ECLI:NL:GHAMS:2020:707

Datum uitspraak
17-01-2020
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
000980-19
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Zaaksbegrip artikel 530 en 533 Sv.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

rekestnummer(s): 000980-19 (533 Sv) en 000981-19 (530 Sv)

parketnummer in eerste aanleg: 13/654035-18 en 13/689002-19

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2019 op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 89 oud en 591a oud van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1995,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. N.N. Nunnikhoven,

[adres].

1 Procesverloop

Het hoger beroep is op 4 juli 2019 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormelde parketnummers en heeft op 19 december 2019 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet verschenen.

2 Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:

  1. schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met parketnummer 13/654035-18 ten bedrage van € 18.020,00;

  2. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 280,00, vermeerderd met € 280,00 voor het hoger beroep.

3 Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.

De rechtbank heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant in de gevoegde strafzaken met voormelde parketnummers is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

De raadsman heeft aangevoerd dat appellant weliswaar voor een aantal (relatief geringe) zaken is veroordeeld, maar dat hij is vrijgesproken van het feit waarvoor hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank – conform vaste jurisprudentie – een juiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘zaak’ als bedoeld in artikel 89 (oud) Sv en zal het hoger beroep afwijzen. Nu de verzoeker, bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman, in het licht van deze vaste jurisprudentie het verzoek nodeloos heeft ingediend acht het hof evenmin gronden van billijkheid aanwezig voor vergoeding op grond van artikel 591a Sv van de kosten die met het verzoekschrift samenhangen.

Het hoger beroep zal dus worden afgewezen.

4 Beslissing

Het hof:

Wijst het hoger beroep af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M.J.A. Plaisier en P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 17 januari 2020.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »