ECLI:NL:RBDHA:2026:29183

Datum uitspraak
02-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.8409_v
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Uitspraak op verzet. Verzet is ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.8409 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposante] , opposante1

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: [gemachtigde]),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2026 in het geding tussen

opposante

en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard.

1.1.

De rechtbank heeft het verzet op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposante, de heer [naam] en T. Slimane als tolk. Namens de minister is verschenen mr. R.S. Helmus.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van

21 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel2 is dat het beroep

niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De uitspraak van 21 mei 2026

4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de gemachtigde van opposante niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn beroepsgronden heeft ingediend. Opposante is bij bericht van 16 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen, maar zij heeft dit niet tijdig gedaan.

Het verzetschrift

5. Opposante heeft bij brief van 1 juli 2026 een verzetschrift ingediend. Opposante voert in de eerste plaats aan dat moet worden vastgesteld of de brief van 16 februari 2026 digitaal op de juiste wijze is bekendgemaakt en genotificeerd in de zin van artikel 8:36c van de Awb3. Voor zover de hersteltermijn formeel is gaan lopen voert opposante aan dat sprake is van een bijzondere en concreet verifieerbare overdrachts- en taakverwerkingsfout, waardoor de termijn niet bij de behandelend advocaat terecht is gekomen. Het dossier van opposante is namelijk meerdere malen overgedragen of waargenomen.

Is de brief ‘Mededelen Verzuim’ van 16 februari 2026 op de juiste wijze bekendgemaakt en genotificeerd?

6. Op verzoek van de rechtbank heeft de ICT afdeling (IVO Rechtspraak) een technisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoeksrapport, dat op 2 september 2026 is gedeeld met partijen, volgt dat het bericht met als titel ‘mededelen verzuim’ op 16 februari 2026 succesvol aan het digitale dossier is toegevoegd en dat hiervan op de juiste wijze een notificatie naar het e-mailadres van de gemachtigde is verstuurd.

6.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van opposante verklaard dat hij naar aanleiding van het onderzoeksrapport zelf nog nader onderzoek heeft verricht en dat daaruit is gebleken dat de notificatie wel is ontvangen, maar is verwijderd. Mogelijk is dit gedaan door de voormalig gemachtigde van opposante in verband met een bij de rechtbank Rotterdam aanhangige beroepsprocedure van de zoon van opposante.

6.2.

De rechtbank stelt daarom vast dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat het bericht ‘mededelen verzuim’ op 16 februari 2026 in het digitale dossier is geüpload en dat de gemachtigde van opposante hiervan een notificatie heeft ontvangen.

Is het verzuim verschoonbaar?

7. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van die wet of aan enig ander bij die wet gestelde vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Volgens artikel 2.4, vierde lid, aanhef en onder c, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, zoals dit destijds luidde en voor zover hier van belang, vindt niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb slechts plaats, indien dit verzuim niet verschoonbaar is.

7.1.

Het staat vast dat opposante de gronden van haar beroep niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend. Een overschrijding van een dergelijke termijn leidt er in beginsel toe dat wordt geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is. Daartoe bestaan, uit een oogpunt van ordelijke procesvoering, ook goede redenen. Dit kan bijvoorbeeld anders zijn wanneer sprake is van een bijzonder samenstel van uitzonderlijke omstandigheden.4 Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat wanneer iemand – zoals in dit geval – is bijgestaan door een professionele gemachtigde de lat hoger ligt dan bij iemand die zonder gemachtigde procedeert.5

7.2.

Van bijzondere omstandigheden is in dit geval geen sprake. De rechtbank begrijpt dat er in een juridische praktijk soms iets mis kan gaan. Waar mensen werken, kunnen fouten worden gemaakt. Dit maakt echter niet dat het vergeten in te dienen van de beroepsgronden, ook al stelt opposante dat dit te maken had met de opeenvolgende wisselingen van medewerkers die zich met haar dossier bezig hielden, bijzonder is in voornoemde zin en niet voor rekening en risico van opposante mocht worden gelaten. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de behandeling van het dossier van opposante binnen hetzelfde advocatenkantoor is gebleven en enkel is overgedragen tussen en waargenomen door kantoorgenoten. Het is vervolgens aan de professioneel gemachtigden om het dossier en bijbehorende termijnen op een correcte wijze over te dragen. Dat tegelijkertijd ook een zaak in Rotterdam aanhangig was van de zoon van opposante en dat de voormalig gemachtigde daardoor misschien de notificatie heeft verwijderd, zoals opposante ter zitting heeft aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. Ook het belang van opposante zoals dit is aangevoerd verandert dit oordeel niet. Opposante heeft de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen.

Conclusie en gevolgen

8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 21 mei 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.M. Timmerman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »