Afdeling 19.3. Alarmeringswaarden
Artikel 19.10
Lid 1
Bij ministeriële regeling worden alarmeringswaarden vastgesteld voor:
concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht,
hoogwaterstanden die een gevaar voor primaire waterkeringen kunnen opleveren.
Lid 2
De commissaris van de Koning informeert of waarschuwt onverwijld het publiek bij een overschrijding of dreigende overschrijding van een alarmeringswaarde voor concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht.
Lid 3
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat informeert of waarschuwt onverwijld de betrokken beheerders van primaire waterkeringen en gedeputeerde staten bij een overschrijding of dreigende overschrijding van een alarmeringswaarde voor hoogwaterstanden.
Artikel 19.11
Lid 1
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het geven van informatie of waarschuwingen bij een overschrijding of dreigende overschrijding van een alarmeringswaarde en als de buitenlucht wordt verontreinigd of dreigt te worden verontreinigd door stoffen waarvoor geen alarmeringswaarden zijn vastgesteld, aan:
het publiek,
bijzonder gevoelige bevolkingsgroepen,
de beheerders van primaire waterkeringen,
gedeputeerde staten, en
overige bestuursorganen of andere instanties.
Lid 2
Bij de regeling worden regels gesteld over:
de inhoud van de te verstrekken informatie en de te geven waarschuwingen,
hoe die informatie wordt verstrekt en die waarschuwingen worden gegeven, en
hoe uitvoering wordt gegeven aan artikel 24 van de richtlijn luchtkwaliteit.
Artikel 19.12
Lid 1
Bij overschrijding van alarmeringswaarden voor luchtkwaliteit of bij verontreiniging van de buitenlucht door stoffen waarvoor geen alarmeringswaarden zijn vastgesteld, kan de commissaris van de Koning, met het oog op het beschermen van de volksgezondheid of de gezondheid van bijzonder gevoelige bevolkingsgroepen, bij besluit regels stellen over het gebruik van installaties of brandstoffen en over andere verontreinigende activiteiten.
Lid 2
Deze regels kunnen in ieder geval inhouden een verbod om een installatie in werking te hebben of een brandstof te gebruiken.
Lid 3
Een besluit vervalt achtenveertig uur nadat het in werking is getreden. Deze termijn kan door gedeputeerde staten telkens voor ten hoogste achtenveertig uur worden verlengd.
Lid 4
Een besluit als bedoeld in het eerste lid en een besluit tot verlenging als bedoeld in het derde lid worden op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze bekendgemaakt. De besluiten treden in werking onmiddellijk na de bekendmaking.