Artikel 616 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Lid 1
Ingeval van geschil over een krachtens vonnis of beschikking te stellen zekerheid wordt daarover op vordering van de meest gerede partij in kort geding beslist door de voorzieningenrechter van de rechtbank, door wie of door wiens college de zaak in eerste aanleg is behandeld, of, in geval van een arbitraal vonnis, van de rechtbank van het arrondissement waarin de plaats van de arbitrage is gelegen.
Lid 2
Gaat het om een vonnis of beschikking van de kantonrechter, dan wordt de vordering voor deze ingesteld. Gaat het om een uitspraak van een gerechtshof in eerste aanleg, dan wordt de vordering ingesteld voor de voorzieningenrechter van de rechtbank die naar de gewone regels in eerste aanleg bevoegd zou zijn.
Lid 3
Zowel de rechter die het vonnis of de beschikking, bedoeld in de vorige leden, wijst als de rechter die over het geschil omtrent de te stellen zekerheid oordeelt, kan een termijn bepalen:
waarbinnen de zekerheid moet worden aangeboden of gesteld, op straffe van verval van de bevoegdheid met het oog op welker uitoefening de zekerheidstelling is bevolen;
waarbinnen een aangeboden zekerheid door de wederpartij moet worden aanvaard of geweigerd, op straffe van verval van haar bevoegdheid zekerheidstelling te eisen.
Lid 4
De rechter die de termijn heeft bepaald, kan deze op verzoek van de meest gerede partij, in te dienen voordat de termijn is verstreken, verlengen. Tegen een beschikking krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Recente uitspraken
Art. 616 Rv is sinds 2008 in 55 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof 's-Hertogenbosch, Rb. Noord-Holland en Rb. Oost-Brabant.
- ECLI:NL:HR:2022:1740 — 25-11-2022 Hoge Raad
Procesrecht. Zekerheidstelling voor proceskosten (art. 224 Rv). Vrijstelling van verplichting tot zekerheidstelling in Vriendschapsverdrag Colombia-Nederland? Verplichting van rechter om te onderzoeken of aangeboden wijzen van zekerheidstelling aanvaardbaar zijn (art. 6:51 BW)… - ECLI:NL:HR:2008:BC5012 — 30-05-2008 Hoge Raad
Procesrecht. Incidentele vordering tot (onvoorwaardelijke) uitvoerbaarverklaring bij voorraad op de voet van art. 234 Rv.; voorwaarde van zekerheidsstelling; omvang stelplicht. - ECLI:NL:OGHACMB:2024:314 — 23-01-2024 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van A
Curaçao.Plantage Vetter.langdurig onverdeeld gebleven boedel.4e tussenbeschikking.stichting art. 3.200c en 3.200d BW - ECLI:NL:GHDHA:2025:846 — 06-05-2025 Hof Den Haag
Octrooirecht. Niet-ontvankelijk verklaring appellante o.g.v. artikel 616 lid 3 Rv, omdat geen zekerheid is gesteld. - ECLI:NL:GHDHA:2025:307 — 25-02-2025 Hof Den Haag
Zekerheidstelling termijnverlenging ogv artikel 616 lid 4 Rv
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.