Hoofdstuk 20. Algemene overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20.1

Lid 1

In afwijking van de in artikel 9.3 vervatte procedure geldt, voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde voor elk van de in artikel 9.1, eerste lid, onderdeel c, bedoelde openbare elektronische communicatiediensten of voorzieningen KPN B.V. als een krachtens artikel 9.2 aangewezen aanbieder.

Lid 2

Aan de uit het vorige lid voortvloeiende verplichting voor KPN B.V. om de in artikel 9.1, eerste lid, onderdeel c, bedoelde openbare elektronische communicatiediensten en voorzieningen te verzorgen komt een einde een jaar na het tijdstip waarop:

  1. KPN B.V. Onze Minister schriftelijk heeft medegedeeld een verplichting tot verzorging van een bepaalde dienst of voorziening niet langer te willen nakomen, of

  2. Onze Minister schriftelijk aan KPN B.V. heeft medegedeeld dat een verplichting tot verzorging van een bepaalde dienst of voorziening niet langer bestaat.

Artikel 20.2

Lid 1

Een vergunning die is verleend krachtens artikel 13a, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen wordt gelijkgesteld met een vergunning, verleend krachtens artikel 3.3, eerste lid.

Lid 2

Voor de houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid blijft het bepaalde bij of krachtens de artikelen 13c, 13g, met dien verstande dat in het eerste lid, onderdeel a, vervalt «waaronder technische aftapbaarheid», 13j, 13k, met uitzondering van het zevende lid, en met dien verstande dat de tweede volzin van het zesde lid komt te luiden: De in de eerste volzin bedoelde besluiten van Onze Minister zijn gelijk ten aanzien van alle vergunningen die voor hetzelfde technische systeem op hetzelfde tijdstip zijn verleend., 13l, 13n, 13t, voorzover het betreft de verwijzing naar artikel 11, eerste tot en met derde lid, en vijfde tot en met zevende lid, 13v, 13x en 13y van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen van toepassing.

Artikel 20.2a

Lid 1

Vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte die zijn verleend op grond van artikel 3.3 van deze wet en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A van de wet van 10 mei 2012 houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota frequentiebeleid 2005 (Stb. 2013, 48) dan wel vergunningen of machtigingen die daarmee op grond van artikel 20.2, onderscheidenlijk 20.3 zijn gelijkgesteld, blijven van kracht voor de periode waarvoor zij zijn verleend.

Lid 2

Het gebruik van frequentieruimte dat voor de daarin bedoelde taken was toegestaan op grond van artikel 3.4, eerste lid, onder b, en tweede lid, van deze wet en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A van de wet van 10 mei 2012 houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota frequentiebeleid 2005 (Stb. 2013, 48), blijft, onder de op grond van bovenbedoelde bepalingen aan het gebruik verbonden voorschriften en beperkingen, toegestaan tot het tijdstip waarop op grond van artikel 3.5 opnieuw door Onze Minister frequentieruimte wordt toegewezen.

Lid 3

Artikel 3.3a van deze wet, en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A van de wet van 10 mei 2012 houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota frequentiebeleid 2005 (Stb. 2013, 48) blijven van toepassing ten aanzien van vergunningen die zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wet. De eerste volzin is niet langer van toepassing ten aanzien van de daarin genoemde vergunningen indien de looptijd van die vergunningen wordt verlengd na het tijdstip van inwerkingtreding van genoemde wet.

Lid 4

Het frequentieplan zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A van de wet van 10 mei 2012 houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota frequentiebeleid 2005 (Stb. 2013, 48) blijft van kracht tot het tijdstip waarop een nieuw frequentieplan is vastgesteld op grond van artikel 3.1 zoals dat luidt na inwerkingtreding van die wet.

Lid 5

Op aanvragen om vergunningen, die zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de wet van 10 mei 2012 houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota frequentiebeleid 2005 (Stb. 2013, 48), wordt beslist met toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van genoemd artikel.

Lid 6

In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid, wordt op aanvragen om vergunningen die zijn ingediend in het kader van een procedure die is gestart met een keuze als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van deze wet zoals dat artikel luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de wet van 10 mei 2012 houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota frequentiebeleid 2005 (Stb. 2013, 48), die is bekend gemaakt vóór het tijdstip van inwerkingtreding van genoemd artikel, beslist met toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden vóór dat tijdstip, ongeacht of die aanvragen zijn ingediend vóór of na dat tijdstip.

