ECLI:NL:GHAMS:2026:2818

Datum uitspraak
01-10-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
23-003131-2
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Mensenhandel (medeplegen seksuele uitbuiting minderjarige). Overwegingen non-punishmentbeginsel. OM ontvankelijk in de vervolging; niet gehandeld in strijd met de Aanwijzing mensenhandel. Bewijsoverwegingen t.a.v. medeplegen. Verwerping beroep op psychische overmacht. Strafoplegging.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003131-2

datum uitspraak: 1 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-046088-22 tegen

Sara [naam 1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2000,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het hof leest de tenlastelegging met betrekking tot artikel 273f, eerste lid sub 2, 5 en 8 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zo dat de daar omschreven delicten dienen te worden begrepen als cumulatief ten laste gelegd.

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan haar met betrekking tot sub 2 en 8 cumulatief is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van wat aan haar met betrekking tot sub 2 en 8 is ten laste gelegd.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing tot vrijspraak.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat ten tijde van de vervolgingsbeslissing is gehandeld in strijd met het non-punishmentbeginsel en daarmee met de Aanwijzing mensenhandel. Ook overigens heeft het openbaar ministerie bij de vervolgingsbeslissing gehandeld in strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Het openbaar ministerie heeft onvoldoende oog gehad voor het gegeven dat het handelen van de verdachte louter voortkwam uit haar eigen slachtofferschap, nu zij zelf werd uitgebuit door de medeverdachte, aldus de verdediging.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Er is niet gehandeld in strijd met de Aanwijzing mensenhandel en de officier van justitie heeft bij het nemen van de vervolgingsbeslissing ook overigens een redelijke en billijke belangenafweging gemaakt. Met verwijzing naar het vonnis van de rechtbank stelt de advocaat-generaal in dit verband dat het niet evident is dat de verdachte gedwongen was om zichzelf schuldig te maken aan mensenhandel.

Het hof oordeelt als volgt.

Op basis van het in het artikel 167, eerste lid, Sv neergelegde opportuniteitsbeginsel beslist het openbaar ministerie of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging dient plaats te vinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan, leent zich in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijk toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Een uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het bijzonder kan daarvan sprake zijn wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet in strijd met eigen beleidsuitgangspunten, zoals opgenomen in een gepubliceerde aanwijzing.

De ten tijde van de vervolgingsbeslissing geldende Aanwijzing mensenhandel (2022A002) luidde – voor zover relevant - als volgt:

“3.2. Niet-vervolging en niet-bestraffing van slachtoffers

“Het is niet wenselijk dat een slachtoffer van mensenhandel wordt aangemerkt als verdachte indien de strafbare gedraging waarvan het slachtoffer wordt verdacht gedurende een uitbuitingssituatie is gepleegd. De bescherming die voortvloeit uit het non-prosecution- en het non-punishment-beginsel hoeft niet in de weg te staan aan een vervolging of bestraffing voor misdrijven die zij vrijwillig hebben begaan of waaraan zij vrijwillig hebben deelgenomen. In de gevallen waarin het evident is dat slachtoffers gedwongen zijn tot het plegen van misdrijven kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een sepot, het vorderen van schuldigverklaring zonder oplegging van straf (art. 9a Sr), of het toepassen van strafuitsluitingsgronden en/of strafvermindering.”.

Het hof is – gelet op de inhoud en opbouw van het dossier - van oordeel dat het openbaar ministerie ten tijde van de vervolgingsbeslissing in redelijkheid kon oordelen dat het niet evident was dat de verdachte door [medeverdachte 1] was gedwongen tot het plegen van de aan haar ten laste gelegde mensenhandel. Het openbaar ministerie heeft met het instellen van vervolging tegen de verdachte dan ook niet gehandeld in strijd met deze Aanwijzing. Ook overigens is het hof niet gebleken dat het openbaar ministerie bij de vervolgingsbeslissing heeft gehandeld in strijd met beginselen van behoorlijke procesorde, in het bijzonder het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

Het verweer wordt dan ook verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2025, 3 september 2026 en 1 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2018 tot en met 15 januari 2022 te Amsterdam en/of Middelie en/of Zandvoort en/of Middenbeemster en/of Hoorn en/of Breukelen en/of Purmerend, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2004),

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die die [slachtoffer] en/of één of meerdere (andere) minderjarige meisje(s) (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (artikel 273f lid 1 sub 5°)

immers heeft zij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of een (of meer) ander(en), althans alleen,

- die [slachtoffer] gemanipuleerd en/of- gezegd dat die [slachtoffer] van hem is en/of- die [slachtoffer] opgezet tegen haar ouders en/of- die [slachtoffer] verdovende middelen (onder meer XTC, speed en/of cocaïne en/of een ander verdovend middel) gegeven en/of- (meermalen) seksueel contact gehad met die [slachtoffer] en een seksuele relatie aangegaan met die [slachtoffer] en/of- die [slachtoffer] onderdak geboden als zij was weggelopen (uit de instelling(en) waar zij verbleef) en/of- aangegeven werk voor die [slachtoffer] te hebben en/of voorgesteld om (onder meer met [naam 1] betaalde seks met andere mannen te hebben en/of- één of meerdere advertenties op één of meer website(s) - onder meer 'sexjobs - waarin die [slachtoffer] (onder de account van [naam 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden aangemaakt en/of onderhouden (waaronder begrepen het 'omhoog plaatsen') en/of- foto's van die [slachtoffer] geplaatst op bovengenoemde website(s) onder het profiel van verdachte [naam 1] en/of- seksdates voor die [slachtoffer] geregeld en/of- die [slachtoffer] (zijnde schaars gekleed) begeleid en/of (per auto) vervoerd bij/naar escortwerkzaamheden en/of- met die [slachtoffer] trio afspraken uitgevoerd en/of die [slachtoffer] hierbij begeleid en/of- één of meerdere prostitutieafspra(a)k(en) in (een) hotel(s) geregeld, waaronder een prostitutieafspraak in een hotel in Breukelen in de periode van 19 tot en met 20 juni 2021 (met één of meerdere andere(n) (minderjarige) meisje(s)) en/of- (meer dan) de helft van het geld dat die [slachtoffer] verdiende ontvangen en/of- aan die [slachtoffer] een bericht gestuurd met de tekst 'nog 1 jaar en 12 dagen en dan ben je van mij' en/of 'nog 1 jaar en 5 maanden vrouw' en/of verteld dat die [slachtoffer] wanneer ze achttien jaren is van hem is, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of- gevraagd of die [slachtoffer] meisjes kon regelen om voor hem te werken en/of deze in te werken en/of- gezegd dat hij een vuurwapen (een mooie zilveren ladykiller) heeft en/of- na confrontatie door de politie met de 'vermissing' van die [slachtoffer] aangegeven dat die [slachtoffer] niet in zijn woning was en zij toen in zijn slaapkamer in bed onder de dekens is aangetroffen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft overeenkomstig zijn pleitnota ten aanzien van het ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit en daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1]. De handelingen van de verdachte waren incidenteel, waarbij ze geen eigen initiatief nam maar zelf onder invloed stond van [medeverdachte 1]. Als het medeplegen niet kan worden bewezen blijft er onvoldoende over om tot een bewezenverklaring van mensenhandel te komen en moet een vrijspraak volgen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht bewezen dat de verdachte als medepleger handelingen heeft verricht waarvan zij wist dat [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksuele handelingen

met of voor een derde tegen betaling.

Oordeel van het hof

Voor zover in hoger beroep nog aan de orde wordt aan de verdachte verweten dat zij zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel als bedoeld in artikel 273f eerste lid, sub 5 Sr.

Juridisch kader

Artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr ziet op het strafbaar stellen van een minderjarige in de prostitutie brengen. Het gebruik van dwangmiddelen is niet vereist. Ook is niet van belang of een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, aangezien de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is. Door het tewerkstellen van minderjarigen in de prostitutie is er in het algemeen sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de minderjarige.

Uit de wetsgeschiedenis vloeit voort dat de wetgever ten aanzien van de strafbaarstelling van op de van minderjarigen gericht handelen, van een eis van verdergaande specifieke, een uitbuitingsituatie kenmerkende, omstandigheden niet heeft willen weten. Het brengen van een minderjarige in de prostitutie is door de wetgever aangemerkt als een aan mensenhandel gerelateerde vorm van uitbuiting. Het voorgaande brengt mee dat het begrip ‘uitbuiting’ niet als bestanddeel in voormelde strafbepaling moet worden ingelezen en afzonderlijk worden bewezen, maar dat handelen als in deze strafbepaling neergelegd uitbuiting oplevert en wordt gekwalificeerd als mensenhandel.

Feiten en omstandigheden

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] op enig moment in 2020 de minderjarige [slachtoffer] aan de verdachte heeft voorgesteld. De verdachte was op dat moment al werkzaam in de prostitutie.

In een chatgesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 1] op 15 juni 2021 wordt gesproken over het inwerken van [slachtoffer] voor het verrichten van seksuele diensten. [slachtoffer] is op dat moment 16 jaar. [medeverdachte 1] zegt dat hij haar net als de verdachte wil maken. Vervolgens wordt er een aantal seksuele diensten besproken die [slachtoffer] kan gaan doen.

Op 18 juni 2021 vindt er een chatgesprek plaats tussen de verdachte en [medeverdachte 2], die een week eerder een seksafspraak met elkaar hadden gehad. [medeverdachte 2] geeft aan dat het hem leuk lijkt om een trio te doen. De verdachte spreekt met [medeverdachte 2] over een meisje en zegt dat zij 200 euro per uur rekent, dat het haar eerste dag is en dat de verdachte haar aan het inwerken is omdat zij geen ervaring heeft. Het hof gaat er van uit dat hier wordt gesproken over [slachtoffer], ook gelet op wat hierna is opgenomen omtrent de seksafspraak op 19 juni 2021.

Op 19 juni 2021 heeft [medeverdachte 1], nadat hij hen eerst naar de stad had gebracht om lingerie te kopen, [slachtoffer] en de verdachte naar een hotel in Breukelen gebracht, zo verklaren de verdachte en [slachtoffer]. Op foto’s die in de lobby van het hotel zijn gemaakt is te zien dat [slachtoffer] en de verdachte gekleed waren in jurkjes en hoge hakken. Er heeft een seksafspraak met [medeverdachte 2] plaatsgevonden en de verdachte en [slachtoffer] zijn die avond samen bij [medeverdachte 2] op de hotelkamer geweest. [slachtoffer] heeft ook seksuele handelingen verricht bij de klant, [medeverdachte 2]. De verdachte heeft gezien dat [slachtoffer] zenuwachtig en angstig was en dat ze het vies vond wat ze moest doen. [slachtoffer] wilde eigenlijk niet en daarom hadden ze samen veel drugs gebruikt, aldus de verdachte. [medeverdachte 1] heeft voor het hotel staan wachten en heeft [slachtoffer] vervolgens na enige tijd weer teruggebracht naar de instelling waar zij verbleef.

Op 22 juni 2021 praten [medeverdachte 1] en de verdachte in een chatgesprek over een date, een trio, in een hotel in Hoorn met een [afkomst] klant, waarbij de naam van [slachtoffer] wordt genoemd. [medeverdachte 1] zegt dat de verdachte haar werk goed doet en dat het beter is als het via haar gaat, want dan kan ze ‘een oogje in het zeil houden’.

Op 7 juli 2021 zijn er berichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] waarin de verdachte aangeeft dat dat “kut wijf’ een SOA had en nu haar klanten ziek heeft gemaakt en dat zij daardoor die klanten ook even niet kan zien. De verdachte begrijpt niet waarom ‘ze’ ging werken als ze mogelijk wist dat ze een SOA kon hebben, maar dat ze nu klaar met haar is en ver weg uit haar leven moet blijven. [medeverdachte 1] zegt dat het wel goed is dat “we dat nu weten” en dat ze “kk vies is merk ik meer en meer”. De verdachte zegt vervolgens tegen [medeverdachte 1] dat het niet zijn schuld is, maar die van ‘haar’ zelf. [medeverdachte 1] zegt dan dat het toch wel een beetje zijn schuld is, omdat hij dacht dat ‘ze’ goed was voor het werk en hij ‘haar’ met de verdachte in contact heeft gebracht.

Het hof concludeert dat hier over [slachtoffer] wordt gesproken door de verdachte en [medeverdachte 1].

Uit berichten van [slachtoffer] en [medeverdachte 1] van 29 augustus 2021 komt naar voren dat ze ruzie hebben. [slachtoffer] zegt dat ‘kleine Alaina’ (het hof begrijpt dat dat [slachtoffer] zelf is) weg is en dat zij eerst niet tegen hem in kon gaan, maar nu wel een stem heeft, en dat hij meisjes manipuleert. [slachtoffer] zegt vervolgens dat zij niet van hem is.

Ook uit de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [slachtoffer] en de verdachte en de chatberichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] blijkt dat [slachtoffer] meerdere prostitutieafspraken heeft gehad, dat deze afspraken voor [slachtoffer] door de verdachte of [medeverdachte 1] werden gemaakt, dat er gebruik werd gemaakt van de advertentie van de verdachte op [website] en dat [slachtoffer] in het bijzijn van de verdachte door [medeverdachte 1] of door [medeverdachte 3] naar die afspraken werd vervoerd. Ze gebruikten veel drugs en [medeverdachte 1] en de verdachte hebben ook drugs aan [slachtoffer] gegeven.

Medeplegen mensenhandel

Het staat vast dat de verdachte en [slachtoffer] op 19 juni 2021 samen een prostitutieafspraak hebben gehad in een hotel in Breukelen. Deze afspraak in Breukelen volgt op de chatgesprekken die de verdachte en [medeverdachte 1] enkele dagen daarvoor hebben en waarin [medeverdachte 1] de verdachte vraagt om [slachtoffer] in te werken.

Het hof concludeert hieruit dat de verdachte [slachtoffer] daadwerkelijk is gaan ‘inwerken’, zoals ze zelf ook aangeeft in haar chatbericht van 18 juni 2021 aan [medeverdachte 2].

Dat er sprake was van meerdere prostitutieafspraken van [slachtoffer] en dat de verdachte ook daar bemoeienis mee had, leidt het hof verder af uit de verklaringen van [slachtoffer] en de verdachte zelf. Beiden hebben verklaard dat [slachtoffer] meerdere afspraken heeft gehad en dat die afspraken werden gemaakt door [medeverdachte 1] of de verdachte, waarbij gebruik werd gemaakt van de advertentie van de verdachte op [website]. De verdachte onderhield die advertentie. [slachtoffer] werd, meestal in gezelschap van de verdachte, door [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3] naar de prostitutieafspraken vervoerd. Dat de verdachte meestal meereed naar de afspraken van [slachtoffer] volgt uit zowel de verklaringen van [slachtoffer] als die van de verdachte zelf. Dit sluit aan bij het chatgesprek van 22 juni 2021 tussen de verdachte en [medeverdachte 1] over een trio in Hoorn, waarbij [medeverdachte 1] aangeeft dat het fijn is als de verdachte een oogje in het zeil kan houden.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] is komen vast te staan. Er was sprake van een duidelijke taakverdeling. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. De verdachte wist dat [slachtoffer] zich (mede) door haar handelingen beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van uitbuiting van een minderjarige, zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr, bewezen.

Periode

Het hof komt op basis van het voorgaande ten aanzien van de bijdrage van de verdachte tot een bewezenverklaring voor de periode van 1 juni 2021 tot 1 september 2021, waarbij de door [medeverdachte 1] en/of de verdachte gearrangeerde prostitutieafspraken voor [slachtoffer] na 15 juni 2021 hebben plaatsgevonden. Het hof maakt uit de berichten van [slachtoffer] van 29 augustus 2021 op dat zij klaar is met [medeverdachte 1] en concludeert dat zij nadien in ieder geval niet meer voor [medeverdachte 1] heeft gewerkt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 juni 2021 tot 1 september 2021 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2004) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte en/of haar mededader wist(en) dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

immers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], althans alleen,

- die [slachtoffer] gemanipuleerd en

- die [slachtoffer] verdovende middelen (onder meer cocaïne) gegeven en- voorgesteld om (onder meer met [naam 1] betaalde seks met andere mannen te hebben en- één advertentie op website sexjobs - waarin die [slachtoffer] (onder de account van [naam 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden onderhouden (waaronder begrepen het 'omhoog plaatsen') en- seksdates voor die [slachtoffer] geregeld en- die [slachtoffer] (zijnde schaars gekleed) begeleid en per auto vervoerd bij/naar escortwerkzaamheden en- met die [slachtoffer] trio afspraken uitgevoerd en/of die [slachtoffer] hierbij begeleid en- een prostitutieafspraak in een hotel in Breukelen geregeld in de periode van 19 tot en met 20 juni 2021.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 5° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Beroep op psychische overmacht

De verdediging heeft namens de verdachte een beroep gedaan op psychische overmacht. Er was sprake van een opeenstapeling van omstandigheden die zo alomvattend en langdurig is geweest dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en niet behoefde te bieden. Het sekswerk voor de medeverdachte ging gepaard met verkrachting, opsluiting, mishandeling en gedwongen seksuele contacten. De verdachte was al jaren zijn ‘project’ waarbij hij haar ook aan hem bond door haar drugs te geven. Toen de verdachte het minderjarige slachtoffer [slachtoffer] vervolgens heeft geprobeerd te waarschuwen dat haar eenzelfde lot wachtte, werd zij in opdracht van de verdachte gestraft met een groepsverkrachting. Al met al had zij dus geen andere uitweg dan mee te werken aan de uitbuiting van [slachtoffer], aldus de verdediging.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het beroep op psychische overmacht niet kan slagen, nu uit het dossier niet volgt dat de verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de uitbuiting van [slachtoffer]. Daarbij is – aldus de advocaat-generaal - ook van belang dat haar afhankelijkheidsrelatie ten aanzien van de medeverdachte (veel) minder knellend was dan die van [slachtoffer] ten opzichte van de medeverdachte.

Het hof oordeelt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat uit het op dezelfde datum uitgesproken arrest met betrekking tot de medeverdachte volgt dat de medeverdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs wordt vrijgesproken van de uitbuiting van de verdachte. Dit betekent dat een belangrijke pijler onder het beroep op psychische overmacht van de verdachte in feite wegvalt, nu alle dwang en afhankelijkheid die de verdachte aan haar beroep op psychische overmacht ten grondslag heeft gelegd en die ook onderdeel was van de tenlastelegging in de zaak van de medeverdachte niet in rechte is komen vast te staan. Het hof wil desondanks aannemen dat de verdachte lange tijd in een moeilijke situatie heeft verkeerd in relatie tot de medeverdachte en dat zij hierdoor in grote persoonlijke problemen is gekomen. Echter, voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is meer nodig, namelijk dat zij door haar moeilijke situatie niet anders kon handelen dan zij heeft gedaan.

Uit het dossier is niet af te leiden dat de verdachte onder een zodanige druk stond dat zij niet anders kon dan meewerken aan de uitbuiting van [slachtoffer]. De verdachte heeft toegegeven dat zij wist dat [slachtoffer] een groot risico liep om seksueel uitgebuit te worden door de medeverdachte. Zij heeft haar daarvoor zelfs proberen te waarschuwen. Het bewustzijn van het risico op uitbuiting van [slachtoffer] bestond dus bij de verdachte. Om vervolgens in zo’n situatie te kunnen zeggen dat er geen andere mogelijkheid bestond dan mee te werken met hetgeen de medeverdachte van haar wilde om [slachtoffer] uit te buiten, dient de gestelde onontkoombare dwangsituatie op enigerlei wijze uit het dossier helder naar voren te komen.

Hetgeen in dit verband naar voren is gebracht over (de gevolgen van) een groepsverkrachting is voor het hof onvoldoende aannemelijk geworden. De gestelde dwang zou ook kunnen blijken uit het berichtenverkeer. Dit blijkt daar echter niet uit. De teksten die daarin in de tenlastegelegde periode worden gewisseld duiden naar het oordeel van het hof eerder op een bepaalde mate van vrijheid van handelen bij de verdachte. Bij de duiding van die berichten neemt het hof ook mee dat de verdachte zich in die periode al mondiger ging uiten tegen de verdachte en zich steeds meer van hem begon los te maken. Ook dit past niet bij de geschetste dwangsituatie.

Bij het voorgaande heeft het hof ook acht geslagen op de door [naam 2], GZ-psycholoog, opgemaakte Pro Justitia rapportage van 30 oktober 2025, maar de daarin verwoorde conclusie dat haar oordeels- en handelingsvaardigheden ten tijde van het tenlastegelegde door psychische aandoeningen waren ingeperkt geven onvoldoende grond om over het beroep op psychische overmacht anders te oordelen.

Het beroep op psychische overmacht kan niet slagen. Het verweer wordt verworpen.

De verdachte is strafbaar, omdat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot voor het een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 110 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 1 jaar.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat – indien het hof toekomt aan strafoplegging - het non-punishmentbeginsel met inachtneming van alle feiten en omstandigheden moet leiden tot toepassing van het bepaalde in artikel 9a Sr. Ook heeft de raadsman verzocht om het adolescentenstrafrecht toe te passen en rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid, zoals geadviseerd door de psycholoog. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om een straf gelijk aan het voorarrest en meer subsidiair heeft de verdediging bepleit dat er geen noodzaak is tot oplegging van bijzondere voorwaarden en dat een eventuele proeftijd moet worden beperkt tot één jaar.

Het hof oordeelt als volgt.

Nu het hof hiervoor heeft vastgesteld dat de verdachte keuzeruimte had om hetgeen is bewezenverklaard te voorkomen, zal het hof gelet op de hierna beschreven ernst van het bewezenverklaarde niet overgaan tot schuldigverklaring zonder oplegging van straf (artikel 9a Sr). Dit doet niet af aan het gegeven dat het hof bij de strafmaat wel rekening houdt met de moeilijke omstandigheden waarin de verdachte zich lange tijd bevond.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ten aanzien van de ernst van het feit en omstandigheden waaronder het feit is gepleegd

De verdachte heeft zich gedurende drie maanden samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan de seksuele uitbuiting van de minderjarige [slachtoffer]. Dat is een zeer ernstig feit. Zij heeft de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] gefaciliteerd door seksafspraken voor haar te maken en samen met haar naar een seksafspraak te gaan, terwijl zij als geen ander had moeten weten hoe ingrijpend deze uitbuiting voor [slachtoffer] moet zijn geweest, nu zijzelf al op jonge leeftijd in de prostitutie was beland. De door de verdachte overtreden bepaling beoogt minderjarigen te beschermen, ook tegen zichzelf. Minderjarigen worden geacht, ook als er geen sprake is van dwang of misleiding, op seksueel gebied nog niet volgroeid te zijn en niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen overzien. Met haar handelen heeft de verdachte [slachtoffer] in ernstige mate geschaad in haar lichamelijke en geestelijke integriteit op een cruciaal moment in haar ontwikkeling tot volwassen vrouw.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] is gebleken dat wat haar is overkomen een grote impact op haar heeft gehad en dat zij daar ernstige psychische gevolgen van ondervindt.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 19 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Verder heeft het hof in aanvulling op de stukken in eerste aanleg kennis genomen van de door [naam 2], GZ-psycholoog, opgemaakte Pro Justitia rapportage van 30 oktober 2025. Het psychologisch rapport houdt onder meer het volgende in:

Bij betrokkene is sprake van een aandachtstekort-/hyperactiviteitsstoornis en was er ten tijde van het ten laste gelegde sprake van een posttraumatische-stressstoornis, een depressieve stoornis en een stoornis in het gebruik van cocaïne, cannabis en alcohol. Inmiddels is betrokkene wat betreft de trauma- en stemmingsklachten vrijwel volledig klachtenvrij en voldoet zij niet meer aan de criteria van deze stoornissen. Ook de stoornissen in het gebruik van middelen lijken in langdurig remissie te zijn.

Deze factoren maken dat zij minder goed in staat was om de consequenties van haar handelen op langere termijn te overzien en dat zij sneller geneigd was om mee te gaan in situaties zonder deze kritisch te kunnen evalueren. Daarnaast speelde de destijds aanwezige PTSS een rol. Betrokkene was getraumatiseerd en ervoer gevoelens van angst en machteloosheid, met name in relatie tot de medeverdachte. Deze angst kan haar vermogen om zich te verzetten hebben verminderd en haar handelingsvrijheid hebben beperkt. Ook het langdurige en intensieve middelengebruik kan hierbij een rol hebben gespeeld. Het gebruik van cocaïne, cannabis en alcohol kan het realiteitsbesef en het beoordelingsvermogen verder verminderen, impulsiviteit en egocentrisch gedrag versterken, en het vermogen om de gevolgen van eigen handelen kritisch te evalueren beperken. Dit heeft bijgedragen aan een verhoogde vatbaarheid om in risicovolle situaties mee te gaan zonder deze goed te overzien.

Geadviseerd wordt betrokkene het ten laste gelegde (indien bewezen) in verminderde mate

toe te rekenen. De problematiek van betrokkene is ingebed in een context van langdurige traumatisering

en ontwikkelingsachterstand. Haar gedrag ten tijde van het ten laste gelegde moet worden begrepen vanuit deze combinatie van impulsiviteit, emotionele ontregeling en traumatische kwetsbaarheid hetgeen voor een doorwerking heeft gezorgd in het ten laste gelegde en tot een inperking van haar keuzemogelijkheden en oordeels- en handelingsvaardigheden. Het recidiverisico op basis van het gestructureerd klinisch oordeel ten aanzien van toekomstige vermogensdelicten en algemene recidive – zonder interventie – als laag tot matig ingeschat.

Gelet op het lage tot matige recidiverisico en de reeds afgeronde intensieve interventies in de afgelopen drie jaar, wordt geen meerwaarde gezien in het inzetten van vervolgbehandeling.

Gekeken naar de indicaties voor het jeugdstrafrecht, wordt op het gebied van haar handelingsvaardigheden gezien dat betrokkene de risico’s van haar handelen ten tijde van het ten

laste gelegde nauwelijks in kon schatten en dat ze handelde zonder na te denken. Ook kon zij haar eigen gedrag nauwelijks organiseren, vanuit haar problematiek en sociaal emotionele ontwikkelingsachterstand was zij beïnvloedbaar en kwetsbaar. Met betrekking tot de pedagogische beïnvloeding komt naar voren dat betrokkene destijds nog deelnam aan het gezin van herkomst (woonde daar) en gezinsgerichte hulpverlening en een pedagogische aanpak wellicht nog nodig en mogelijk was. Haar ouders hadden geen zicht en grip op haar. Inmiddels is pedagogische beïnvloeding niet meer wenselijk daar zij moet leren zich los te maken van haar ouders, en gericht moet worden op een positieve autonomieontwikkeling. Er komen geen contra-indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht naar voren. Al met al worden voldoende indicaties gezien voor het toepassen van het jeugdstrafrecht.

Het hof neemt de conclusie van de deskundige ten aanzien van de toerekenbaarheid over. Het bewezenverklaarde strafbare feit wordt in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.

Het hof zal echter, anders dan door de psycholoog geadviseerd, het sanctiestelsel voor meerderjarigen toepassen. De verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 21 jaar oud en dus ruimschoots meerderjarig. Het uitgangspunt in het strafrecht is dat meerderjarige daders volgens het meerderjarigenstrafrecht worden bestraft. Waar de psycholoog nadrukkelijk heeft teruggekeken of er destijds, toen de verdachte het feit pleegde, gedragskundige argumenten waren die aanleiding zouden kunnen geven om te adviseren tot toepassing van het minderjarigenstrafrecht, betrekt het hof ook de huidige situatie daarbij. Het toepasselijke sanctierecht in het geval van verdachten die ten tijde van het bewezenverklaarde in de leeftijdscategorie 18 tot en met 23 jaar vielen dient namelijk ex nunc te worden beoordeeld. Het gaat er bij het opleggen van een straf of maatregel aan deze verdachten namelijk om of er op het moment van oplegging redenen zijn om een pedagogische insteek te kiezen (het jeugdsanctierecht) of een andere (meer punitieve) insteek die doorgaans voor volwassenen wordt gehanteerd. Dit kan betekenen dat in de rechtbankfase een andere weging plaatsvindt dan bij het hof, niet in de laatste plaats omdat recente ontwikkelingen in het leven van de verdachte – waarover in de fase van het hoger beroep ook nog nieuwe rapporten kunnen worden opgemaakt, zoals in de onderhavige zaak het geval is - daarbij een rol spelen.

Het hof ziet nu een zelfstandige 26-jarige vrouw, die samenwoont met haar partner, waarbij geen mogelijkheden tot behandeling of pedagogische beïnvloeding worden gezien en die zich thans goed staande weet te houden in de samenleving. Het hof ziet daarom in de huidige situatie geen enkele aanleiding om af te wijken van voornoemd uitgangspunt.

Tot slot overweegt het hof dat de omstandigheid dat het hof bij arrest van heden heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de verdachte onder dwang seksueel is uitgebuit door de medeverdachte [medeverdachte 1], onverlet laat dat het hof er vanuit gaat dat de verdachte gedurende jaren in een zeer kwetsbare situatie verkeerde – ook ten aanzien van [medeverdachte 1] – en op jonge leeftijd jarenlang, verslaafd aan drugs, afhankelijk is geweest van prostitutie. Het hof houdt in vergaande mate in strafverminderende zin rekening met deze persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Alles afwegende acht ook het hof de door de rechtbank opgelegde straf in beginsel passend voor de verdachte. Het hof constateert echter dat de redelijke termijn in de appelfase met vijf maanden is overschreden. Rekening houdend met deze overschrijding acht het hof oplegging van een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Evenals de advocaat-generaal en de verdediging ziet het hof thans geen meerwaarde meer in het opleggen van bijzondere voorwaarden en beperkt het hof de proeftijd tot de duur van één jaar, nu de verdachte haar leven inmiddels goed op de rails lijkt te hebben.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de gegeven vrijspraak van het aan haar ten laste gelegde betreffende artikel 273f, eerste lid, sub 2 en 8 Sr.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 50 (vijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M. Iedema en mr. C.J. van der Wilt en, in tegenwoordigheid van

mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

1 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »