Hoofdstuk 4. Algemene regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving

Artikel 4.1

Lid 1

Bij omgevingsplan, waterschapsverordening en omgevingsverordening kunnen met het oog op de doelen van de wet regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.

Lid 2

Bij ministeriële regeling kunnen meet- en rekenvoorschriften worden gesteld over activiteiten als bedoeld in het eerste lid.

Lid 3

Bij het stellen van de regels in de omgevingsverordening en de ministeriële regeling worden de grenzen van artikel 2.3, tweede en derde lid, in acht genomen.

Artikel 4.2

Lid 1

Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Lid 2

Bij omgevingsverordening kunnen alleen regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, als het onderwerp van zorg niet doelmatig en doeltreffend met een regel als bedoeld in artikel 2.22 of een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, kan worden behartigd.

Artikel 4.3

Lid 1

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de volgende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving:

  1. bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken,

  2. milieubelastende activiteiten,

  3. lozingsactiviteiten op:

    1. een oppervlaktewaterlichaam,

    2. een zuiveringtechnisch werk,

  4. wateronttrekkingsactiviteiten,

  5. mijnbouwlocatieactiviteiten,

  6. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot:

    1. een weg,

    2. een waterstaatswerk,

    3. een installatie in een waterstaatswerk,

  7. het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden,

  8. activiteiten die cultureel erfgoed betreffen,

  9. activiteiten die werelderfgoed betreffen,

  10. Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied,

  11. de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden,

  12. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden,

  13. het vangen, doden en verwerken van walvissen,

  14. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben,

  15. het vellen en beheren van houtopstanden,

  16. landinrichtingsactiviteiten.

Lid 2

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de volgende activiteiten met dieren, planten, stoffen of zaken waarvan de daaraan voorafgaande verkrijging of productie gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving:

  1. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan,

  2. het verhandelen en het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hout of houtproducten,

  3. het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties om dieren te vangen of te doden.

Lid 3

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de doelen van de wet regels worden gesteld over de volgende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving:

  1. ontgrondingsactiviteiten,

  2. stortingsactiviteiten op zee,

  3. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot:

    1. een luchthaven,

    2. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,

  4. flora- en fauna-activiteiten.

Lid 4

De regels kunnen bij ministeriële regeling worden gesteld als deze uitvoeringstechnische, administratieve en meet- of rekenvoorschriften inhouden.

Lid 5

Bij het stellen van de regels worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen.

Artikel 4.4

Lid 1

Regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 kunnen inhouden een verbod om zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag een activiteit te verrichten.

Lid 2

De regels in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening kunnen inhouden een verbod om een activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

Artikel 4.5

Lid 1

Bij regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 kunnen onderwerpen worden aangewezen waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen of voorschriften aan een omgevingsvergunning kan verbinden. Paragraaf 4.3.2 is van overeenkomstige toepassing op het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van regels als bedoeld in artikel 4.3.

Lid 2

De maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften kunnen afwijken van regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 als dat bij die regels is bepaald. Daarbij kan worden bepaald in welke mate of hoe lang kan worden afgeweken.

Lid 3

Bij regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 kan ook worden bepaald dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld als over een onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.

Artikel 4.6

Lid 1

Bij regels als bedoeld in artikel 4.1 die in de omgevingsverordening zijn opgenomen kan worden bepaald dat in het omgevingsplan of de waterschapsverordening over daarbij aangewezen onderwerpen maatwerkregels kunnen worden gesteld.

Lid 2

Bij regels als bedoeld in artikel 4.3 kan worden bepaald dat in het omgevingsplan, de omgevingsverordening of de waterschapsverordening over daarbij aangewezen onderwerpen maatwerkregels kunnen worden gesteld. Paragraaf 4.3.2 is van overeenkomstige toepassing op het stellen van maatwerkregels.

Lid 3

De maatwerkregels kunnen afwijken van de in de omgevingsverordening gestelde regels of van regels als bedoeld in artikel 4.3, als dat bij die regels is bepaald. Daarbij kan worden bepaald in welke mate of hoe lang kan worden afgeweken.

Artikel 4.7

Lid 1

Als regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 voorschrijven dat een maatregel moet worden getroffen, kan op aanvraag toestemming worden verleend om, in plaats daarvan, een gelijkwaardige maatregel te treffen. Met de gelijkwaardige maatregel wordt ten minste hetzelfde resultaat bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.

Lid 2

Bij regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 kan het treffen van een gelijkwaardige maatregel worden toegestaan zonder voorafgaande toestemming, al dan niet gekoppeld aan een verbod om de maatregel te treffen zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag.

Lid 3

Bij regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid, of kan het treffen van een gelijkwaardige maatregel worden uitgesloten.

Artikel 4.8

Lid 1

Voor het omgevingsplan is het college van burgemeester en wethouders, voor de waterschapsverordening is het dagelijks bestuur van het waterschap en voor de omgevingsverordening zijn gedeputeerde staten:

  1. het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan,

  2. het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen,

  3. het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

Lid 2

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de bij ministeriële regeling gestelde meet- en rekenvoorschriften, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, voor zover die betrekking hebben op activiteiten waarover regels zijn gesteld in respectievelijk het omgevingsplan, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening.

Artikel 4.9

Tenzij op grond van de artikelen 4.10 tot en met 4.13 anders is bepaald, wordt op grond van artikel 4.3 het college van burgemeester en wethouders aangewezen als:

  1. het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan,

  2. het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen,

  3. het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

Artikel 4.10

Op grond van artikel 4.3 worden met het oog op een doelmatig waterbeheer voor wateractiviteiten gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag is.

Artikel 4.11

Lid 1

Op grond van artikel 4.3 worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn:

  1. het gelegenheid bieden tot zwemmen en baden,

  2. milieubelastende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het grondwater,

  3. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot lokale spoorwegen,

  4. Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied,

  5. flora- en fauna-activiteiten,

  6. activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden, met uitzondering van de jacht,

  7. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden,

  8. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben,

  9. het vellen en beheren van houtopstanden,

  10. landinrichtingsactiviteiten.

Lid 2

Bij het aanwijzen van gevallen worden de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, in acht genomen.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, worden, als op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een gebied is aangewezen, op grond van artikel 4.3 gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in laatstbedoeld lid, het bevoegd gezag is voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot lokale spoorwegen in dat gebied.

Artikel 4.12

Lid 1

Op grond van artikel 4.3 worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin een van Onze daarbij aangewezen Ministers het bevoegd gezag is:

  1. milieubelastende activiteiten:

    1. met betrekking tot een mijnbouwwerk,

    2. waarbij nationale veiligheidsbelangen of andere vitale nationale belangen zijn betrokken,

    3. als het gaat om het op of in de bodem brengen van meststoffen,

  2. ontgrondingsactiviteiten in de rijkswateren,

  3. mijnbouwlocatieactiviteiten,

  4. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot:

    1. wegen in beheer bij het Rijk,

    2. andere luchthavens dan burgerluchthavens van regionale betekenis,

    3. hoofdspoorwegen en bijzondere spoorwegen,

    4. mijnbouwinstallaties in een waterstaatswerk,

  5. activiteiten die geheel of in hoofdzaak plaatsvinden in:

    1. de territoriale zee voor zover gelegen buiten een gemeente of provincie,

    2. de exclusieve economische zone,

  6. Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied,

  7. flora- en fauna-activiteiten,

  8. de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden,

  9. het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden,

  10. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan,

  11. het vangen, doden en verwerken van walvissen,

  12. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben,

  13. het vellen en beheren van houtopstanden,

  14. het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verhandelen van hout en houtproducten.

Lid 2

Bij het aanwijzen van gevallen worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen.

Artikel 4.13

Lid 1

Op grond van artikel 4.3 kunnen gevallen worden aangewezen waarin het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning het bevoegd gezag is. Het gaat om gevallen waarin activiteiten worden verricht waarvoor een omgevingsvergunning is vereist in combinatie met activiteiten waarvoor regels gelden als bedoeld in artikel 4.3.

Lid 2

In ieder geval worden aangewezen milieubelastende activiteiten:

  1. met betrekking tot een ippc-installatie,

  2. waarop de Seveso-richtlijn van toepassing is.

Artikel 4.13a

Lid 1

Een bestuursorgaan dat bij of krachtens deze paragraaf als bevoegd gezag is aangewezen, kan die bevoegdheid aan een ander bestuursorgaan overdragen, als dat bestuursorgaan daarmee instemt.

Lid 2

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Artikel 4.14

Lid 1

De gemeenteraad kan voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels.

Lid 2

Het voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met voorbeschermingsregels.

Lid 3

Voorbeschermingsregels strekken ertoe te voorkomen dat de locatie minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van het doel van de regels, bedoeld in het eerste lid, en kunnen alleen inhouden:

  1. een verbod of een verbod om zonder voorafgaande melding of zonder omgevingsvergunning daarbij aangewezen activiteiten te verrichten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan, maar nog niet plaatsvinden,

  2. de aanwijzing van onderwerpen waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen of voorschriften aan een omgevingsvergunning kan verbinden,

  3. de aanwijzing van bestuursorganen of andere instanties die in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag advies uit te brengen over een aanvraag om een besluit op grond van voorbeschermingsregels als bedoeld onder a of b,

  4. het buiten toepassing verklaren van in het omgevingsplan gestelde regels die in strijd zijn met voorbeschermingsregels als bedoeld onder a of b.

Lid 4

De voorbeschermingsregels in het omgevingsplan vervallen na een jaar en zes maanden, of, als binnen die termijn het besluit tot vaststelling of wijziging van het omgevingsplan waarvan de regels, bedoeld in het eerste lid, deel uitmaken is bekendgemaakt, op het tijdstip waarop dat besluit in werking treedt of is vernietigd.

Lid 5

De gemeenteraad kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 4.15

Lid 1

Provinciale staten kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van in de omgevingsverordening te stellen regels.

Lid 2

Het voorbereidingsbesluit wijzigt de omgevingsverordening met voorbeschermingsregels.

Lid 3

Artikel 4.14, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, waarbij in artikel 4.14, derde lid, onder a en d, en vierde lid, in plaats van «omgevingsplan» steeds «omgevingsverordening» wordt gelezen.

Lid 4

Provinciale staten kunnen de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan gedeputeerde staten.

Artikel 4.16

Lid 1

Provinciale staten kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit, een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22 of een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, gericht op het stellen van regels in het omgevingsplan.

Lid 2

Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit, een instructieregel als bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, of een instructie als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, gericht op het stellen van regels in het omgevingsplan. Als op grond van artikel 5.44, tweede lid, geen overeenstemming is vereist voor een projectbesluit, is geen overeenstemming als bedoeld in de eerste zin vereist voor een voorbereidingsbesluit met het oog op de voorbereiding van dat projectbesluit.

Lid 3

Het voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met voorbeschermingsregels.

Lid 4

De artikelen 4.14, derde lid, en 4.15, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Lid 5

De voorbeschermingsregels in het omgevingsplan vervallen na een jaar en zes maanden of, als binnen die termijn het projectbesluit, de instructieregel of de instructie is bekendgemaakt, op het tijdstip waarop het projectbesluit of het overeenkomstig de instructieregel of de instructie gewijzigde omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.

Artikel 4.17

Het omgevingsplan wordt in ieder geval vijf jaar na het onherroepelijk worden van een omgevingsvergunning voor een voortdurende buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waaraan geen termijn is verbonden als bedoeld in artikel 5.36, eerste lid, met die vergunning in overeenstemming gebracht als het gaat om:

  1. een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het in stand houden van een bouwwerk,

  2. een omgevingsplanactiviteit, anders dan onder a, die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven functie-aanduiding.

Artikel 4.18

In het omgevingsplan kunnen locaties worden aangewezen waar de daar aanwezige bouwwerken moeten worden gemoderniseerd of worden vervangen door gelijksoortige bebouwing. Zolang deze modernisering of vervanging niet is verwezenlijkt, wordt het gebruik van die bouwwerken aangemerkt als afwijkend van de toegedeelde functie.

Artikel 4.19

Als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, stelt de gemeenteraad beleidsregels vast voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zoveel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.

Artikel 4.19a

Lid 1

In een omgevingsplan worden geen regels gesteld die het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk belemmeren.

Lid 2

In een omgevingsplan worden geen regels gesteld die in strijd zijn met regels die daarin zijn opgenomen op grond van een voorbereidingsbesluit van een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk.

Lid 3

In een projectbesluit wordt een termijn gesteld voor de toepassing van het eerste lid. Als het bestuursorgaan dat het projectbesluit heeft vastgesteld dat nodig acht voor de uitvoering van het project, kan de termijn eenmaal worden verlengd.

Lid 4

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een instructieregel als bedoeld in artikel 2.24 of een instructie als bedoeld in artikel 2.34 het stellen van dergelijke regels vergt.

Lid 5

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie en een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22 of een instructie als bedoeld in artikel 2.33 het stellen van dergelijke regels vergt.

Lid 6

Op het stellen van regels als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, is artikel 5.53a, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.19b

Lid 1

Een aanvraag om een wijziging van het omgevingsplan vast te stellen kan worden afgewezen in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, als die wijziging het voor de aanvrager mogelijk maakt om een activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

Lid 2

Artikel 5.31, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.20

Op grond van artikel 4.3 worden in ieder geval regels gesteld ter uitvoering van:

  1. de benelux-regelgeving over jacht en vogelbescherming,

  2. de Europese cites-regelgeving,

  3. de Europese exotenregelgeving,

  4. de Europese flegt-regelgeving,

  5. de Europese houtregelgeving,

  6. de Europese zeehondenregelgeving,

  7. de grondwaterrichtlijn,

  8. de habitatrichtlijn,

  9. de kaderrichtlijn afvalstoffen,

  10. de kaderrichtlijn water,

  11. de richtlijn autowrakken,

  12. de richtlijn benzinedampterugwinning,

  13. de richtlijn energieprestatie van gebouwen,

  14. de richtlijn havenontvangstvoorzieningen,

  15. de richtlijn hernieuwbare energie,

  16. de richtlijn industriële emissies,

  17. de richtlijn stedelijk afvalwater,

  18. de richtlijn winningsafval,

  19. de Seveso-richtlijn,

  20. het verdrag van Bern,

  21. het verdrag van Bonn,

  22. het verdrag van Granada,

  23. het verdrag van Valletta,

  24. het VN-Gehandicaptenverdrag,

  25. de vogelrichtlijn,

  26. het walvisverdrag,

  27. de wildklemverordening.

Artikel 4.21

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken worden gesteld met het oog op:

  1. het waarborgen van de veiligheid,

  2. het beschermen van de gezondheid,

  3. duurzaamheid en bruikbaarheid.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat:

  1. de minimumkwaliteit van bestaande en te bouwen bouwwerken is gewaarborgd,

  2. een brandveilig gebruik van bouwwerken is gewaarborgd,

  3. de veiligheid en de gezondheid in de directe omgeving van het bouwen en slopen is gewaarborgd,

  4. de toegankelijkheid van nieuw te realiseren bouwwerken en de directe omgeving daarvan voor mensen met een functiebeperking is gewaarborgd.

Artikel 4.22

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over milieubelastende activiteiten worden gesteld met het oog op:

  1. het waarborgen van de veiligheid,

  2. het beschermen van de gezondheid,

  3. het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, het zuinig gebruik van energie en grondstoffen en een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat:

  1. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen,

  2. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen,

  3. de beste beschikbare technieken worden toegepast,

  4. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt,

  5. het ontstaan van afvalstoffen zoveel mogelijk wordt voorkomen en de ontstane afvalstoffen doelmatig worden beheerd,

  6. energie doelmatig wordt gebruikt,

  7. maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken,

  8. bij de definitieve beëindiging van activiteiten maatregelen worden getroffen om significante nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen.

Artikel 4.23

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk, wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk of een installatie, niet zijnde een mijnbouwinstallatie, in een waterstaatswerk, worden gesteld met het oog op:

  1. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste,

  2. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen,

  3. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen,

  4. het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk.

Lid 2

De regels over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk strekken er in ieder geval toe dat:

  1. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen,

  2. de beste beschikbare technieken worden toegepast,

  3. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid worden de regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, voor zover die plaatsvinden buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, gesteld met het oog op de doelen van de wet.

Artikel 4.24

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over mijnbouwlocatieactiviteiten worden gesteld met het oog op:

  1. het waarborgen van de veiligheid,

  2. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat:

  1. de belangen van de scheepvaart en van de veiligheid van de scheepvaart zijn gewaarborgd,

  2. de belangen van de uitoefening van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van daarop betrekking hebbende activiteiten zijn gewaarborgd,

  3. de belangen van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark en van de veiligheid van het windpark zijn gewaarborgd.

Lid 3

De regels strekken er ook toe dat:

  1. geen mijnbouwinstallaties voor het opsporen of winnen van delfstoffen worden toegestaan in het op grond van artikel 2.44, eerste lid, aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone,

  2. in de territoriale zee ten noorden van het op grond van artikel 2.44, eerste lid, aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone nieuwe mijnbouwinstallaties voor het opsporen of winnen van delfstoffen alleen worden toegestaan voor zover medegebruik van bestaande mijnbouwinstallaties niet mogelijk is en zichthinder veroorzaakt door die nieuwe mijnbouwinstallaties wordt geminimaliseerd.

Artikel 4.25

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg worden gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg kan behoren.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat het doelmatig en veilig gebruik van wegen wordt verzekerd.

Artikel 4.26

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk worden, voor zover het gaat om een mijnbouwinstallatie, gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van die mijnbouwinstallatie voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die installatie.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van mijnbouwinstallaties in een waterstaatswerk worden voorkomen.

Artikel 4.27

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over het gelegenheid bieden tot zwemmen en baden worden gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van de gebruikers.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat het risico op significante nadelige gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van de gebruikers wordt beheerst, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van de gebruikers.

Artikel 4.28

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over activiteiten die cultureel erfgoed betreffen, worden gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat beschadiging of vernieling van cultureel erfgoed wordt voorkomen, en dat het, voor zover het gaat om monumenten, in stand wordt gehouden.

Artikel 4.29

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over activiteiten die werelderfgoed betreffen, worden gesteld met het oog op het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat beschadiging of vernieling van werelderfgoed wordt voorkomen.

Artikel 4.30

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied worden gesteld met het oog op de natuurbescherming.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor het betrokken gebied worden voorkomen.

Artikel 4.31

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over de uitoefening van de jacht, activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of schade door dieren te bestrijden, worden gesteld met het oog op:

  1. de natuurbescherming,

  2. goed jachthouderschap,

  3. het voorkomen en bestrijden van schade door dieren,

  4. het waarborgen van de veiligheid.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe:

  1. dat de uitoefening van de jacht en activiteiten als bedoeld in het eerste lid plaatsvinden in overeenstemming met een faunabeheerplan,

  2. te bepalen in welke periode de uitoefening van de jacht op dieren van een bepaalde soort is toegestaan, van welke middelen bij de uitoefening van de jacht gebruik kan worden gemaakt en onder welke omstandigheden de uitoefening van de jacht is verboden.

Artikel 4.32

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden worden gesteld met het oog op:

  1. de natuurbescherming,

  2. het waarborgen van de veiligheid,

  3. het beschermen van de gezondheid,

  4. het beschermen van het milieu.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat:

  1. degene die een geweer, vogel of eendenkooi gebruikt over de vereiste deskundigheid beschikt en met gunstig gevolg een examen heeft afgelegd dat door Onze Minister voor Natuur en Stikstof is erkend of door hem als gelijkwaardig aan door hem erkende examens is aangemerkt,

  2. degene die een geweer gebruikt, is gedekt door een verzekering voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van het geweer aanleiding kan geven,

  3. degene aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend, aan een faunabeheereenheid gegevens verstrekt over de door hem gedode dieren.

Artikel 4.33

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over het vangen, doden of verwerken van walvissen worden gesteld met het oog op de natuurbescherming.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van de walvisstand worden voorkomen.

Artikel 4.34

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben worden gesteld met het oog op de natuurbescherming, het beschermen van de gezondheid of het beschermen van het milieu.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe nadelige gevolgen voor de biologische diversiteit te voorkomen of te beperken.

Artikel 4.35

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over het vellen en beheren van houtopstanden worden gesteld met het oog op de instandhouding van het bosareaal, de natuurbescherming of het beschermen van landschappelijke waarden.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat na het vellen of het anders tenietgaan van een houtopstand, herbeplanting plaatsvindt op bosbouwkundig verantwoorde wijze.

Artikel 4.36

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten daarvan worden gesteld met het oog op de natuurbescherming.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat de activiteiten geen risico opleveren voor de staat van instandhouding van de betrokken soort.

Lid 3

De regels kunnen ertoe strekken daarbij aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties te belasten met de taak om merken, merktekens of ringen voor vogels, planten of producten daarvan uit te reiken in overeenstemming met daarbij gestelde regels.

Artikel 4.37

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over het verhandelen van hout en houtproducten als bedoeld in de Europese flegt-regelgeving of de Europese houtregelgeving worden gesteld met het oog op de natuurbescherming, het beschermen van het milieu, het tegengaan van klimaatverandering of het beheer van natuurlijke hulpbronnen.

Lid 2

De regels strekken alleen ter uitvoering van de Europese flegt-regelgeving en de Europese houtregelgeving.

Artikel 4.37a

De in artikel 4.3 bedoelde regels over het verhandelen van ontbossingsvrije grondstoffen en producten als bedoeld in de Europese ontbossingsregelgeving worden gesteld met het oog op de natuurbescherming, het beschermen van het milieu, het tegengaan van klimaatverandering of het beheer van natuurlijke hulpbronnen.

Artikel 4.38

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over flora- en fauna-activiteiten worden gesteld met het oog op de natuurbescherming.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van van nature in het wild voorkomende dier- of plantensoorten worden voorkomen.

Artikel 4.39

Lid 1

De in artikel 4.3 bedoelde regels over landinrichtingsactiviteiten worden gesteld met het oog op een doelmatige uitvoering van een inrichtingsprogramma.

Lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat de uitvoering van een inrichtingsprogramma niet ernstig wordt belemmerd.