ECLI:NL:GHAMS:2026:2061

Datum uitspraak
28-07-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.365.097/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

zorgregeling. Artikel: 1:253a lid 4 BW

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.365.097/01

zaaknummer rechtbank: C/15/366580 / FA RK 25-3076

beschikking van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. F.D. van Damme te Beverwijk,

en

[de vader] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. W.N. Sardjoe te Den Haag.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna: de raad.

1 De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige] (3 jaar). De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige] – kort gezegd – op maandag, dinsdag en woensdag overdag en eenmaal per veertien dagen een weekend bij de moeder is. De moeder is het daarmee niet eens en wil dat [minderjarige] op maandag en dinsdag ook bij haar blijft overnachten en dat de vader haar dan op woensdagmiddag bij haar ophaalt. Daarnaast wil zij dat de proceskosten gecompenseerd worden. De vader is het wel eens met de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

De moeder is op 17 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).

2.2

De vader heeft op 10 april 2026 een verweerschrift ingediend.

2.3

De zitting heeft op 15 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,

- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.

De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2022 te [gemeente] .

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .

3.2

[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vader.

3.3

Partijen hebben toen zij uit elkaar gingen afgesproken dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vader en zij hebben een zorgregeling afgesproken, waarbij [minderjarige] bij de moeder is op maandag en dinsdag van 07.30 uur tot 19.00 uur, op woensdag van 07.30 tot 17.00 uur en eenmaal in de veertien dagen op zaterdag en zondag (zonder overnachting).

3.4

De moeder heeft omstreeks half maart 2025 de zorgregeling eenzijdig beëindigd en [minderjarige] na de omgang niet teruggebracht naar de vader.

3.5

De vader heeft in juni 2025 in kort geding afgifte van [minderjarige] aan hem gevorderd alsmede dat [minderjarige] voorlopig aan hem zou worden toevertrouwd in afwachting van een eventuele bodemprocedure.

3.6

De voorzieningenrechter heeft op 4 juni 2025 mondeling uitspraak gedaan en beslist dat de moeder [minderjarige] aan de vader moest afgeven, met machtiging van de vader om die afgifte zo nodig te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm en op straffe van een dwangsom. Ook is [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de vader.

3.7

De moeder heeft naar aanleiding van dit vonnis [minderjarige] weer afgegeven aan de vader. Vervolgens hebben partijen de eerdere zorgregeling weer hervat.

4 De omvang van het hoger beroep

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld, waarbij [minderjarige] :

- op maandag en dinsdag van 7.30 uur tot 19.00 uur en op woensdag van 7.30 uur tot 17.00 uur bij de moeder verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] ophaalt bij de vader en [minderjarige] ook weer terugbrengt naar de vader;

- eenmaal per veertien dagen van zaterdag 9.30 uur tot zondag 19.00 uur bij de moeder verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag naar de moeder brengt en de moeder haar op zondag terugbrengt naar de vader.

4.2

De moeder heeft bij appelschrift verzocht:

- primair: de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze de doordeweekse zorgregeling betreft en te bepalen dat [minderjarige] op de doordeweekse dagen bij de moeder verblijft van maandag 7.30 uur tot donderdag 7.30 uur, met drie overnachtingen (op maandag-, dinsdag- en woensdagnacht), waarbij de moeder [minderjarige] op maandagochtend ophaalt en op donderdagochtend bij de vader terugbrengt;

- subsidiair: de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze de doordeweekse zorgregeling betreft en een gefaseerde opbouw vast te stellen, waarbij in de eerste drie maanden [minderjarige] van maandag 7.30 uur tot woensdag 7.30 uur bij de moeder verblijft (twee overnachtingen) en daarna uitbreiding plaatsvindt naar maandag 7.30 uur tot donderdag 7.30 uur (drie overnachtingen);

- primair en subsidiair: de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij:

- primair verzoekt te bepalen dat de drie doordeweekse verblijfdagen bij haar worden aangevuld met overnachtingen, waarbij zij [minderjarige] op maandagochtend bij de vader ophaalt en de vader [minderjarige] op woensdagmiddag bij de moeder ophaalt;

- subsidiair verzoekt een door het hof in goede justitie te bepalen zorgregeling te bepalen;

- verzoekt de proceskosten te compenseren aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

4.3

De vader verzoekt het hoger beroepschrift van de moeder niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader

5.1

Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten – voor zover hier van belang – een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als hiervoor onder 5.1 bedoeld.

