ECLI:NL:GHARL:2026:2105

Datum uitspraak
09-04-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.358.191
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eenhoofdig gezag.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.358.191

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 548236)

beschikking van 9 april 2026

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont op een bij het hof bekend adres,verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. G.A.P. Avontuur,

en

[verweerder] (de vader),

die woont in [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

advocaat: mr. A.G. Ouwejan.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (verder: de rechtbank), van 9 februari 2023, 4 mei 2023, 22 februari 2024 en 15 mei 2025, uitgesproken onder zaaknummer 548236. De beschikking van 15 mei 2025 wordt ‘de bestreden beschikking’ genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het beroepschrift, ontvangen op 14 augustus 2025, met producties;

  • het verweerschrift;

  • twee journaalberichten namens de moeder, van 12 januari 2026 en 9 maart 2026, beide met een productie.

2.2

Op 9 maart 2026 hebben de hierna nader te noemen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ieder afzonderlijk met een rechter van het hof gesproken, in het bijzijn van de griffier. Zij hebben verteld hoe het met ze gaat en zij hebben hun mening gegeven over het verzoek van de moeder.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 12 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

  • namens de moeder haar advocaat;

  • de vader met zijn advocaat;

  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad. Zij hebben samen drie kinderen:

  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2008;

  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2010, en

  • [de minderjarige3] , geboren [in] 2011.

3.2

Tot de bestreden beschikking had alleen de moeder het gezag over de kinderen.

3.3

De rechtbank heeft in de beschikking van 14 juli 2016 beslist dat de kinderen hun

hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en dat zij de vader eens per twee weken zien op

zondag van 10.00 tot 17.00 uur.

3.4

De rechtbank heeft in de beschikking van 13 oktober 2017 het verzoek van de vader

om hem samen met de moeder te belasten met het gezag, afgewezen. Die beschikking is

door dit hof bekrachtigd op 15 mei 2018.

3.5

De kinderen hebben vanaf 6 april 2023 tot 6 januari 2026 onder toezicht gestaan van de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (verder: de GI). [de minderjarige2] en [de minderjarige1] stonden daarvóór voorlopig onder toezicht van de GI.

3.6

[de minderjarige2] en [de minderjarige1] zijn in 2023 allebei uithuisgeplaatst geweest in een residentiële instelling voor jeugdhulp. [de minderjarige2] is vervolgens uithuisgeplaatst geweest bij de vader. [de minderjarige1] heeft vanaf juni 2024 met instemming van de moeder bij de vader gewoond. Vanaf 30 november 2024 tot 15 mei 2025 hebben alle drie de kinderen bij de moeder verbleven, vanwege verblijf van de vader in het ziekenhuis en aansluitend een revalidatiecentrum.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:

  • de vader belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen;

  • met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 14 juli 2016 als omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen vastgesteld dat de kinderen één keer per twee weken een middag bij de moeder verblijven;

  • bepaald dat de ouders hun eigen proceskosten moeten betalen.

4.2

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Het gaat hierbij om de beslissing van de rechtbank over het gezag. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover die betrekking heeft op het gezag en het verzoek van de vader om hem te belasten met het eenhoofdig gezag dan wel het gezamenlijke gezag over de kinderen, alsnog af te wijzen. Daarnaast verzoekt de moeder het hof een beslissing te nemen over de proceskosten (“kosten rechtens”).

4.3

De vader voert verweer en vraagt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel de verzoeken van de moeder af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

De beslissing

5.1

Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank over het gezag in stand moet blijven. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen voor zover die betrekking heeft op het gezag. Daarnaast zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Het hof legt hierna uit waarom.

De motivering

Standpunt van de moeder

5.2

De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om de vader met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten. Zij voert onder meer het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de moeder onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar stelling dat tijdens en na de relatie van de ouders sprake was van intieme terreur van de vader tegen de moeder (schending van de artikelen 149 en 150 Rv). In het burgerlijk procesrecht is voor bewijs niet steeds vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar kan ermee worden volstaan dat deze voldoende aannemelijk worden. De moeder heeft de intieme terreur van de vader tegen de moeder voldoende aannemelijk gemaakt. Tijdens de relatie controleerde de vader de moeder, isoleerde hij haar en was hij gewelddadig tegen haar. De moeder heeft blijvende lichamelijke schade overgehouden aan het fysieke geweld. Na de beëindiging van de relatie heeft de vader de intieme terreur tegen de moeder voortgezet, door de kinderen tegen de moeder op te zetten en ze van haar te laten vervreemden. Omdat sprake is van intieme terreur kan de vader niet het gezag over de kinderen hebben (artikel 31 Verdrag van Istanbul). Daarnaast heeft de moeder specifieke zorgen over de kinderen omdat de vader het eenhoofdig gezag heeft. De moeder is bang dat de vader te veel druk op de kinderen uitoefent en hen probeert te beïnvloeden, waardoor hun eigenheid in het gedrang komt. Daarnaast maakt ze zich zorgen over het netwerk van de vader. De vader beschikt over een crimineel netwerk en de vader wordt vanuit dit netwerk bedreigd. De moeder is bang dat de kinderen hierin worden meegezogen. Over [de minderjarige3] heeft de moeder ook nog de zorg dat de vader hem fysiek iets zal aandoen als het hem niet lukt om met succes de overstap te maken van speciaal onderwijs naar regulier onderwijs. Door de beslissing van de rechtbank om de vader te belasten met het eenhoofdig gezag is de moeder feitelijk verbannen uit het leven van de kinderen. Daarmee heeft de rechtbank het recht op family life van de moeder met de kinderen geschonden (artikel 8 EVRM). De hulpverlening, de GI en de raad zijn in deze zaak tekortgeschoten. Zij hebben ten onrechte geen interventies ingezet om de vader te begrenzen in zijn gedrag richting de moeder. Zij waren vooral bezig met hun onderlinge meningsverschillen over de in te zetten koers, terwijl de situatie bij de moeder thuis door toedoen van de vader verslechterde. Pas kort voor de zitting bij de rechtbank op 15 mei 2025 was de GI van mening dat sprake was van intieme terreur. Dat heeft ertoe geleid dat de GI op die zitting een verzoek heeft ingediend tot het verlenen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen op een neutrale plek (welk verzoek de rechtbank heeft afgewezen) en daarnaast dat de moeder plotseling is vertrokken naar de beveiligde vrouwenopvang, waar zij nu nog steeds verblijft. De moeder heeft hierin niet het initiatief genomen. Zij heeft slechts de aanwijzingen en adviezen gevolgd van de GI en de betrokken instanties.

Standpunt van de vader

5.3

De vader is van mening dat hij het eenhoofdig gezag over de kinderen moet blijven houden. Hij voert onder meer het volgende aan. De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat er geen sprake is van intieme terreur. Het is voorts volstrekt ongeloofwaardig dat de moeder gevaar loopt vanwege de vader. De vader beschikt niet over een crimineel netwerk. Hij is ernstig ziek geweest en hij heeft verscheidene zware operaties gehad, waarvan hij nog herstellende is. De kinderen hebben behoefte aan rust en stabiliteit. Ze wonen al een lange tijd bij de vader en ze hebben het daar goed. De vader oefent geen druk op hen uit. [de minderjarige3] wordt begeleid bij de overgang van speciaal onderwijs naar regulier onderwijs. Sinds de zitting van de rechtbank op 15 mei 2025 hebben de moeder en de kinderen geen fysiek contact meer met elkaar gehad. Er heeft alleen een paar keer telefonisch contact plaatsgevonden. De GI heeft voorstellen gedaan om fysiek contact tussen de moeder en de kinderen tot stand te brengen, maar de moeder heeft daar niets mee gedaan. De vader en de kinderen kunnen de moeder zelf niet bellen, omdat zij haar telefoonnummer niet hebben. Het is voor de kinderen moeilijk te verkroppen dat de moeder plotseling is vertrokken en dat de moeder geen antwoord geeft op de vragen die de kinderen daarover hebben. Zij zijn daar boos en teleurgesteld over.

Advies van de raad

5.4

De raad heeft het hof geadviseerd de beslissing van de rechtbank over het gezag in stand te laten. Volgens de raad is er onvoldoende basis voor gezamenlijk gezag en is het niet in het belang van de kinderen dat de moeder weer het eenhoofdig gezag krijgt over de kinderen, aangezien de kinderen bij de vader wonen en zij geen, althans beperkt, contact hebben met de moeder.

Oordeel van het hof

5.5

Naar het oordeel van het hof valt op grond van de stukken en wat is besproken op de zitting niet uit te sluiten dat mogelijk sprake is geweest van enige vorm(en) van intieme terreur van de vader richting de moeder. Op basis van de stukken en hetgeen is aangevoerd is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat daar op dit moment, al dan niet via de kinderen, sprake van is. Dit alleen al vanwege de omstandigheid dat moeder al geruime tijd nauwelijks contact heeft met de kinderen. Voor de vraag die aan het hof voorligt, namelijk wie van de ouders moet worden belast met het eenhoofdig gezag, acht het hof dat bovendien ook niet (meer) van doorslaggevend belang, gelet op de volgende omstandigheden. Niet is gebleken dat de kinderen op dit moment (fysiek of psychisch) onveilig zijn bij de vader of dat de opvoedsituatie bij de vader om een andere reden niet goed genoeg is. Het lijkt op zichzelf goed te gaan met de kinderen. Net als de rechtbank acht het hof het in het belang van de kinderen wenselijk1 en ook nodig dat de vader het gezag heeft over hen, omdat de kinderen al een lange tijd bij hem wonen ( [de minderjarige2] sinds mei 2023, [de minderjarige1] vanaf juni 2024 en [de minderjarige3] sinds mei 2025) en hij de kinderen verzorgt en opvoedt. Het is duidelijk dat de ouders niet samen het gezag over de kinderen kunnen uitoefenen. De ouders zijn niet in staat om in gezamenlijk overleg beslissingen van enig belang te nemen over de kinderen en ook niet om samen afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Gezamenlijk gezag zal ertoe leiden dat de kinderen klem en verloren raken tussen de ouders.2 Daarnaast wil de moeder ook niet samen met de vader het gezag hebben over de kinderen. Het hof acht het op dit moment niet in het belang van de kinderen dat de moeder weer het eenhoofdig gezag over hen heeft. In tegenstelling tot de vader is de moeder op dit moment niet in staat om uitvoering te geven aan het gezag. De kinderen kunnen niet bij haar wonen, omdat zij in de beveiligde vrouwenopvang verblijft. Daarnaast is er sinds 15 mei 2025 geen fysiek contact meer geweest tussen de moeder en de kinderen, alleen een aantal keren telefonisch contact. Op dit moment is draagt de vader de volledige dagelijkse zorg voor de kinderen en daarover zijn geen zorgen gebleken.

5.6

Kortom, net als de rechtbank acht het hof het in het belang van de kinderen wenselijk en noodzakelijk dat de vader het eenhoofdig gezag over hen heeft.

5.7

Het hof zal in een brief aan de kinderen uitleggen welke beslissing het hof heeft genomen over het gezag.

5.8

Omdat deze rechtszaak gaat over de kinderen van de ouders zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Dit betekent dat de ouders allebei hun eigen proceskosten moeten betalen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 15 mei 2025 voor zover die betrekking heeft op het gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, P.B. Kamminga en D.J.M. van de Voort, bijgestaan door de griffier, en is op 9 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »