ECLI:NL:GHAMS:2026:2748

Datum uitspraak
08-09-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
26/311
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WOZ 2019 niet-woning. Kinderdagverblijf. Gecorrigeerde vervangingswaarde. Na verwijzing door Hoge Raad zijn alleen de restwaarden nog in geschil. Heffingsambtenaar maakt restwaarden aannemelijk met taxatierapport met drie vergelijkingsobjecten, waarvan er één is verkocht vrij van huur en gebruik en na verkoop voor andere doeleinden is aangewend.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 26/311

8 september 2026

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van

[X] B.V., gevestigd te [z] , belanghebbende,

gemachtigde: M.O.E. Uijen ( Previcus Vastgoed B.V. )

tegen de uitspraak van 10 maart 2022 in de zaak met kenmerk ROT 19/4417 van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Delft, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 januari 2019 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat 1] 111 te [plaats 1] (hierna ook: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2019 naar de waardepeildatum 1 januari 2018 vastgesteld op € 357.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker 2019 bekendgemaakt.

1.2.

Bij uitspraak van 17 juli 2019 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft als volgt op het beroep tegen de uitspraak op bezwaar beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiseres;

- bepaalt dat de Staat aan eiseres het betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 541,-.”

1.4.

Bij uitspraak van 7 juni 2023 heeft het Gerechtshof Den Haag het door belanghebbende tegen de bestreden beslissing ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:438 (hierna ook: het verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad het volgende beslist:

“De Hoge Raad:

  • verklaart het beroep in cassatie gegrond,

  • vernietigt de uitspraak van het Hof,

  • verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

  • draagt het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 548, en

  • veroordeelt het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.”

1.6.

Partijen zijn door de griffier van het Hof bij berichten van 3 april 2026 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het verwijzingsarrest in te dienen. De heffingsambtenaar heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 5 mei 2026. Een afschrift van deze schriftelijk reactie is op 4 juni 2026 aan belanghebbende verzonden.

1.7.

Bij bericht van 8 juni 2026 is belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld een reactie op het verwijzingsarrest in te dienen. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen, hoewel de griffier op 8 juni 2026 in het digitale dossier van de onderhavige zaak een bericht heeft geplaatst waarbij de gemachtigde is uitgenodigd voor de zitting op 12 augustus 2026, en er van de plaatsing van dit bericht op 8 juni 2026 om 14:59 uur een notificatie aan de gemachtigde is verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres: [e-mail] . Op grond hiervan neemt het Hof aan dat de gemachtigde dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb, op 8 juni 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De Hoge Raad is in het verwijzingsarrest van de volgende feiten uitgegaan:

“2.1 Belanghebbende huurt in [plaats 1] een zelfstandig gedeelte van een onroerende zaak, bestaande uit de begane grond en een gedeelte van de eerste verdieping (hierna: de onroerende zaak).

2.2

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep (hierna: de heffingsambtenaar) de waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2019 vastgesteld op € 357.000. Ter onderbouwing van deze waarde heeft de heffingsambtenaar in de beroepsfase een taxatierapport van 3 november 2021 overgelegd waarin de gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak is bepaald op € 357.177. In dat taxatierapport is onder meer gebruik gemaakt van de voor de waardepeildatum 1 januari 2018 geldende Taxatiewijzer en kengetallen deel 1 Onderwijs (hierna ook: de Taxatiewijzer ). Bij het bepalen van de restwaardes van de ruwbouw, afbouw en installaties van de onroerende zaak is de heffingsambtenaar uitgegaan van de gemiddelden van de in de Taxatiewijzer opgenomen gegevens.

2.3

Belanghebbende heeft in beroep een taxatierapport met datum 28 augustus 2019 overgelegd. In dat rapport is onder meer erop gewezen dat ter bepaling van de restwaarden dient te worden uitgegaan van lagere percentages dan in de taxatiewijzers . Deze lagere percentages achten de betrokken gerechtshoven blijkens ECLI:NLGHARL:2015:6339, ECLI:NL:GHDHA:2017:3378 en ECLI:NL:GHARL:2018:3824, niet bewezen, aldus het taxatierapport.”

2.2.

In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3.

In het in overweging 2.3 van het verwijzingsarrest vermelde taxatierapport van belanghebbende (opgemaakt door [naam 1] , taxateur) is voorts onder meer het volgende opgenomen:

“D. WAARDERING

1. Het object is getaxeerd op:

WOZ-waarde voor : € 167.000,00

waardepeildatum 01-01-2018

(…)

M. NADERE MEDEDELINGEN

Het object is gewaardeerd middels archetype [# 1] (…).

(…) Er is (…) uitgegaan van een restwaarde van 0%, aangezien aan het einde van de werkelijke levensduur een gebouw geen restwaarde meer heeft. Dit wordt algemeen erkend aangezien er in de waardering bij een slooppand uitgegaan wordt van de grondwaarde minus de sloopkosten. Ook dan wordt er dus uitgegaan van een restwaarde van 0%.”

2.4.

Tijdens de procedure in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag heeft de heffingsambtenaar, in aanvulling op het door hem in de beroepsfase overgelegde taxatierapport van de onroerende zaak van 21 november 2021 (hierna: het taxatierapport 2021) in hoger beroep een geactualiseerde versie van dit rapport overgelegd. Dit geactualiseerde rapport is met dagtekening 25 juni 2022 (hierna: het taxatierapport 2022) opgesteld door J.C.M. Schilders , taxateur. De gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2018 is daarin getaxeerd op € 357.000. In dit rapport (waarin de onroerende zaak is aangeduid als ‘het object’) is onder meer het volgende vermeld:

“Omschrijving objectkenmerken

(…) Het object ligt in de directe nabijheid van een basisschool en ligt middenin een woonwijk. (…) Het gebouw bestaat uit een begane grond en een 1e verdieping. De begane grond heeft eind 2006 een transitie ondergaan en is per 01-01-2007 in gebruik genomen als kinderdagverblijf. (…) [Belanghebbende] heeft de begane grond en een klein gedeelte op de 1e verdieping in gebruik. De andere ruimten op de 1e verdieping wordt verhuurd aan een sportschool.

(…)

Correctie technische veroudering opstal:

(…)

Inschatting levensduur en restwaarde:

(…) Het gebouw is modern afgewerkt en goed onderhouden. Het object is in 1988 gerenoveerd en (…) het gebouw [is] sinds 2007 in gebruik als creche/peuterspeelzaal (…). Op grond van deze informatie en het gegeven dat het gebouw in een normale onderhoudsstaat verkeert en alle noodzakelijke werkzaamheden worden uitgevoerd, is de actuele beoogde gebruiksperiode van de ruwbouw, afbouw en installaties opnieuw ingeschat en kan men ervan uit gaan dat de ruwbouw nog een beoogde gebruiksperiode heeft van 10 jaar en de afbouw en installaties nog een beoogde gebruiksperiode hebben van tenminste 5 jaar. (…) Door de beperkte hoeveelheid installaties, veelal eenvoudige installaties, die in een crèche/peuterspeelzaal aanwezig zijn, en het feit dat er regelmatig onderhoud gepleegd wordt aan de installaties, behouden deze installaties hun restwaarde ook wanneer deze installaties in een verlengde levensduur zitten. De restwaarde die bij de taxatie wordt gebruikt betreft niet de zuiver bouwtechnische restwaarde samenhangend met bijvoorbeeld de opbrengst van materialen bij sloop van het object. De restwaarde omvat ook de waarde die het gebouw kan hebben na beëindiging van de nu verwachte beoogde gebruiksperiode. Daarbij wordt er van uit gegaan dat het gebouw op dat moment nog bruikbaar kan zijn voor het doel waarvoor het gebouwd is of het gebouw met een andere bestemming gebruikt gaat worden zodat de restwaarde samenhangt met voortzetting van gebruik. [De onroerende zaak] bevestigt het bovenstaande doordat het oorspronkelijk gebruik van het object – als kerk – werd veranderd in creche/ peuterspeelzaal en de bovenste verdieping in gebruik is als sportschool.