Lid 7

Op een bezwaar of een beroep dat is gemaakt, onderscheidenlijk is ingesteld, tegen een besluit dat is genomen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de wet van 10 mei 2012 houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota frequentiebeleid 2005 (Stb. 2013, 48), blijven, ongeacht of dat bezwaar of dat beroep is gemaakt, onderscheidenlijk is ingesteld, vóór of na het tijdstip van inwerkingtreding van genoemd artikel, deze wet en de daarop berustende bepalingen van toepassing zoals die luidden vóór dat tijdstip.

Lid 8

Na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de wet van 10 mei 2012 houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota frequentiebeleid 2005 (Stb. 2013, 48), berust:

  1. het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie op de artikelen 3.22, eerste lid, en 13.4, tweede lid, van deze de wet;

  2. het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken op artikel 3.25, eerste lid, van deze wet;

  3. het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering op de artikelen 126m, negende lid en 126ee van het Wetboek van Strafvordering en artikel 3.22 van deze wet;

  4. de Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning 2008 mede op artikel 3.9 van deze wet en op de artikelen 2, derde lid, 3, tweede lid, 4, eerste en derde lid, 5, tweede, vierde en vijfde lid, en 10, eerste en tweede lid, van het Frequentiebesluit 2009;

  5. de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte IVD alsmede de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie op artikel 3.22 van deze wet;

  6. de Regeling aanvraagprocedure en veiling gebruiksrechten frequentieruimte voor digitale omroep alsmede vaststelling van een maximum aan te verwerven digitale omroepfrequentieruimte mede op artikel 3.11 van deze wet.

Artikel 20.3

Lid 1

Een machtiging die is verleend krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen wordt gelijkgesteld met een vergunning, verleend krachtens artikel 3.3, eerste lid.

Lid 2

De toekenning van radio-frequenties krachtens artikel 3, tweede lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen aan de houder van de concessie wordt gelijkgesteld met een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid.

Lid 3

Voorzover bij een machtiging die is verleend krachtens artikel 21 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen radiofrequenties zijn toegekend, wordt deze toekenning van radiofrequenties gelijkgesteld met een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid.

Lid 4

Een vergunning als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, geldt voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt al naar gelang de toepassing waarvoor de vergunning is verleend.

Lid 5

Het bepaalde in artikel 3.3, zevende lid, alsmede het bepaalde in artikel 3.3a, achtste lid, is slechts van toepassing op de uitgifte van vergunningen volgende op de verlening van vergunningen die heeft plaatsgevonden na 27 juli 2001.

Artikel 20.4

Apparaten die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in gebruik zijn bij de houder van de concessie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, ten dienste van de uitoefening van de aan de houder van de concessie opgedragen taken, worden, voorzover deze niet voldoen aan het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 10 van deze wet, geacht te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 10.

Artikel 20.4a

Lid 1

Uitrusting die voldoet aan de bij of krachtens de Telecommunicatiewet vastgestelde regels met betrekking tot de elektromagnetische compatibiliteit die van kracht waren op 19 juli 2007, mag in afwijking van artikel 10.1 van de Telecommunicatiewet, tot 20 juli 2009 in de handel worden gebracht of worden verhandeld.

Lid 2

Het bepaalde in het eerste lid is slechts van toepassing voorzover de daar bedoelde uitrusting voldoet aan bij of krachtens de Telecommunicatiewet gestelde regels die niet zien op elektromagnetische compatibiliteit.

Artikel 20.4b

Lid 1

Uitrusting die voldoet aan de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels die van kracht waren op 19 april 2016, mag in afwijking van artikel 10.1, op de markt worden aangeboden en in gebruik worden genomen indien die uitrusting vóór 20 april 2016 in de handel is gebracht.

Lid 2

Radioapparaten, die voldoen aan de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels met betrekking tot de essentiële eisen waaraan de radioapparaten moeten voldoen die van kracht waren op 12 juni 2016, mogen in afwijking van artikel 10.1 op de markt worden aangeboden en in gebruik worden genomen indien die radioapparaten vóór 13 juni 2017 in de handel zijn gebracht.

Artikel 20.5

Lid 1

Met betrekking tot de instandhouding, de verplaatsing en de opruiming van kabels en kabelwerken, voorzover de kabels en kabelwerken zijn aangelegd met toepassing van hoofdstuk VI van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen is hoofdstuk 5 van deze wet van toepassing met dien verstande, dat kabels en kabelwerken, aangelegd in en op openbare gronden als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, onder 3°, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen worden gelijkgesteld met kabels, aangelegd in en op openbare gronden als bedoeld in artikel 1.1, van deze wet.

Lid 2

In afwijking van de artikelen 5.2, negende lid, en 5.15 geldt voor kabels, ondergrondse ondersteuningswerken of beschermingswerken in of op openbare gronden, waarin of waarop geen fysieke geleidingsdraden bestemd voor de rechtstreekse overdracht van signalen tussen punten zijn aangebracht, die zijn aangelegd met het oogmerk deel uit te maken van doch op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met een herziening van het nationale beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken (Stb. 2007, 16) niet in gebruik zijn ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, een gedoogplicht totdat een redelijk verzoek tot opruimen is gedaan, tenzij de instandhouding van deze voorzieningen de instandhouding van andere reeds in de grond aanwezige werken in gevaar brengt of ernstig hindert. De aanbieder meldt aan degene op wie de gedoogplicht rust schriftelijk op welke netwerkvoorziening de gedoogplicht betrekking heeft. Daarvan doet hij tevens mededeling aan burgemeester en wethouders van de gemeente binnen wier grondgebied de netwerkvoorziening is gelegen.

Artikel 20.6

Lid 1

Een nummerplan vastgesteld krachtens artikel 40d van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen wordt gelijkgesteld met een nummerplan als bedoeld in deze wet.

Lid 2

De toekenning of reservering van nummers, bedoeld in artikel 17, elfde lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, de toekenning of reservering van nummers alsmede de wijziging daarvan, bedoeld in artikel 40d van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, de toekenning van nummers als bedoeld in artikel 40e van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, alsmede de toekenning van nummers, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur, worden gelijkgesteld met een reservering, toekenning of wijziging als bedoeld in hoofdstuk 4 van deze wet.

Artikel 20.7*

Op grond van artikel 6.3a, eerste lid, kan slechts een verplichting worden opgelegd aan een aanbieder die beschikt over een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die:

  1. is verleend ingevolge een uitgifte waarvoor het besluit, bedoeld in artikel 3.10, derde lid, is vastgesteld na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.3a;

  2. is verlengd ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het Frequentiebesluit 2013, dat is vastgesteld na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.3a;

  3. is verleend op grond van artikel 3.8a na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.3a;

  4. is verlengd op grond van artikel 18, zevende lid, van het Frequentiebesluit 2013, na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.3a;

  5. is verleend ingevolge een uitgifte waarvoor het besluit, bedoeld in artikel 3.10, derde lid, is vastgesteld op of voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.3a indien in dat besluit is bepaald dat die vergunningen worden verleend onder de beperking dat na inwerkingtreding van artikel 6.3a een verplichting op grond van dat artikel kan worden opgelegd;

  6. is verlengd ingevolge een besluit, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het Frequentiebesluit 2013, dat is vastgesteld op of voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.3a indien in dat besluit is bepaald dat die vergunningen worden verlengd onder de beperking dat na inwerkingtreding van artikel 6.3a een verplichting op grond van dat artikel kan worden opgelegd.

Artikel 20.7

Artikel 11.7, vierde lid, onderdeel a, is niet van toepassing op contactgegevens die de verzender heeft verzameld vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 februari 2021 tot wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met het invoeren van een opt-in-systeem voor het overbrengen van communicatie voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden aan natuurlijke personen.

Artikel 20.8

Vervallen

Artikel 20.9

Vervallen

Artikel 20.10

Vervallen

Artikel 20.11

Lid 1

De rechthebbende op of de beheerder van gronden is verplicht te gedogen dat ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken kabels, die voor de inwerkingtreding van de wet, houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met een herziening van het nationale beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken (Stb. 2007, 16), boven deze gronden zijn aangelegd, worden instandgehouden of opgeruimd. De eerste volzin is tevens van toepassing op de bij de kabels behorende bovengrondse ondersteuningswerken.

Lid 2

De artikelen 5.3 tot en met 5.8, 5.10, 5.13 en 5.14 van deze wet zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde kabels en ondersteuningswerken.

Lid 3

Artikel 5.8 van de Telecommunicatiewet, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet, houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met een herziening van het nationale beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken, is van toepassing op de instandhouding van de in het eerste lid bedoelde kabels en ondersteuningswerken.

Artikel 20.12

Vervallen

Artikel 20.13

Vervallen

Artikel 20.14

Vervallen

Artikel 20.15

Lid 1

Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit krachtens de Wet op de telecommunicatievoorzieningen dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing.

Lid 2

Ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt onderscheidenlijk is ingesteld, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing.

Lid 3

Ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt onderscheidenlijk is ingesteld en dat is gericht tegen een besluit waartegen voor dat tijdstip eveneens bezwaar is gemaakt onderscheidenlijk beroep is ingesteld, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing.

Artikel 20.15a

Lid 1

Dit artikel is van toepassing op aanvragen, samenwerkingsprotocollen, archiefbescheiden en registergegevens, die tot onderwerp hebben certificatiedienstverleners of gekwalificeerde certificaten als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I van de Wet van 21 december 2016 tot wijziging van de Telecommunicatiewet, de Boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene wet bestuursrecht, alsmede daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten in verband met de uitvoering van EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten (uitvoering EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten) (Stb. 2017, 13).

Lid 2

Aanvragen ingediend bij de Autoriteit Consument en Markt, waarop nog geen besluit is genomen op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de wet, aangehaald in het eerste lid, worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding aangemerkt als aanvragen, ingediend bij Onze Minister.

Lid 3

In samenwerkingsprotocollen treedt op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de wet, aangehaald in het eerste lid, Onze Minister in de plaats van de Autoriteit Consument en Markt.

Lid 4

Archiefbescheiden van de Autoriteit Consument en Markt en aanvragen als bedoeld in het tweede lid, worden overgedragen aan Onze Minister, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Lid 5

Gegevens in het register, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I van de wet, aangehaald in het eerste lid, worden overgedragen aan Onze Minister.

Artikel 20.16

Vervallen

Artikel 20.16a

Lid 1

Op nummers die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met het vaststellen van nadere bepalingen over het gebruik van nummers ter bescherming van de consument zijn gereserveerd blijven de artikelen 4.4, 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van genoemde wet van toepassing tot het tijdstip dat de reservering is beëindigd.

Lid 2

Nummerhouders registreren binnen zes maanden na de inwerkingtreding van artikel 4.9, derde lid, onderdeel b, de nummergebruikers. De nummergebruiker krijgt het nummer op de dag van registratie door de nummerhouder van rechtswege in gebruik door de nummerhouder.

Lid 3

Op klachten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met het vaststellen van nadere bepalingen over het gebruik van nummers ter bescherming van de consument zijn ingediend bij een erkende instelling, bedoeld in artikel 4.11 van de Telecommunicatiewet, blijven de regels van toepassing die golden ten tijde van de indiening van de klacht.

Artikel 20.16b

Indien dat later is dan het tijdstip bedoeld in artikel 14a.4, vijfde lid, wordt, in afwijking van die bepaling, een verbod als bedoeld in artikel 14a.4, eerste lid, opgelegd binnen acht maanden na inwerkingtreding van artikel 14a.4 van deze wet.

Artikel 20.16c

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel 14a.4, eerste lid, van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van hoofdstuk 14a van deze wet in de praktijk.

Artikel 20.17

De Autoriteit Consument en Markt verstrekt BEREC uiterlijk op 21 december 2021 een afschrift van de ontvangen mededelingen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, gedaan voor 21 december 2020.

Artikel 20.18

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tot twee jaar na inwerkingtreding van deze wet, in gevallen waarin deze wet niet voorziet, regels worden gesteld met betrekking tot de invoering van artikelen van deze wet of onderdelen daarvan.

Artikel 20.19

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 20.20

Deze wet wordt aangehaald als: Telecommunicatiewet.