ECLI:NL:GHAMS:2026:2809

Datum uitspraak
27-08-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
25/731 tot en met 25/734
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Douane. Verzoeken om terugbetaling (art. 239 CDW); betreft invoer van melkpermeaat.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 25/731 tot en met 25/734

27 augustus 2026

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] (Frankrijk), belanghebbende,

gemachtigden: mr. B.J.B. Boersma en mr. C.F.L. Kaijser (Customs Knowledge B.V.)

tegen de uitspraak van 20 december 2024 in de zaken met kenmerken HAA 22/2066, HAA 22/2067, HAA 23/1455 en HAA 24/1970 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

25/731 en 25/732 (kenmerken rechtbank: HAA 22/2066 en HAA 22/2067)

1.1.1.

Bij beschikkingen van 22 april 2021 heeft de inspecteur belanghebbendes verzoeken op de voet van artikel 239 van het Communautair Douanewetboek (CDW) om terugbetaling van douanerechten (betreffende een drietal uitnodigingen tot betaling) afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.1.2.

Bij uitspraken op bezwaar van 3 februari 2022 heeft de inspecteur beslist dat de beschikkingen op formele gronden worden vernietigd en de verzoeken opnieuw in behandeling worden genomen.

1.1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

25/733 (kenmerk rechtbank: HAA 23/1455)

1.2.1.

Bij beschikking van 24 augustus 2022 is opnieuw op de verzoeken om terugbetaling beslist en zijn deze afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.2.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 16 december 2022 heeft de inspecteur beslist dat de beschikking op formele gronden wordt vernietigd en de verzoeken opnieuw in behandeling worden genomen.

1.2.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

25/734 (kenmerk rechtbank: HAA 24/1970)

1.3.1.

Bij beschikking van 21 september 2023 is opnieuw op de verzoeken om terugbetaling beslist en zijn deze afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.3.2.

Bij uitspraak van 20 maart 2024 is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Alle zaken

1.4.

In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt op de beroepen beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

  • verklaart de beroepen gegrond;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2022;

  • verklaart het bezwaar tegen de afwijzingsbesluiten van 22 april 2021 ongegrond;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar van 16 december 2022, doch uitsluitend voor zover daarin een proceskostenvergoeding wordt toegekend;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar van 11 maart 2024 (Hof leest: 20 maart 2024);

  • verklaart het bezwaar tegen het afwijzingsbesluit van 21 september 2023 gegrond;

  • vernietigt het afwijzingsbesluit van 21 september 2023;

  • veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaar- en beroepsprocedures van eiseres tot een bedrag van € 3.997;

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 1.101 aan eiseres te vergoeden;

  • veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 2.000, en

  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde (gedeeltes van de) uitspraken op bezwaar.”

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. In de periode van 15 februari 2011 tot en met 21 juni 2013 heeft eiseres, direct vertegenwoordigd door [naam] B.V., diverse aangiften gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van goederen (“weipoeder”, ofwel: “Cerolac crystallized”) met de omschrijving “weipermeaat” onder onderverdeling 0404 10 02 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN).

2. Naar aanleiding van een controle na invoer heeft de douane de goederencode gecorrigeerd naar GN-onderverdeling 0404 9021 (“melkpermeaat”; Hof leest:“producten bestaande uit natuurlijke bestanddelen van melk, elders genoemd noch elders onder begrepen”). Verweerder heeft vervolgens de volgende uitnodigingen tot betaling (utb’s) uitgereikt.

utb

datum

douanerecht

omzetbelasting

1

802059132 13 06210011

15 oktober 2013

€ 21.084

€ 2.145,18

2

802059132 13 06210012

21 oktober 2013

€ 21.084

€ 2.145,18

3

7000 0000 0209 0283

12 februari 2014

€ 3.149.915

€ 189.212,70

3. In februari en maart 2014 heeft eiseres verzoeken om terugbetaling inzake deze utb’s ingediend. Partijen hebben afgesproken dat deze verzoeken om terugbetaling zouden worden aangehouden totdat de utb’s onherroepelijk zouden vaststaan. Eiseres is in beroep, hoger beroep en cassatie gegaan inzake de utb’s. Bij uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 maart 2017 heeft het hof de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. [voetnoot: ECLI:NL:GHAMS:2017:1313.] Bij arrest van 14 september 2018 heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond verklaard. [voetnoot: ECLI:NL:HR:2018:1667.] De utb’s staan daarmee vast.

4. Vervolgens heeft verweerder in verschillende, elkaar opvolgende, procedures de verzoeken om terugbetaling afgewezen (zie inleiding).

5. Bij besluit van 3 februari 2022 heeft verweerder eiseres een forfaitaire proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend ter hoogte van € 538 (indiening van twee bezwaarschriften € 269 en het bijwonen van een hoorzitting € 269, zaken HAA 22/2066 en HAA 22/2067). Bij besluit van 16 december 2022 heeft verweerder eiseres een forfaitaire proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend ter hoogte van € 269 (indiening van een bezwaarschrift, zaak HAA 23/1455).”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

Partijen houdt verdeeld of belanghebbende al dan niet in aanmerking komt voor een terugbetaling op de voet van artikel 239 van het CDW. Daarnaast is in geschil of de rechtbank de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase juist heeft berekend.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen:

“Over de verzoeken om terugbetaling11. De rechtbank stelt voorop dat de verzoeken om terugbetaling gaan over de vraag of aanspraak bestaat op terugbetaling om redenen van billijkheid. Het gaat niet over de wettelijke verschuldigdheid van de douaneschulden. Deze wettelijke verschuldigdheid staat immers vast, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2018 (zie overweging 3).

12. Op feiten die zich vóór het van toepassing worden van het Douanewetboek van de Unie (DWU) op 1 mei 2016 hebben voorgedaan, zijn in het algemeen de materiële voorschriften van het Communautair Douanewetboek (CDW) van toepassing, terwijl doorgaans de procedurevoorschriften van het DWU van toepassing zijn (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 23 februari 2006, C-201/04, Molenbergnatie NV, ECLI:EU:C:2006:136, punt 31 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). De douaneschulden zijn in de periode van 15 februari 2011 tot en met 21 juni 2013 ontstaan, zodat de verzoeken om terugbetaling dienen te worden getoetst aan artikel 239 van het CDW. Voor wat betreft procedurevoorschriften – indien voorlegging aan de Europese Commissie dient plaats te vinden – dienen de procedurevoorschriften van de artikelen 98 tot en met 102 van de Gedelegeerde Verordening tot aanvulling van het DWU (Verordening (EU) 2015/2446) te worden gevolgd.

13. Artikel 239, eerste lid, van het CDW luidt als volgt:

“1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238

- welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;

- welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.”

14. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie bevat artikel 239 van het CDW een algemene billijkheidsclausule die inhoudt dat invoerrechten worden terugbetaald of kwijtgescholden wanneer aan twee voorwaarden is voldaan, te weten (1) dat een bijzondere situatie bestaat en (2) er noch van klaarblijkelijke nalatigheid, noch van een frauduleuze handeling van de zijde van de belastingschuldige sprake is. Met een ‘bijzondere situatie’ wordt in dit verband bedoeld een bijzondere situatie waarin de aangever verkeert ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten. [voetnoot: Hof van Justitie EU 25 juli 2018, Commissie/Combaro, C574/17 P, EU:C:2018:598, punten 44 en 45 en de aldaar aangehaalde rechtspraak]

15. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet artikel 239 van het CDW strikt worden uitgelegd, omdat terugbetaling of kwijtschelding een uitzondering vormt op de normale regeling inzake in- en uitvoer. [voetnoot: Hof van Justitie EG 25 juli 2008, C.A.S./Commissie, C204/07 P, ECLI:EU:C:2008:446, punt 88.]

16. Eiseres stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 239 van het CDW en voert daartoe de volgende drie punten aan:

  • de indeling van het product in de wetgeving was onduidelijk; daardoor is het rechtszekerheidsbeginsel geschonden en zijn de gevolgen van die onduidelijkheid in de wetgeving voor eiseres onevenredig;

  • de procedures van eiseres inzake de onrechtmatigheid van de utb’s hadden anders kunnen aflopen als was betrokken dat tussen verschillende lidstaten verschil van inzicht bestond over de indeling van melk- en weiproducten;

  • het is niet zo dat de situatie waarin eiseres verkeerde voor iedere marktdeelnemer gold die dezelfde activiteit verrichtte.

Rechtszekerheid en evenredigheid 17. Met het betoog van eiseres over de onduidelijkheid in de GN-indeling gaat eiseres in wezen in op de rechtmatigheid van de utb’s. De rechtmatigheid van de indeling in de utb’s is echter al door de rechter beoordeeld en is onherroepelijk komen vast te staan met het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2018. Over de band van de billijkheid kan niet een nieuw oordeel over de rechtmatigheid van de indeling worden verkregen.

18. Het beroep van eiseres op onevenredigheid, dat erop is gebaseerd dat de wetgeving en juridische criteria met betrekking tot de indeling in dit geval onvoldoende duidelijk zijn en de gevolgen van deze onduidelijkheid voor eiseres onevenredig zijn, kan daarom evenmin slagen.

Informatie over verschil van inzicht tussen de lidstaten

19. Eiseres betoogt dat in de procedures over de utb’s mogelijk anders zou zijn geoordeeld als bekend was geweest dat tussen verschillende lidstaten verschil van inzicht bestond over de indeling van melk- en weiproducten. Eiseres verkreeg daarover stukken via de door haar geïnitieerde openbaarmakingsprocedure en stuurde deze stukken aan verweerder bij e-mailbericht van 25 november 2021. Zij benadrukt dat deze documenten dateren uit de periode 2014 tot en met 2017, voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad (14 september 2018) en ook voorafgaand aan de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (28 maart 2017). Aan de hand van deze verslagen betoogt eiseres dat in de periode 2014 tot en met 2018, dus na het opleggen van de utb’s aan eiseres, in Europees verband herhaaldelijk is gesproken over de indeling van de goederen (melk- en weipermeaat), dat verschillende lidstaten verschillend oordeelden over de indeling en dat dit niet betrokken is in het oordeel over de utb’s.

20. Ook met dit betoog gaat eiseres in wezen in op de rechtmatigheid van de utb’s. Die rechtmatigheid is echter al beoordeeld, zoals hiervoor reeds is overwogen. Als het feit dat tussen verschillende lidstaten verschil van inzicht bestond over de indeling van melk- en weiproducten, bij eiseres vóór de uitspraken niet bekend was en redelijkerwijs niet bekend kon zijn, zou eiseres om herziening kunnen vragen op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank merkt overigens op dat eiseres zich in de procedure bij het Gerechtshof Amsterdam heeft beroepen op een uitvoeringsverordening van 31 maart 2016, waarin het onderscheid tussen weipermeaat en melkpermeaat aan de orde is. [voetnoot: Uitvoeringsverordening (EU) 2016/534 van de Commissie van 31 maart 2016 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, Publicatieblad van de Europese Unie, L 89/6.] Overweging 3 van deze verordening noemt uitdrukkelijk: “Er bestaat geen eensgezindheid over de indeling van weipermeaat en melkpermeaat onder de onderverdelingen van post 0404. Daarom is het ten behoeve van de rechtszekerheid noodzakelijk om de reikwijdte te verduidelijken van de onderverdelingen 0404 10 en 0404 90 met betrekking tot die producten.” Het Gerechtshof Amsterdam heeft het beroep op deze uitvoeringsverordening beoordeeld en verworpen. [voetnoot: ECLI:NL:GHAMS:2017:1313, in het bijzonder overweging 5.26.]

Bijzondere positie van eiseres?

21. Het betoog van eiseres dat de wetgeving en juridische criteria met betrekking tot de indeling in dit geval onvoldoende duidelijk waren en dat het oordeel over de rechtmatigheid van de utb’s anders had kunnen zijn als daarin was betrokken dat tussen verschillende lidstaten verschil van inzicht bestond over de indeling van melk- en weiproducten – wat daar ook van zij – brengt eiseres niet in een andere positie dan andere marktdeelnemers in de EU. Alle marktdeelnemers verkeerden in de omstandigheid dat er discussie tussen de lidstaten bestond over deze indeling. De utb’s waarbij de producten werden ingedeeld onder GN-onderverdeling 0404 9021 zijn niet onrechtmatig gebleken. Het betoog slaagt niet.

(…)

25. Het is de rechtbank niet gebleken dat de in het verzoek aangevoerde omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van een andere wettelijke grondslag voor terugbetaling dan door eiseres genoemd. [voetnoot: Vergelijk Hoge Raad 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1343 en de uitspraak van de rechtbank van 21 februari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:4922.]

26. Op grond van bovenstaande overwegingen komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de verzoeken om terugbetaling terecht heeft afgewezen.

(…)

Proceskosten

48. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten in alle vier de zaken. De rechtbank beschouwt de vier beroepszaken als samenhangend. Deze vergoeding bedraagt dan voor de beroepsfase € 1.750 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 875).

(…)”

5. Beoordeling van het geschil

Bijzondere omstandigheden

5.1.

Belanghebbende stelt zich, ook in hoger beroep, op het standpunt dat zij in aanmerking komt voor terugbetaling op de voet van artikel 239 CDW, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in dat artikel. In hoger beroep heeft belanghebbende gepreciseerd dat zij in eerste aanleg met (1) haar verwijzing naar het rechtszekerheids- beginsel en (2) haar betoog dat de procedures over de rechtmatigheid van de utb’s een andere afloop hadden kunnen hebben (als daarin was betrokken dat tussen de lidstaten verschil van inzicht bestond over de indeling van melk- en weiproducten), niet heeft beoogd opnieuw de rechtmatigheid van de utb’s te betwisten. Voormelde punten dienen uitsluitend te worden bezien als onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een terugbetaling op de voet van artikel 239 CDW rechtvaardigen, aldus belanghebbende.

5.2.

Het Hof stelt voorop dat artikel 239 CDW, in samenhang met artikel 905 UCDW, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie een algemene billijkheidsclausule bevat. Deze algemene billijkheidsclausule houdt in dat rechten bij invoer worden kwijtgescholden of terugbetaald wanneer twee voorwaarden zijn vervuld, te weten (1) dat een bijzondere situatie bestaat en (2) dat er noch van klaarblijkelijke nalatigheid, noch van een frauduleuze handeling van de zijde van de belastingschuldige sprake is (zie laatstelijk Hof van Justitie 25 juli 2018, Commissie/ Combaro SA, C‑574/17 P, ECLI:EU:C:2018:598, punten 44 en 45, hierna: arrest Combaro). Uit deze vaste rechtspraak volgt bovendien dat van een dergelijke ‘bijzondere situatie’ sprake is indien de betrokkene in een bijzondere situatie verkeert ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten (zie voormeld punt 44 van het arrest Combaro en de aldaar vermelde rechtspraak).

5.3.

Belanghebbende voert in dit verband aan dat destijds tussen de lidstaten van de Europese Unie langdurig verschil van inzicht bestond over de indeling in de nomenclatuur van melkpermeaat. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst zij naar stukken van het geding, waaronder diverse stukken van het Comité Douanewetboek van de Europese Unie, en overlegt zij in aanvulling daarop bij haar hogerberoepschrift een drietal Franse bindende tariefinlichtingen (bti’s), waarin goederen die worden omschreven als “perméat de lait” (melkpermeaat) worden ingedeeld onder GN-code 0404 1048, als (gewijzigde) wei. Om aan de bij de lidstaten bestaande onduidelijkheid een einde te maken heeft de Europese Commissie, na beraad in het Comité Douanewetboek, op 31 maart 2016 bij Verordening 2016/534 aanvullende aantekeningen 3 en 4 ingevoegd in hoofdstuk 4 van de gecombineerde nomenclatuur. Dit alles brengt met zich dat sprake is van een bijzondere situatie die een terugbetaling op de voet van artikel 239 CDW rechtvaardigt, aldus belanghebbende.

Het Hof overweegt ter zake als volgt.

5.4.

Uit de gedingstukken blijkt dat er op twee punten onduidelijkheden bestonden tussen de lidstaten over de indeling van zuivelpermeaten. In de eerste plaats was onduidelijk hoe bij invoer van zuivelpermeaten, indien niet reeds uit de begeleidende bescheiden kenbaar was om welk permeaat het precies ging, door laboratoriumonderzoek kon worden vastgesteld of sprake is van een weipermeaat dan wel een melkpermeaat. In de tweede plaats was er tussen de lidstaten geen overeenstemming over de vraag of melkpermeaat kon worden ingedeeld in onderverdeling 0404 10 (wei en gewijzigde wei). Frankrijk was van mening dat melkpermeaat, hoewel dit product is vervaardigd door ultrafiltratie van melk en dus niet is vervaardigd uit wei (= de vloeistof die overblijft na het stremmen van melk), kon worden ingedeeld als (gewijzigde) wei.

5.5.

De eerste onder 5.4 genoemde onduidelijkheid speelt in de onderwerpelijke zaak geen rol. Belanghebbende heeft van haar Zwitserse leverancier melkpermeaat gekocht, zo blijkt expliciet uit tal van bescheiden waarover zij beschikte (zie ECLI:NL:GHAMS:2017:1313, punt 5.28: een “product presentation” van haar Zwitserse leverancier, het T1-document, het EUR1-certificaat, de weegbrief en de inslagbon die zij zelf heeft opgemaakt bij inslag in haar entrepot). Laboratoriumonderzoek om vast stellen of sprake is van weipermeaat dan wel melkpermeaat was in casu dus niet nodig, omdat de aard van het product ten tijde van de invoer reeds bekend was.

5.6.

Ten aanzien van het tweede onder 5.4 genoemde punt oordeelt het Hof als volgt. Voor zover uit de gedingstukken kan worden afgeleid was de Franse douane inderdaad van oordeel dat, in weerwil van de bewoordingen van onderverdeling 0404 10 (wei en gewijzigde wei / lactosérum, modifié ou non), ook producten die niet uit wei waren vervaardigd (maar daarmee qua samenstelling wel overeenkomsten vertoonden) onder deze onderverdeling konden worden ingedeeld. De Europese Commissie heeft deze onjuiste Franse praktijk beëindigd door invoering van de onder 5.3 genoemde aanvullende aantekeningen. Het betoog van belanghebbende komt er in wezen op neer dat, nu in Frankrijk een onjuiste tariefindeling werd toegepast, zij zich ten opzichte van de importeurs die in Frankrijk aangifte hebben gedaan (of over een Franse bti beschikten) in een “bijzondere situatie” bevindt die onbillijk is en die daarom een terugbetaling op de voet van artikel 239 CDW rechtvaardigt.

5.7.

Dit standpunt kan niet als juist worden aanvaard. Voor de beoordeling of belanghebbende in een bijzondere situatie verkeert ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten dient weliswaar rekening te worden gehouden met de betrokken importeurs in de gehele Unie (zie HvJ 17 februari 2011, Bolton Alimentari SpA, C‑494/09, ECLI:EU:C:2011:87, punt 61), maar dit betekent niet dat indien importeurs in één lidstaat (in casu Frankrijk) gunstiger zijn behandeld dan de importeurs in alle andere lidstaten, daarmee de belastingheffing van laatstgenoemde importeurs als “onbillijk” kan worden gekwalificeerd. Dit zou wellicht anders kunnen zijn indien binnen de Europese Unie een meerderheid van alle betrokken importeurs gunstiger is behandeld, maar dat dit in casu het geval zou zijn is gesteld noch gebleken.

5.8.

Ter zitting in hoger beroep heeft belanghebbende betoogd dat uit de tekst van artikel 239 CDW niet volgt dat de reikwijdte van deze bepaling zich beperkt tot situaties waarin de belanghebbende in een bijzondere situatie verkeert ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten. Ook andere omstandigheden kunnen een bijzondere omstandigheid vormen die een terugbetaling om billijkheidsreden rechtvaardigt. Een dergelijke omstandigheid doet zich volgens belanghebbende in dit geval voor, omdat de indeling van melkpermeaat langdurig onderwerp van discussie is geweest tussen de lidstaten, waardoor rechtszekerheid voor importeurs van melkpermeaat ontbrak.

Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Zoals reeds uiteengezet onder 5.2 is volgens vaste rechtspraak van een “bijzondere situatie” enkel sprake indien de betrokkene in een bijzondere situatie verkeert ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten. De door belanghebbende genoemde omstandigheid dat de indeling van melkpermeaat in de periode van 6 juni 2014 tot 9 maart 2016 in vijf vergaderingen van het Comité Douanewetboek is besproken voordat (door invoering van aanvullende aantekeningen 3 en 4 op hoofdstuk 4) duidelijkheid werd verschaft over de indeling van melkpermeaat, vormt dus geen “bijzondere situatie”. Zoals de rechtbank in punt 21 van de bestreden uitspraak met juistheid heeft geoordeeld, gold voor álle betrokken importeurs dat sprake was van rechtsonzekerheid over de indeling van melkpermeaat, niet enkel voor belanghebbende of slechts een deel van de betrokken importeurs.

5.9.

Nu van een bijzondere situatie geen sprake is kan in het midden blijven of belanghebbende al dan niet klaarblijkelijke nalatigheid kan worden verweten (zie arrest Combaro, punt 91).

Proceskostenvergoeding; samenhangende zaken

5.10.

Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase ten onrechte er vanuit is gegaan dat sprake is van samenhangende zaken. Zij schrijft hierover in haar hogerberoepschrift, punt 5.4:

“De verschillende beroepsprocedures hebben weliswaar steeds betrekking op één en hetzelfde onderwerp voor dezelfde belanghebbende, maar de procedures hebben wel steeds betrekking op beschikkingen (uitspraken op bezwaar) die op verschillende momenten zijn gedaan en waarbij het gegrond verklaren op een andere grondslag werd gestoeld. Er zijn drie op zichzelf staande bezwaarprocedures, waarbij op drie geheel verschillende momenten een beroepsprocedure is geïnitieerd. (…)”

Daarnaast wijst zij op (1) het grote aantal overwegingen dat de rechtbank wijdt aan de gang van zaken in de bezwaarprocedures, (2) de omstandigheid dat de in de verschillende beroepen ingebrachte stukken niet gelijk zijn en (3) de omstandigheid dat in alle zaken separaat griffierecht is geheven. Er had daarom per zaak een vergoeding moeten worden toegekend, aldus belanghebbende.

5.11.

De grief van belanghebbende faalt. De voorwaarde dat beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn ingediend om van samenhang te kunnen spreken is per 1 januari 2015 geschrapt uit artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Tot genoemde datum luidde de tekst (cursivering Hof):

“2. Samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”

Per 1 januari 2015 luidt de tekst (cursivering Hof):

“2. Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”

Vast staat dat de rechtbank de beroepen gelijktijdig heeft behandeld. Dat de rechtbank een groot aantal overwegingen heeft gewijd aan de gang van zaken in de bezwaarfase staat er niet aan in de weg dat voor de berekening van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase sprake is van samenhang (de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is overigens niet in geschil). De omstandigheid dat voor elke zaak separaat griffierecht is geheven staat evenmin aan het constateren van samenhang in de weg. Wat ten slotte de door belanghebbende genoemde omstandigheid betreft dat niet in alle zaken dezelfde stukken zijn ingediend: ook dit vormt geen beletsel voor het oordeel dat sprake is van samenhang. Belanghebbende heeft ter zitting bij de rechtbank – blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal – over de samenhang van de in beroep voorliggende zaken verklaard:

“Ik ben het ermee eens om het als conglomeraat te zien. Ik heb ook aan de griffier gevraagd om er één geheel van te maken.”

Het Hof deelt deze zienswijze. De rechtbank is er dan ook op goede gronden vanuit gegaan dat sprake is van samenhangende zaken.

5.12.

Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Slotsom

5.13.

De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en M.J. Leijdekker, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 27 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

  2. (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is aangetekend per post verzonden op:

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »