Hoofdstuk 23. Overige en slotbepalingen
Artikel 23.1
Voor zover deze wet niet in een andere grondslag voor het stellen van regels voorziet, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ter uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen die betrekking hebben op of samenhangen met onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 23.2
Een wijziging van een verordening, richtlijn of besluit als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie waarnaar bij of krachtens deze wet wordt verwezen, gaat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 23.3
Lid 1
Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, bij wijze van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens:
deze wet,
de Energiewet, voor zover dat geen gevolgen heeft voor de opbrengst van de energiebelasting, bedoeld in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag,
de Huisvestingswet 2014,
de Leegstandwet,
de Warmtewet,
de Wet milieubeheer.
Lid 2
Een experiment wordt alleen aangewezen als dit beoogt bij te dragen aan het nastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder a, waaronder de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de te volgen procedures of de besluitvorming daarover.
Lid 3
Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald:
wat het doel van het experiment is,
wat de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving zijn,
welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor de uitvoering van het experiment,
wat de tijdsduur van het experiment is, waarbij geldt dat het experiment niet langer duurt dan nodig is voor het doel van het experiment,
van welke regels kan worden afgeweken,
welke afwijkingen voor bij de maatregel aan te wijzen gevallen zijn toegestaan,
voor welk gebied of voor welke besluiten die afwijkingen zijn toegestaan,
hoe lang die afwijkingen ten hoogste, met een maximum van tien jaar als het gaat om omgevingswaarden, zijn toegestaan,
welke afwijkingen na afloop van het experiment toegestaan blijven,
hoe de evaluatie van het experiment wordt uitgevoerd en hoe vaak tussentijds wordt gemonitord met het oog op de doelen, bedoeld in het tweede lid, en de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving.
Lid 4
Afwijkingen als bedoeld in het derde lid, onder i, zijn alleen toegestaan als het gaat om afwijkingen die onderdeel zijn van het experiment en wanneer het in overeenstemming brengen met de regelgeving na afloop van het experiment onevenredig is in verhouding tot het te beschermen belang van de fysieke leefomgeving.
Lid 5
Als uit de monitoring en evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder j, blijkt dat het experiment niet bijdraagt aan de doelen, bedoeld in het tweede lid, treft degene die het experiment uitvoert maatregelen gericht op het bereiken van die doelen.
Lid 6
Het verantwoordelijke bestuursorgaan, bedoeld in het derde lid, onder c, kan aanwijzingen geven tot het treffen van maatregelen. Artikel 19.4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Lid 7
Als de te nemen maatregelen niet toereikend zijn, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening besluiten om het experiment te beëindigen. Aan dat besluit kunnen voorschriften worden verbonden.
Lid 8
Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van regelgeving, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in afwijking van de maatregel waarbij de tijdsduur van het experiment is bepaald, een besluit nemen om die tijdsduur met ten hoogste vijf jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van die regelgeving.
Lid 9
Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers die het mede aangaat, kunnen, op verzoek van de gemeenteraad, het algemeen bestuur van een waterschap of provinciale staten, nieuwe gebieden worden aangewezen in aanvulling op het derde lid, onder g. Het bij de maatregel op grond van het derde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing van nieuwe gebieden bij ministeriële regeling.
Artikel 23.4
Lid 1
Een ieder wordt langs elektronische weg in de gelegenheid gesteld gedurende een periode van ten minste vier weken opmerkingen te maken over het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling op grond van deze wet.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing als op andere wijze aan artikel 8 van het verdrag van Aarhus is voldaan.
Lid 3
Van het eerste lid kan worden afgeweken als het ontwerp:
wijzigingen bevat van ondergeschikte betekenis,
alleen strekt tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen, of
een voorziening treft die onmiddellijk nodig is.
Artikel 23.5
Lid 1
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5, afdeling 13.6, de hoofdstukken 16, 17, 18, 19 en 20 en artikel 23.3 wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Lid 2
Als het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur omgevingswaarden of een aanwijzing van categorieën projecten op grond van artikel 16.87a bevat kan binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, een der kamers de wens te kennen geven dat die omgevingswaarden bij wet worden vastgesteld of die aanwijzing van categorieën projecten bij wet geschiedt. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.
Lid 3
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het ontwerp wijzigingen van ondergeschikte betekenis bevat die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving of als het ontwerp alleen strekt tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen. Als dat het geval is, geeft Onze Minister die het aangaat daarvan kennis aan beide kamers der Staten-Generaal.
Lid 4
Van de inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur en de publicatie van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het uitgebrachte nader rapport van een algemene maatregel van bestuur waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid, geeft Onze Minister die het aangaat kennis aan beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 23.5a
Lid 1
Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zendt een voorstel voor een lijst van Natura 2000-gebieden, geheel of gedeeltelijk gelegen in de exclusieve economische zone, of een voorstel tot wijziging daarvan, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de habitatrichtlijn niet eerder aan de Europese Commissie dan vier weken nadat het ontwerp van dat voorstel aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Lid 2
Een besluit over de aanwijzing van een Natura 2000-gebied dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in de exclusieve economische zone als bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, wordt niet eerder genomen dan vier weken nadat het ontwerp van dat besluit aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 23.6
Bij een algemene maatregel van bestuur waarop artikel 23.5 van toepassing is, wordt in de nota van toelichting gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt.
Artikel 23.6a
Lid 1
Als een voorziening onmiddellijk is geboden, kunnen met het oog op het beschermen van de bodem, in afwijking van artikel 4.3, bij ministeriële regeling regels worden gesteld over milieubelastende activiteiten.
Lid 2
De regeling vervalt twaalf maanden nadat zij in werking is getreden of, als binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van de regeling in werking is getreden, op laatstbedoeld tijdstip. De termijn kan bij ministeriële regeling eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
Artikel 23.6b
Lid 1
Als een voorziening onmiddellijk nodig is, kunnen in afwijking van de artikelen 2.24 en 5.18, regels als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, onder a, onder 13°, en regels als bedoeld in artikel 5.18 voor een Natura 2000-activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt, bij ministeriële regeling worden gesteld.
Lid 2
De regeling vervalt twaalf maanden nadat zij in werking is getreden of, als binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van de regeling in werking is getreden, op laatstbedoeld tijdstip. De termijn kan bij ministeriële regeling eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
Artikel 23.7
De gemeente kan geen rechtshandelingen naar burgerlijk recht verrichten over onderwerpen waarover regels als bedoeld in artikel 4.21 zijn gesteld of over onderwerpen met betrekking tot het bouwen die geregeld zijn op grond van hoofdstuk 5.
Artikel 23.8
De Staat is eigenaar van op de zeebodem in de exclusieve economische zone of in de ondergrond daarvan aanwezige vaste stoffen, met inbegrip van de delfstoffen, voor zover die delfstoffen op een diepte van minder dan honderd meter onder de zeebodem aanwezig zijn.
Artikel 23.9
Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zendt, in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens na vijf jaar aan beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 23.10
Lid 1
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lid 2
De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt er geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na het besluit van die kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.
Artikel 23.11
Deze wet wordt aangehaald als: Omgevingswet.