachtigde een termijn is verleend tot het aanvullen van de beroepsgronden.
4. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is aangevangen toen de betrokkene op 15 september 2023 werd staande gehouden. De termijn van berechting is geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 15 oktober 2025.
5. Het hof stelt verder vast dat de gemachtigde in de procedure bij de officier van justitie via het Digitaal Loket Verkeer een beroepschrift d.d. 17 oktober 2023 heeft ingediend waarin wordt aangevoerd dat de betrokkene in algemene zin de gedraging betwist en wordt verzocht om een nadere termijn voor het indienen van de beroepsgronden. Het dossier bevat een aan de gemachtigde geadresseerde brief d.d. 2 februari 2024 waarin de officier van justitie mededeelt dat de gemachtigde de gelegenheid krijgt om tijdens het hoorgesprek op 14 maart 2024 de beroepsgronden aan te vullen. Als de gemachtigde de gronden schriftelijk wilt aanvullen, moeten de gronden binnen vier weken na dagtekening van de brief zijn ontvangen. De officier van justitie heeft vervolgens in een aan de gemachtigde geadresseerde brief d.d. 19 februari 2024 laten weten dat de beslistermijn met tien weken wordt verlengd. In het dossier bevindt zich een aan de gemachtigde geadresseerde brief d.d. 30 april 2024 waarin de officier van justitie mededeelt dat de gemachtigde de gelegenheid krijgt om tijdens het hoorgesprek op 4 juni 2024 de beroepsgronden aan te vullen. Als de gemachtigde de gronden schriftelijk wilt aanvullen, moeten de gronden binnen vier weken na dagtekening van de brief zijn ontvangen. Tijdens de hoorzitting heeft de gemachtigde de gronden aangevuld.
6. Het hof stelt voorts vast dat de gemachtigde in de procedure bij de kantonrechter via het Digitaal Loket Verkeer een beroepschrift d.d. 19 juli 2024 heeft ingediend waarin wordt aangevoerd dat de betrokkene in algemene zin de gedraging betwist en wordt aangegeven dat de (nadere) gronden op een nader door de kantonrechter te bepalen datum worden ingediend. Het dossier bevat een aan de gemachtigde geadresseerde brief d.d. 2 september 2025 waarin de griffier van de rechtbank mededeelt dat de gemachtigde de gelegenheid krijgt om uiterlijk de dag voor dan wel tijdens de mondelinge behandeling op 10 oktober 2025 (nadere) beroepsgronden in te dienen. De gemachtigde heeft bij brief, volgens een stempel ingekomen ter griffie van de rechtbank op 24 september 2025, aanvullende gronden in de procedure bij de kantonrechter ingediend.
7. De redelijke termijn van berechting kan langer zijn indien de duur van de procedure in overwegende mate aan de betrokkene of diens gemachtigde is toe te rekenen (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). De officier van justitie en de kantonrechter moeten evenwel de voortgang van de procedure bewaken en toezien op afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn (vgl. het arrest van het hof van 20 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7288). Eerst ruim acht maanden nadat beroep bij de officier van justitie en ruim een jaar nadat beroep bij de kantonrechter was ingesteld, is de gemachtigde in deze zaak in de gelegenheid gesteld om de gronden van het beroep aan te vullen. In dit geval valt niet in te zien waarom de beroepen niet eerder dan tijdens de hoorzitting van 4 juni 2024 en ter zitting van 10 oktober 2025 konden worden behandeld zodat de officier van justitie en de kantonrechter binnen de in het algemeen als redelijk te beschouwen termijn van berechting van twee jaren op de beroepen hadden kunnen beslissen. Het hof is aldus, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat de langere duur van de onderhavige procedure niet in overwegende mate aan de gemachtigde is toe te rekenen. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is overschreden. De aangevoerde grond slaagt. Het hof zal het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie en de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 350,25 (= 3 x € 934,- x 0,5 x 0,25).
9. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 285,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 350,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.