Afdeling 4.3. Bijzondere bepalingen voor regels over activiteiten
Wordt genoemd in:
Artikel 4.17
Het omgevingsplan wordt in ieder geval vijf jaar na het onherroepelijk worden van een omgevingsvergunning voor een voortdurende buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waaraan geen termijn is verbonden als bedoeld in artikel 5.36, eerste lid, met die vergunning in overeenstemming gebracht als het gaat om:
een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het in stand houden van een bouwwerk,
een omgevingsplanactiviteit, anders dan onder a, die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven functie-aanduiding.
Artikel 4.18
In het omgevingsplan kunnen locaties worden aangewezen waar de daar aanwezige bouwwerken moeten worden gemoderniseerd of worden vervangen door gelijksoortige bebouwing. Zolang deze modernisering of vervanging niet is verwezenlijkt, wordt het gebruik van die bouwwerken aangemerkt als afwijkend van de toegedeelde functie.
Artikel 4.19
Als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, stelt de gemeenteraad beleidsregels vast voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zoveel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.
Artikel 4.19a
Lid 1
In een omgevingsplan worden geen regels gesteld die het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk belemmeren.
Lid 2
In een omgevingsplan worden geen regels gesteld die in strijd zijn met regels die daarin zijn opgenomen op grond van een voorbereidingsbesluit van een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk.
Lid 3
In een projectbesluit wordt een termijn gesteld voor de toepassing van het eerste lid. Als het bestuursorgaan dat het projectbesluit heeft vastgesteld dat nodig acht voor de uitvoering van het project, kan de termijn eenmaal worden verlengd.
Lid 4
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een instructieregel als bedoeld in artikel 2.24 of een instructie als bedoeld in artikel 2.34 het stellen van dergelijke regels vergt.
Lid 5
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie en een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22 of een instructie als bedoeld in artikel 2.33 het stellen van dergelijke regels vergt.
Lid 6
Op het stellen van regels als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, is artikel 5.53a, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.19b
Lid 1
Een aanvraag om een wijziging van het omgevingsplan vast te stellen kan worden afgewezen in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, als die wijziging het voor de aanvrager mogelijk maakt om een activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
Lid 2
Artikel 5.31, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.20
Op grond van artikel 4.3 worden in ieder geval regels gesteld ter uitvoering van:
de benelux-regelgeving over jacht en vogelbescherming,
de Europese cites-regelgeving,
de Europese exotenregelgeving,
de Europese flegt-regelgeving,
de Europese houtregelgeving,
de Europese zeehondenregelgeving,
de grondwaterrichtlijn,
de habitatrichtlijn,
de kaderrichtlijn afvalstoffen,
de kaderrichtlijn water,
de richtlijn autowrakken,
de richtlijn benzinedampterugwinning,
de richtlijn energieprestatie van gebouwen,
de richtlijn havenontvangstvoorzieningen,
de richtlijn hernieuwbare energie,
de richtlijn industriële emissies,
de richtlijn stedelijk afvalwater,
de richtlijn winningsafval,
de Seveso-richtlijn,
het verdrag van Bern,
het verdrag van Bonn,
het verdrag van Granada,
het verdrag van Valletta,
het VN-Gehandicaptenverdrag,
de vogelrichtlijn,
het walvisverdrag,
de wildklemverordening.
Artikel 4.21
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken worden gesteld met het oog op:
het waarborgen van de veiligheid,
het beschermen van de gezondheid,
duurzaamheid en bruikbaarheid.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat:
de minimumkwaliteit van bestaande en te bouwen bouwwerken is gewaarborgd,
een brandveilig gebruik van bouwwerken is gewaarborgd,
de veiligheid en de gezondheid in de directe omgeving van het bouwen en slopen is gewaarborgd,
de toegankelijkheid van nieuw te realiseren bouwwerken en de directe omgeving daarvan voor mensen met een functiebeperking is gewaarborgd.
Artikel 4.22
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over milieubelastende activiteiten worden gesteld met het oog op:
het waarborgen van de veiligheid,
het beschermen van de gezondheid,
het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, het zuinig gebruik van energie en grondstoffen en een doelmatig beheer van afvalstoffen.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen,
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen,
de beste beschikbare technieken worden toegepast,
geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt,
het ontstaan van afvalstoffen zoveel mogelijk wordt voorkomen en de ontstane afvalstoffen doelmatig worden beheerd,
energie doelmatig wordt gebruikt,
maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken,
bij de definitieve beëindiging van activiteiten maatregelen worden getroffen om significante nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen.
Artikel 4.23
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk, wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk of een installatie, niet zijnde een mijnbouwinstallatie, in een waterstaatswerk, worden gesteld met het oog op:
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste,
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen,
het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen,
het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk.
Lid 2
De regels over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk strekken er in ieder geval toe dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen,
de beste beschikbare technieken worden toegepast,
geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid worden de regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, voor zover die plaatsvinden buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
Artikel 4.24
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over mijnbouwlocatieactiviteiten worden gesteld met het oog op:
het waarborgen van de veiligheid,
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat:
de belangen van de scheepvaart en van de veiligheid van de scheepvaart zijn gewaarborgd,
de belangen van de uitoefening van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van daarop betrekking hebbende activiteiten zijn gewaarborgd,
de belangen van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark en van de veiligheid van het windpark zijn gewaarborgd.
Lid 3
De regels strekken er ook toe dat:
geen mijnbouwinstallaties voor het opsporen of winnen van delfstoffen worden toegestaan in het op grond van artikel 2.44, eerste lid, aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone,
in de territoriale zee ten noorden van het op grond van artikel 2.44, eerste lid, aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone nieuwe mijnbouwinstallaties voor het opsporen of winnen van delfstoffen alleen worden toegestaan voor zover medegebruik van bestaande mijnbouwinstallaties niet mogelijk is en zichthinder veroorzaakt door die nieuwe mijnbouwinstallaties wordt geminimaliseerd.
Artikel 4.25
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg worden gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg kan behoren.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat het doelmatig en veilig gebruik van wegen wordt verzekerd.
Artikel 4.26
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk worden, voor zover het gaat om een mijnbouwinstallatie, gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van die mijnbouwinstallatie voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die installatie.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van mijnbouwinstallaties in een waterstaatswerk worden voorkomen.
Artikel 4.27
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over het gelegenheid bieden tot zwemmen en baden worden gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van de gebruikers.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat het risico op significante nadelige gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van de gebruikers wordt beheerst, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van de gebruikers.
Artikel 4.28
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over activiteiten die cultureel erfgoed betreffen, worden gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat beschadiging of vernieling van cultureel erfgoed wordt voorkomen, en dat het, voor zover het gaat om monumenten, in stand wordt gehouden.
Artikel 4.29
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over activiteiten die werelderfgoed betreffen, worden gesteld met het oog op het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat beschadiging of vernieling van werelderfgoed wordt voorkomen.
Artikel 4.30
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied worden gesteld met het oog op de natuurbescherming.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor het betrokken gebied worden voorkomen.
Artikel 4.31
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over de uitoefening van de jacht, activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of schade door dieren te bestrijden, worden gesteld met het oog op:
de natuurbescherming,
goed jachthouderschap,
het voorkomen en bestrijden van schade door dieren,
het waarborgen van de veiligheid.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe:
dat de uitoefening van de jacht en activiteiten als bedoeld in het eerste lid plaatsvinden in overeenstemming met een faunabeheerplan,
te bepalen in welke periode de uitoefening van de jacht op dieren van een bepaalde soort is toegestaan, van welke middelen bij de uitoefening van de jacht gebruik kan worden gemaakt en onder welke omstandigheden de uitoefening van de jacht is verboden.
Artikel 4.32
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden worden gesteld met het oog op:
de natuurbescherming,
het waarborgen van de veiligheid,
het beschermen van de gezondheid,
het beschermen van het milieu.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat:
degene die een geweer, vogel of eendenkooi gebruikt over de vereiste deskundigheid beschikt en met gunstig gevolg een examen heeft afgelegd dat door Onze Minister voor Natuur en Stikstof is erkend of door hem als gelijkwaardig aan door hem erkende examens is aangemerkt,
degene die een geweer gebruikt, is gedekt door een verzekering voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van het geweer aanleiding kan geven,
degene aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend, aan een faunabeheereenheid gegevens verstrekt over de door hem gedode dieren.
Artikel 4.33
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over het vangen, doden of verwerken van walvissen worden gesteld met het oog op de natuurbescherming.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van de walvisstand worden voorkomen.
Artikel 4.34
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben worden gesteld met het oog op de natuurbescherming, het beschermen van de gezondheid of het beschermen van het milieu.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe nadelige gevolgen voor de biologische diversiteit te voorkomen of te beperken.
Artikel 4.35
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over het vellen en beheren van houtopstanden worden gesteld met het oog op de instandhouding van het bosareaal, de natuurbescherming of het beschermen van landschappelijke waarden.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat na het vellen of het anders tenietgaan van een houtopstand, herbeplanting plaatsvindt op bosbouwkundig verantwoorde wijze.
Artikel 4.36
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten daarvan worden gesteld met het oog op de natuurbescherming.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat de activiteiten geen risico opleveren voor de staat van instandhouding van de betrokken soort.
Lid 3
De regels kunnen ertoe strekken daarbij aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties te belasten met de taak om merken, merktekens of ringen voor vogels, planten of producten daarvan uit te reiken in overeenstemming met daarbij gestelde regels.
Artikel 4.37
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over het verhandelen van hout en houtproducten als bedoeld in de Europese flegt-regelgeving of de Europese houtregelgeving worden gesteld met het oog op de natuurbescherming, het beschermen van het milieu, het tegengaan van klimaatverandering of het beheer van natuurlijke hulpbronnen.
Lid 2
De regels strekken alleen ter uitvoering van de Europese flegt-regelgeving en de Europese houtregelgeving.
Artikel 4.37a
De in artikel 4.3 bedoelde regels over het verhandelen van ontbossingsvrije grondstoffen en producten als bedoeld in de Europese ontbossingsregelgeving worden gesteld met het oog op de natuurbescherming, het beschermen van het milieu, het tegengaan van klimaatverandering of het beheer van natuurlijke hulpbronnen.
Artikel 4.38
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over flora- en fauna-activiteiten worden gesteld met het oog op de natuurbescherming.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van van nature in het wild voorkomende dier- of plantensoorten worden voorkomen.
Artikel 4.39
Lid 1
De in artikel 4.3 bedoelde regels over landinrichtingsactiviteiten worden gesteld met het oog op een doelmatige uitvoering van een inrichtingsprogramma.
Lid 2
De regels strekken er in ieder geval toe dat de uitvoering van een inrichtingsprogramma niet ernstig wordt belemmerd.