Ook is het object per 01-10-2021 verhuurd aan [bedrijf 4] . Hiervoor zijn kleine aanpassingen aan de entree gedaan. Bij de transitie van kerk naar peuterspeelzaal is het object gerenoveerd (…). Met de waardebepaling is met het renovatiejaar 1988 geen rekening gehouden en is uitgegaan van de oorspronkelijk bouwjaar 1922. Met het percentage restwaarde (…) is aansluiting gezocht bij het gemiddelde percentage restwaarde van het gebruikte archetype [# 2] . (…) De levensduur en restwaarde van de ruwbouw is eveneens verlengd en gehandhaafd en hierbij is gekeken naar het gegeven dat er een transitie heeft plaatsgevonden van kerk naar creche/peuterspeelzaal en sportschool. (…) Ook laten verkoopcijfers van kinderdagverblijven zien dat de gehanteerde restwaarde van 23,84% (ruwbouw, afbouw en installaties) voor het onderhavige object niet te hoog is ingeschat. Zie bijlage 1.”

2.5.

Bijlage 1 bij het taxatierapport 2022 bevat de volgende gegevens:

Vergelijkbare objecten

[straat 2] 23

[straat 3] 2

[straat 4] 18

Gemeente

[plaats 2]

[plaats 3]

[plaats 4]

Soort object

Kinderdagverblijf

Kinderdagverblijf

Kinderdagverblijf

Bouwjaar

1960

1960/1970

1965

Transactiedatum

04-05-2018

29-09-2017

03-10-2017

Transactieprijs

€ 580.000

€ 230.000

€ 294.000

Totaal aantal b.v.o.

640 m²

362 m²

571 m²

Vervangingskosten

€ 717.765

€ 452.000

€ 647.015

Perceeloppervlakte

2.680 m²

421 m²

1.401 m²

Grondwaarde

€ 321.600

€ 61.045

€ 133.095

Berekende restwaarde

36%

37,37%

24,86%

Opmerkingen

Verkoop is vrij van huur en gebruik. Na verkoop is de bestemming maatschappelijk gebleven. Privé-kliniek.

Na verkoop is het gebruik ongewijzigd gebleven. Aangekocht door vastgoedbedrijf.

Na verkoop is het gebruik ongewijzigd gebleven.

Formule berekening restwaarde:

Verkoopprijs – grondwaarde / vervangingswaarde x 100”

3 Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in zijn arrest – voor zover voor het geding na verwijzing van belang –

het volgende overwogen:

“2. Uitgangspunten in cassatie

(…)

2.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ.

3 De oordelen van het Hof

3.1

Voor het Hof was onder meer in geschil of de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de onroerende zaak te hoog is. Het geschil had, voor zover in cassatie van belang, in het bijzonder betrekking op de vraag of bij de waardering van de onroerende zaak is uitgegaan van de bij de correctie wegens technische veroudering in aanmerking te nemen juiste restwaardes met betrekking tot de ruwbouw, afbouw en installaties van de onroerende zaak.

3.2

Het Hof heeft in de eerste plaats vastgesteld dat beide partijen bij de onderbouwing van hun standpunten uitgaan van de kengetallen van het archetype [# 3] uit de Taxatiewijzer . Dit brengt volgens het Hof mee dat als een partij in (een van) haar standpunten van een of meer van deze kengetallen afwijkt, die partij de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Dit geldt volgens het Hof ook als de bewijslast volgens de normale regels van stelplicht en bewijslast bij de wederpartij ligt.

3.3

Omdat belanghebbende wat betreft de restwaardes van de ruwbouw, afbouw en installaties van de onroerende zaak wil afwijken van de (bandbreedten van de) kengetallen in het door beide partijen bij de bepaling van hun standpunten over de gecorrigeerde vervangingswaarde tot richtsnoer genomen archetype [# 3] uit de Taxatiewijzer , dient belanghebbende daarvoor de gronden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, aldus het Hof. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende dit niet heeft gedaan.

3.4

Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde van de onroerende zaak niet te hoog is.

4 Beoordeling van de middelen

4.1

Het tweede middel komt op tegen de hiervoor in 3.2 en 3.3 weergegeven oordelen van het Hof. Volgens het middel heeft het Hof miskend dat de bewijslast wat betreft de restwaardes van de ruwbouw, afbouw en installaties van de onroerende zaak in eerste instantie bij de heffingsambtenaar ligt, ook wanneer belanghebbende van de Taxatiewijzer afwijkt.

4.2.1

Met betrekking tot de WOZ-waarde van een onroerende zaak gelden de normale regels over stelplicht en bewijslast. Daardoor geldt als regel dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot deze waarde in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten. [Voetnoot 2: Vgl. HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300, rechtsoverweging 3.2.] Deze regel geldt ook als het om de gecorrigeerde vervangingswaarde gaat en de daarbij in aanmerking te nemen technische veroudering in geschil is, [Voetnoot 3: Vgl. HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671, rechtsoverweging 2.3.2.] ook in een geval als dit waarin de heffingsambtenaar bij het vaststellen van die waarde heeft aangesloten bij een taxatiewijzer .

4.2.2

Dit geldt echter niet in alle gevallen. Gelet op wat in rechtsoverweging 4.3.3 van het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234 (hierna: het arrest van 13 februari 2026) is overwogen, brengt een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast mee dat de partij die een beroep doet op een afwijking van de richtsnoeren uit een taxatiewijzer , terwijl zij die taxatiewijzer als uitgangspunt voor het desbetreffende aspect van de waardering heeft aanvaard, de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Indien die partij de belanghebbende is, vormt dit een uitzondering op de hiervoor in 4.2.1 vermelde regel dat de stelplicht en bewijslast in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten. [Voetnoot 4: Vgl. HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234, rechtsoverweging 4.3.5.]

4.3

De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende zowel in de procedure voor de Rechtbank als voor het Hof kenbaar heeft gemaakt dat zij zich niet kan vinden in de richtsnoeren die de Taxatiewijzer en de daarbij behorende kengetallen geven met betrekking tot de restwaardes. Daarom brengt wat hiervoor in 4.2.1 en 4.2.2 is overwogen mee dat geen grond bestaat om in dit geval met betrekking tot de restwaardes een uitzondering aan te nemen op de regel dat de stelplicht en bewijslast in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten. Het Hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat op belanghebbende de last rust om de door haar met betrekking tot de restwaardes van de ruwbouw, afbouw en installaties van de onroerende zaak bepleite afwijking van de (bandbreedten van de) kengetallen in het archetype [# 3] uit de Taxatiewijzer aannemelijk te maken. Het middel slaagt daarom.

4.4

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5 Slotsom

5.1

Gelet op wat hiervoor in 4.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

5.2

Het verwijzingshof dient te beoordelen of de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Daarbij dient rekening te worden gehouden met wat de Hoge Raad heeft geoordeeld in rechtsoverwegingen 5.2 en 5.3 van het arrest van 13 februari 2026.”

4 Geschil in hoger beroep na verwijzing

In hoger beroep na verwijzing is in geschil of de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij het vaststellen van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak de daarbij in aanmerking genomen restwaarden niet te hoog heeft berekend.

5 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft – voor zover van belang voor de beoordeling van het geschil na verwijzing – als volgt overwogen en beslist:

“De waardering

(…)

7. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde en dat daarbij de kengetallen in de Taxatiewijzer Onderwijs (hierna: de Taxatiewijzer ) als uitgangspunt moeten worden genomen, waarbij de rechtbank zich aansluit. Niet in geschil is verder dat de waarde inclusief BTW moet worden bepaald.

(…)

Technische correctie

11. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte de levensduur van de onroerende zaak heeft verlengd en dat de door verweerder aangehouden restwaarde niet is onderbouwd, omdat een onderbouwing van de gebruikte kengetallen uit de Taxatiewijzer ontbreekt.

11.1

Voor de bepaling van de restwaarde houdt verweerder bij de ruwbouw een percentage van 27 % aan, bij de afbouw 22 % en bij de installaties 17 %, het gemiddelde van de bandbreedte zoals in de Taxatiewijzer opgenomen. Volgens eiseres is de restwaarde van alle onderdelen 0 %.

11.2

Zoals eiseres terecht aanvoert, zijn de kengetallen uit de Taxatiewijzer onvoldoende met marktgegevens onderbouwd. In het taxatierapport verwijst verweerder evenwel naar een drietal transacties op de markt die volgens hem de kengetallen onderbouwen.

Het object aan de [straat 5] 9 is naar het oordeel van de rechtbank echter niet bruikbaar, omdat deze verkoop bijna twee jaar na de waardepeildatum tot stand is gekomen. De andere twee verkopen, die van de panden [straat 3] 2 en [straat 4] 18 zijn niet te ver van de waardepeildatum tot stand gekomen. Deze objecten liggen niet in [plaats 1] of omgeving. Verkopen van dit soort objecten doen zich – vanwege het beperkte aantal objecten van deze aard – niet zo vaak voor. Daarom acht de rechtbank aanvaardbaar, dat verweerder naar verkooptransacties van dit type object elders in Nederland is uitgeweken. Uit de twee resterende verkopen volgt een restwaarde van gemiddeld 31,12 %, terwijl voor de onroerende zaak een gewogen restwaarde van 23,84 % is aangehouden. Met de cijfers van de hiervoor genoemde transacties in combinatie met de Taxatiewijzer onderbouwt verweerder zijn restwaarde voldoende en maakt verweerder aannemelijk dat die niet te hoog is.

11.3

Wat betreft de levensduur gaan beide partijen uit van een initiële levensduur van 47 jaar voor de ruwbouw, 27 jaar voor de afbouw en 17 jaar voor de installaties, het gemiddelde van de bandbreedte zoals in de Taxatiewijzer opgenomen.

Op de waardepeildatum was de onroerende bijna 100 jaar oud, zodat op de waardpeildatum de restwaarde in beginsel was bereikt. Verweerder heeft echter een levensduurverlenging van 10 jaar voor de ruwbouw en 5 jaar voor de afbouw en installaties toegepast.

11.4

Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671, volgt dat als in de waardering wordt aangesloten bij een taxatiewijzer , de partij die wil afwijken van de kengetallen in die taxatiewijzer de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken.

Nu eiseres de door verweerder aangehouden levensduur betwist, rust in dit geval de bewijslast voor de levensduur van de afbouw en installaties van de onroerende zaak op verweerder, aangezien verweerder die levensduur op een langere periode stelt dan volgt uit de Taxatiewijzer en de restwaarde op een overeenkomstig later tijdstip wordt bereikt.

11.5

Verweerder voert voor de levensduurverlenging aan dat de onroerende zaak in 1988 is gerenoveerd en in 2006 opnieuw compleet is vernieuwd, waarna eiseres de onroerende zaak in gebruik heeft genomen in 2007. Er is sprake van normaal onderhoud dat erop is gericht om het gebouw en de installaties nog een aantal jaren in de toekomst te laten functioneren. Daarbij geldt dat uit onderzoek van de Rabobank naar voren komt dat voor de kinderopvang sector op korte termijn een lichte omzetgroei wordt verwacht, dat de onroerende zaak voor meerdere doeleinden kan worden gebruikt en dat de eigenaar de intentie heeft het object nog voor een langere tijd te gebruiken, aldus verweerder.

De rechtbank acht dit een afdoende motivering voor de opvatting dat de oorspronkelijk ingeschatte levensduur inmiddels achterhaald is en dat, beoordeeld naar wat er op 1 januari 2018 bekend is, een levensduurverlenging van tien jaar voor de ruwbouw en vijf jaar voor de afbouw en installaties gerechtvaardigd is.

Daarbij is van belang dat het hier niet gaat om de bouwkundige levensduur, maar de functionele levensduur van de onroerende zaak.

11.6

Bij de levensduurverlenging moet worden bekeken wat de invloed daarvan is op de restwaarde en op welk tijdstip die restwaarde wordt bereikt.

Verweerder wijst erop dat de hoeveelheid installaties in de onroerende zaak beperkt is; dat die installaties regelmatig onderhouden worden en dat de onroerende zaak na beëindiging van het gebruik door eiseres voor andere doeleinden kan worden gebruikt. Dit wordt bevestigd door het feit dat het gebouw waar de onroerende zaak deel van is eerst in gebruik was als kerk en thans als creche/peuterspeelzaal op de begane grond en als sportschool op de bovenste verdieping.

Hiermee maakt verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat ook na een levensduurverlenging uitgegaan kan worden van de gemiddelde percentages die uit de Taxatiewijzer volgen. Ook hierbij geldt dat het niet gaat om de bouwkundige restwaarde van de afbouw en installaties, maar de functionele restwaarde.

12. De conclusie is dat verweerder de door hem aangehouden technische correctie aannemelijk maakt.

(…)

Conclusie

15. Ook wat eiseres overigens aanvoert leidt niet tot de conclusie dat verweerder de waarde te hoog heeft vastgesteld. Verweerder is dan ook in zijn bewijslast geslaagd.

16. Het beroep is ongegrond.”

6 Beoordeling van het geschil

6.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de restwaarden van de onroerende zaak niet te hoog heeft berekend. De in de Taxatiewijzer opgenomen bandbreedten voor de in aanmerking te nemen restwaarden kunnen niet tot bewijs dienen, omdat bij de totstandkoming van de Taxatiewijzer geen enkel onderzoek is gedaan naar de restwaarden en onderliggende gegevens waarop deze bandbreedten zijn gebaseerd dan ook ontbreken. Ook met de drie aangedragen referentieverkopen heeft de heffingsambtenaar volgens belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij de aan het einde van de verlengde levensduur in aanmerking te nemen restwaarden van de gebouwonderdelen niet te hoog heeft berekend. Verkoop 1 is na de verkoop verbouwd tot woningen waardoor de grondwaarde van dit object veel te laag is vastgesteld; verkoop 2 is in een andere provincie gelegen en is bovendien geschied in verhuurde staat, waardoor dit verkoopgegeven niet bruikbaar is omdat de verkoopprijs niet conform de zogenoemde waarderingsficties van de Wet WOZ is gecorrigeerd voor de verhuurde staat ervan; verkoop 3 is na de verkoop verbouwd tot een

privékliniek waardoor de bestemming niet meer maatschappelijk is, terwijl ook deze verkoopprijs gecorrigeerd had moeten worden naar de waarde vrij van huur en gebruik. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de restwaarde van de onroerende zaak nihil bedraagt, onder verwijzing naar het in eerste aanleg door haar overgelegde taxatierapport (zie 2.3). Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de vastgestelde waarde tot € 167.000.

6.2.

De heffingsambtenaar is van mening dat hij de restwaarden die bij het bepalen van de gecorrigeerde vervangingswaarde (hierna: GVW) van de onroerende zaak in aanmerking zijn genomen van respectievelijk 27% voor de ruwbouw, 22% voor de afbouw en 17% voor de installaties voldoende heeft onderbouwd. De bij de waardebepaling in aanmerking genomen verlengde levensduur van deze gebouwonderdelen is in de procedure na verwijzing niet langer in geschil. De genoemde restwaardepercentages vallen binnen de bandbreedten zoals die volgen uit de Taxatiewijzer Onderwijs , archetype [# 2] (hierna: de Taxatiewijzer ).

6.3.

De heffingsambtenaar stelt dat hij de bij het einde van de verlengde levensduur in aanmerking genomen restwaarden bovendien reeds voldoende heeft onderbouwd met de verkoopgegevens van drie voldoende vergelijkbare objecten. De heffingsambtenaar heeft verwezen naar de in het taxatierapport 2022 (en bijlage 1 bij dat taxatierapport) hierover opgenomen gegevens (zie 2.4 en 2.5). Het object dat door de rechtbank in haar uitspraak als onvoldoende bruikbaar is aangemerkt (Verkoop 1) is in het taxatierapport 2022 vervangen door een object dat wel voldoende vergelijkbaar is ( [straat 2] 23 te [plaats 2] ). Uit de gerealiseerde verkoopprijzen van de drie vergelijkingsobjecten volgt een gemiddelde restwaarde van 32,74%; daarmee is goed onderbouwd dat de gewogen restwaarde van 23,84% van de gebouwonderdelen zeker niet te hoog is vastgesteld, zo stelt de heffingsambtenaar. Hierbij is ook van belang dat de onroerende zaak na beëindiging van het gebruik als kinderdagverblijf voor andere doeleinden kan worden gebruikt, hetgeen inmiddels ook daadwerkelijk is gebleken (de onroerende zaak is in 2026 in gebruik bij een zorginstelling). De omstandigheid dat het vergelijkingsobject [straat 2] 23 te [plaats 2] na verkoop als kinderdagverblijf is verbouwd tot privékliniek, doet dan ook niets af aan de bruikbaarheid van dit marktgegeven. In bouwkundig opzicht wijkt het niet veel af van een kinderdagverblijf terwijl de bestemming bovendien ‘maatschappelijk’ heeft kunnen blijven. Voor een nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft de heffingsambtenaar verwezen naar zijn verweerschrift in hoger beroep en het taxatierapport 2022. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

6.4.

Bij zijn beoordeling stelt het Hof voorop dat in de procedure na verwijzing de bij het bepalen van de GVW door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen resterende levensduur van tien jaar voor de ruwbouw, vijf jaar voor de afbouw en vijf jaar voor de installaties van de onroerende zaak (“verlengde levensduur”) vaststaat; belanghebbende heeft geen cassatieberoep aangetekend tegen het oordeel hierover van het Gerechtshof Den Haag. Dit betekent dat de heffingsambtenaar tegenover de betwisting door belanghebbende – die stelt dat de restwaarde van de onroerende zaak nihil bedraagt – aannemelijk dient te maken dat de gebouwonderdelen aan het einde van de verlengde levensduur een restwaarde bereiken en dat deze restwaarden door hem niet te hoog zijn berekend.

6.5.

De heffingsambtenaar heeft voor de onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet is uitgegaan van te hoge restwaarden in de eerste plaats aangevoerd dat de in aanmerking genomen restwaardepercentages binnen de bandbreedten liggen van het toepasselijke archetype van de Taxatiewijzer . Hij heeft evenwel – ook in de procedure na verwijzing – geen onderliggende gegevens verstrekt waaraan deze bandbreedten zijn ontleend, terwijl belanghebbende bij zijn betwisting van de aan de Taxatiewijzer ontleende percentages op deze tekortkoming heeft gewezen. Aangezien in de onderhavige procedure geen enkel onderliggend gegeven is verstrekt, is het Hof van oordeel dat belanghebbende in dit geval niet de gelegenheid heeft gehad om effectief commentaar te leveren op de door haar bestreden kengetallen van de Taxatiewijzer met betrekking tot de restwaarden. Dit heeft tot gevolg dat het Hof deze kengetallen niet ten grondslag zal leggen aan zijn oordeel over de vraag of de heffingsambtenaar erin is geslaagd om aannemelijk te maken dat de restwaarden niet te hoog zijn berekend (vgl. HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234, r.o. 5.3).

6.6.

De heffingsambtenaar heeft bij zijn onderbouwing van de in aanmerking genomen restwaarden echter ook gewezen op de in bijlage 1 bij het taxatierapport 2022 vermelde verkoopgegevens van drie vergelijkingsobjecten, zoals vermeld onder 2.5. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met de door hem overgelegde gegevens en de daarop gegeven toelichting – ook in het licht van hetgeen belanghebbende daartegen heeft ingebracht – aannemelijk gemaakt dat deze drie objecten voldoende vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak; de omstandigheid dat de vergelijkingsobjecten niet in [plaats 1] of omgeving liggen, maakt op zich nog niet dat deze objecten onvoldoende vergelijkbaar zouden zijn. Voorts acht het Hof aannemelijk, gelet op de in het taxatierapport 2022 opgenomen toelichting over de aard van de onroerende zaak en de zich daarin bevindende installaties, dat de onroerende zaak aan het einde van de resterende levensduur voor andere doeleinden kan worden gebruikt en dat aan het einde van de verlengde levensduur de ruwbouw, afbouw en installaties een restwaarde bereiken die hoger is dan (zoals belanghebbende heeft gesteld, zie 2.3) enkel de sloopwaarde ervan. Met de in bijlage 1 bij het taxatierapport 2022 overgelegde berekeningen heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt, ook in het licht van hetgeen belanghebbende hiertegen heeft aangevoerd, dat de aan het einde van de resterende levensduur van de gebouwonderdelen in aanmerking genomen restwaarden (met een gewogen restwaarde van 23%) niet te hoog zijn berekend. Hierbij kent het Hof met name gewicht toe aan de verkoopgegevens en de daaruit afgeleide restwaardeberekening van 36% van het vergelijkingsobject [straat 2] 23 te [plaats 2] , dat is verkocht vrij van huur en gebruik en dat na de verkoop voor andere doeleinden is aangewend.

Slotsom

6.7.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

7 7. Kosten

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

8 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, F.J.P.M. Haas en E.A.G. van der Ouderaa, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »