GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.357.764/01 |
|
CJIB-nummer |
: 246116792 |
|
Uitspraak d.d. |
: 2 februari 2026 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 16 juni 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “Als bestuurder rijden, terwijl aanhangwagen t/m 750 kg niet is voorzien van het kenteken van trekkend motorvoertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 december 2021 om 09.29 uur op de Rijksweg A1 in Muiderberg met het voertuig met het kenteken [kenteken]
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 112,50, omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Daartoe merkt hij op dat uit de verklaring van de ambtenaar niet blijkt dat hij de betrokkene rijdend met het voertuig heeft waargenomen. Daar komt bij dat de kentekenplaat kort voor de vermeende gedraging is gestolen. De betrokkene kwam daar bij staandehouding achter. Twee dagen daarvoor zat de kentekenplaat nog op de aanhangwagen en de betrokkene heeft deze niet zelf verwijderd. De betrokkene heeft daarom aangifte van diefstal gedaan.
4. Het hof stelt vast dat wat de gemachtigde in hoger beroep met betrekking tot de vaststelling van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht aanvoert in feite een herhaling is van de bij de kantonrechter aangevoerde gronden. In de herhaling van deze gronden ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de kantonrechter. Daarbij overweegt het hof nog dat uit het administratief beroepschrift volgt dat de betrokkene wel degelijk met het voertuig onderweg was op het moment dat hij door de ambtenaren werd staandegehouden.
5. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter aan de schending van de hoorplicht door de officier van justitie ten onrechte geen consequenties heeft verbonden voor de inleidende beschikking. De gemachtigde merkt op dat hij op 21 januari 2022 namens de betrokkene administratief beroep heeft ingesteld, maar dat uit een brief van de officier van justitie van 18 augustus 2022 blijkt dat hij per abuis niet als gemachtigde van de betrokkene is geregistreerd. De gemachtigde stelt dat de betrokkene de fase van administratief beroep dan ook zonder gemachtigde heeft doorlopen. Om die reden verzoekt de gemachtigde, in overeenstemming met het arrest van het hof van 22 november 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:9934), de sanctie vanwege schending van de hoorplicht alsnog met 25 procent te matigen.
6. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd wegens schending van de hoorplicht door de officier van justitie. Met betrekking tot het betoog van de gemachtigde dat de schending van de hoorplicht door de officier van justitie consequenties moet hebben voor de inleidende beschikking wordt als volgt overwogen. Uit het dossier volgt dat de betrokkene bij schrijven van 6 december 2021 beroep heeft ingesteld tegen de opgelegde sanctie. Na ontvangst van de inleidende beschikking heeft de betrokkene bij brief van 11 december 2021 nogmaals beroep ingesteld. Vervolgens is op 21 januari 2022 door Fixiq Legal administratief beroep ingesteld via het Digitaal Loket Verkeer. De officier van justitie heeft op 23 maart 2022 op het beroep van de betrokkene beslist, zonder de (gemachtigde van de) betrokkene eerst te horen. Bij schrijven van 16 augustus 2022 heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld, omdat de beslistermijn inmiddels was verstreken en dat gemachtigde nog geen beslissing op het administratief beroep had ontvangen. Bij brief van 18 augustus 2022 heeft de officier van justitie medegedeeld dat de gemachtigde, naar aanleiding van de aanvulling van het beroep op 21 januari 2022, per abuis niet als gemachtigde is ingevoerd. Daarbij is aangegeven dat het beroep bij de kantonrechter (op 25 april 2022) ook door de betrokkene zelf is ingediend, zodat de gemachtigde ook voor die fase (nog) niet als gemachtigde is geregistreerd.
7. Gelet op het bovenstaande stelt het hof vast dat de betrokkene, door de fout van de officier van justitie, in administratief beroep in feite zelf - dus zonder gemachtigde - heeft geprocedeerd. Daarbij is de betrokkene ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, terwijl uitzonderingen op de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht zich hier niet voordoen. Daarmee is de feitelijke situatie gelijk aan die welke heeft geleid tot genoemd arrest van dit hof van 22 november 2022. Dit brengt mee dat de kantonrechter, alvorens het sanctiebedrag te matigen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg, het sanctiebedrag had moeten matigen met 25 procent. Het hof zal dit alsnog doen en het bedrag van de sanctie vaststellen op € 84,37.
8. Tot slot voert de gemachtigde aan dat fase van administratief beroep en het beroep bij de kantonrechter 4,5 jaar heeft geduurd. Volgens rechtspraak van het hof leidt een schending van de redelijke termijn van twee jaar tot een matiging van de sanctie met 25 procent. Nu sprake is van een schending van ruim vier jaar, is de gemachtigde van mening dat aanleiding bestaat het bedrag van de sanctie met nogmaals 25 procent te matigen.
9. Het is vaste rechtspraak dat de redelijke termijn van berechting aanvangt op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. De procedure in eerste aanleg eindigt met de uitspraak van de kantonrechter. De betrokkene is op 3 december 2021 door de ambtenaren staandegehouden en de kantonrechter heeft op 16 juni 2025 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist. Daarmee heeft de procedure in eerste aanleg - anders dan de gemachtigde kennelijk meent - ongeveer 3,5 jaar geduurd.
10. De kantonrechter heeft wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg het sanctiebedrag gematigd met 25 procent. Het hof ziet geen aanleiding voor een verdergaande matiging van het sanctiebedrag om deze reden.
11. Nu het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd, komen de proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het hof stelt vast dat voor de procedure bij de kantonrechter reeds een proceskostenvergoeding is toegekend. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 116,75 (= 1 x € 934,- x 0,5 x 0,25).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het bedrag van de sanctie is vastgesteld op € 112,50;
wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op € 84,37;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 116,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.