De standpunten

5.3

De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte voor de doordeweekse dagen geen overnachtingen van [minderjarige] bij haar heeft vastgesteld, terwijl - op grond van het advies van de raad inhoudende dat het heen en weer gaan zonder overnachting tot onrust leidt voor [minderjarige] - voor de weekendregeling wel overnachtingen zijn toegestaan. De beslissing van de rechtbank is dus innerlijk tegenstrijdig en niet in het belang van [minderjarige] . Het gevolg hiervan is dat [minderjarige] doordeweeks zes keer tussen de ouders moet worden vervoerd, waardoor zij op die dagen meer belast wordt dan in het weekend. Deze regeling is voor een kind van drie jaar verwarrend en ondermijnt de voorspelbaarheid, stabiliteit en continuïteit. De overwegingen van de raad in eerste aanleg worden ondersteund door wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van jonge kinderen. De moeder mist nu doordeweeks de natuurlijke rustmomenten van [minderjarige] (waaronder het naar bed brengen, slapen en ontwaken), welke momenten belangrijk zijn voor hun band. Als [minderjarige] doordeweeks bij de moeder overnacht, neemt het aantal vervoersmomenten af, is de kans op fricties bij de overdracht kleiner en wordt de haal- en brengregeling vereenvoudigd, helder, overzichtelijk en meer voorspelbaar. Dit brengt ook meer evenwicht in de verantwoordelijkheden van beide ouders, nu zij dan allebei één vervoersmoment per week voor hun rekening nemen. Bovendien beperkt de aanvulling met overnachtingen het contact tussen de vader en [minderjarige] niet substantieel en betreft deze aanvulling geen ingrijpende wijziging van de zorgregeling. De moeder stelt, onder verwijzing naar jurisprudentie, dat wisselmomenten voor kinderen beladen kunnen zijn, vooral wanneer de verhoudingen tussen de ouders gespannen zijn, en dat doordeweeks contact niet alleen overdag maar juist ook ’s ochtends en ’s avonds van betekenis is voor de ouder-kindrelatie. Daarnaast wordt in de jurisprudentie het belang van duidelijkheid in de haal- en brengregeling benadrukt en wordt aangegeven dat een toekomst met zoveel mogelijk stabiliteit en continuïteit in het belang van het kind is en dat voor jonge kinderen rust en voorspelbaarheid essentieel is.

5.4

De vader stelt dat hij, sinds de ouders uit elkaar zijn, meermaals heeft geprobeerd om een communicatietraject met de moeder te starten, maar dat zij dit weigert. De slechte communicatie tussen hen belemmert een uitbreiding van de zorgregeling. De moeder geeft geen inzage in haar (op het oog) instabiele woonsituatie. Miskend wordt dat als daarover geen communicatie mogelijk is, een ruimere zorgregeling niet aan de orde is, nu iedere uitbreiding gepaard zal moeten gaan met (vormen van) communicatie. Het gezamenlijk gezag leidt tot meer conflicten en de moeder zoekt de strijd op. Nieuwe procedures kunnen niet worden uitgesloten. Het heen en weer gaan van een jong kind wordt in de door de moeder aangehaalde wetenschappelijke literatuur niet bestempeld als slecht voor het kind. Het is (onjuist) geïnterpreteerd dat dat de continuïteit zou verstoren. Dat de verhouding tussen de ouders gespannen is, is te wijten aan de houding van de moeder. Elke zorgregeling (die gepaard gaat met meerdere wisselingen of overnachtingen) lijdt onder spanningen. Indien een vader op grond van hetzelfde feitencomplex niet bereid is aan de moeder aan te geven hoe hij woont, krijgt hij zijn kind niet te zien, althans niet met een overnachting zoals de moeder nu wel heeft in het weekend. Het toekennen van overnachtingen in het weekend is in strijd met de eerder tussen de ouders overeengekomen zorgregeling. Een procedure bij het hof is juridisch gezien in dit geval niet de geëigende route om een uitgebreidere zorgregeling af te dwingen. Dat een jong kind regelmatig contact moet hebben met beide ouders ligt ook besloten in de eerder tussen partijen overeengekomen en in de door de rechtbank vastgestelde regeling. Het is een feit van algemene bekendheid dat het juist goed is dat er kort en frequent contact is met beide ouders. De vader is in dit geval de primaire hechtingsfiguur. Dat betekent dat een zorgregeling niet zonder meer nog verder kan worden uitgebreid dan de rechtbank in eerste aanleg al heeft gedaan. De vader heeft in eerste aanleg voldoende onderbouwd dat hij met zijn werk en zijn andere twee kinderen niet in staat is het halen en brengen te delen. Verder stelt de vader dat de moeder hem beschuldigt van huiselijk geweld en bedreiging, maar dat daarvoor geen bewijs is.

Het advies van de raad

5.5

De raad heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat geen van de door de ouders verzochte zorgregelingen ideaal is voor [minderjarige] . Als [minderjarige] vier jaar is en naar school gaat, dan zal zij vermoeid zijn van school als zij thuiskomt en rust is dan het belangrijkst voor haar. Het is een enorme belasting voor [minderjarige] (als driejarige) om te voelen dat de ouders elkaar niet mogen en niet met elkaar praten, terwijl zij meermaals per week heen en weer moet tussen hen. De raad maakt zich zorgen over [minderjarige] . Tijdens de zitting in eerste aanleg heeft de raad Parallel Solo Ouderschap (hierna: PSO) geadviseerd. De moeder wil niet met de vader om de tafel en er is geen mogelijkheid om dat af te dwingen. Een PSO-traject zou betekenen dat de ouders zich richten op hun eigen opvoeding. De raad heeft eerder aangegeven dat het in het belang van [minderjarige] is dat de ouders afspraken met elkaar maken en dat zij stappen naar elkaar toe zetten. Er moeten veel zaken geregeld worden. Zo moet er bijvoorbeeld een passende school voor [minderjarige] gevonden worden. De raad is van mening dat de huidige zorgregeling te belastend is (en juist ook nog zal zijn vanaf november 2026) voor [minderjarige] . De ouders moeten samen een regeling overeenkomen. [minderjarige] zal met extra overnachtingen bij de moeder meer tot rust komen bij de moeder thuis. Bovendien is het belangrijk dat [minderjarige] ook in staat is de dagelijkse rituelen bij de andere ouder te ervaren. Een andere mogelijkheid zou zijn dat [minderjarige] bijvoorbeeld drie van de vier weekenden bij de moeder is, zodat ze minder hoeft te reizen tussen school en thuis. [minderjarige] wordt momenteel belast met de reisbewegingen. Als de raad onmiddellijk kon starten met een onderzoek, dan zou de raad dat voorstellen, maar het duurt zes maanden voordat de raad kan starten met een onderzoek en tegen die tijd gaat [minderjarige] al naar school. De raad adviseert om een onderzoek te doen naar de zorgregeling en een tijdelijke zorgregeling vast te stellen, waarbij de reisbewegingen zoveel mogelijk beperkt worden.

De beoordeling

5.6

Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing over de zorgregeling te nemen, zodat geen aanleiding bestaat hierover een raadsonderzoek te gelasten, zoals de raad ter zitting in hoger beroep heeft aangeboden. Daarbij overweegt het hof dat een onderzoek van de raad, gelet op de huidige wachttijden bij de raad voor een dergelijk onderzoek, te lang op zich zou laten wachten. [minderjarige] zal in november 2026 voor het eerst naar school gaan en het hof acht het in haar belang dat er duidelijkheid komt over de zorgregeling. Het hof zal de raad daarom niet verzoeken een raadsonderzoek uit te voeren.

5.7

Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan, zijn zij een zorgregeling overeengekomen, waarbij [minderjarige] bij de moeder verblijft op maandag en dinsdag van 07.30 uur tot 19.00 uur, op woensdag van 07.30 tot 17.00 uur en eenmaal in de veertien dagen op zaterdag en zondag (zonder overnachting). Deze zorgregeling is grotendeels uitgevoerd, totdat de moeder naar [plaats C] verhuisde.

5.8

Op dit moment wordt de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling uitgevoerd. Die regeling houdt in dat [minderjarige] op maandag en dinsdag van 7.30 uur tot 19.00 uur en op woensdag van 7.30 uur tot 17.00 uur bij de moeder verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] ophaalt bij de vader en haar ook weer terugbrengt naar de vader. Daarnaast verblijft [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van zaterdag 9.30 uur tot zondag 19.00 uur bij de moeder, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag naar de moeder brengt en de moeder haar op zondag terugbrengt naar de vader. Naar het oordeel van het hof bestaat deze zorgregeling, mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , uit te veel doordeweekse wisselmomenten voor haar. Met de raad acht het hof de huidige zorgregeling, waarbij [minderjarige] en de moeder zes reisbewegingen maken in drie achtereenvolgende doordeweekse dagen, dan ook te belastend voor [minderjarige] . Te verwachten is dat [minderjarige] met doordeweekse overnachtingen bij de moeder meer tot rust zal komen. Rust en voorspelbaarheid zijn voor [minderjarige] het komende half jaar van groot belang, nu zij vanaf november 2026 (voor het eerst) naar school zal gaan en dit een grote verandering voor haar zal zijn. Gelet op het voorgaande acht het hof de door de moeder verzochte zorgregeling op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] . Daarnaast is niet gebleken dat er contra-indicaties zijn voor doordeweekse overnachtingen bij de moeder. Vast is komen te staan dat de moeder in december 2025 is verhuisd naar een (eigen) woning in [plaats A] en van een (door de vader gestelde) instabiele woonsituatie van de moeder lijkt dan ook geen sprake meer te zijn. Het hof zal het verzoek van de moeder toewijzen en een zorgregeling vaststellen waarbij [minderjarige] van maandag 7.30 uur tot en met woensdag 17.00 uur bij de moeder verblijft. Voor zover de vader heeft aangevoerd dat hij met zijn werk en zijn twee andere kinderen niet in staat is het halen en brengen van [minderjarige] te delen, overweegt het hof als volgt. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verklaard dat zijn dochters [dochter 1] en [dochter 2] niet bij hem wonen, maar bij hun moeders. Daarnaast is ter zitting gebleken dat de vader flexibele werktijden heeft en op woensdag tussen 16.00 uur en 17.00 uur thuis komt van zijn werk. Deze omstandigheden staan naar het oordeel van het hof dan ook niet in de weg aan een haal- en brengregeling die gedeeld wordt door de ouders. Bovendien is gebleken dat de vader, anders dan de moeder, over een auto beschikt. Het hof zal daarom vaststellen dat de moeder [minderjarige] op maandagochtend bij de vader ophaalt en de vader [minderjarige] op woensdagmiddag bij de moeder ophaalt. Daarbij overweegt het hof dat met een dergelijke regeling aan [minderjarige] door de ene ouder emotionele toestemming wordt gegeven om naar de andere ouder te mogen gaan.

5.9

Partijen hebben zich bij deze stand van zaken nog niet kunnen uitlaten over de door de rechtbank bepaalde weekendregeling, waarbij [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van zaterdag 09.30 uur tot zondag 19.00 uur bij de moeder verblijft. Gelet op het vooroverwogene zou dit betekenen dat de moeder [minderjarige] op zondag om 19.00 uur bij de vader zou terugbrengen, waarna zij de volgende ochtend om 07.30 weer door de moeder zou worden opgehaald.

Partijen zal de gelegenheid worden geboden, als na te melden, om zich uit te laten over een/de weekendregeling.

5.10

Ten overvloede overweegt het hof dat gebleken is dat de communicatie tussen de ouders ernstig is verstoord. Veilig Thuis en de raad hebben de ouders geadviseerd te starten met een PSO-traject. Vast is komen te staan dat de vader (eerst) graag een communicatietraject met de moeder wil starten voordat gestart wordt met een PSO-traject. De moeder wenst echter geen één-op-één contact met de vader te hebben. Wel is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de moeder bij Veilig Thuis heeft aangegeven dat zij achter een aanmelding voor een PSO-traject staat en daaraan zal meewerken. Met de raad is het hof van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de ouders afspraken met elkaar maken over haar. Het hof acht het dan ook van belang dat de ouders investeren in een wijze van communiceren die voor hen werkt. Mogelijk is een PSO-traject in dat kader passend voor hen.

5.11

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

Het hof:

alvorens te beslissen:

stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten als vermeld in rechtsoverweging 5.9, de moeder uiterlijk 11 augustus 2026, waarna de vader zich uiterlijk 25 augustus 2026 kan uitlaten;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. H.A. van den Berg en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 28 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »