Afdeling 10.3. Bij beschikking op te leggen gedoogplichten
Wordt genoemd in:
Artikel 10.11
Een gedoogplicht op grond van deze afdeling kan worden opgelegd als voor een werk van algemeen belang:
voor bepaalde of onbepaalde tijd gebruik moet worden gemaakt van een onroerende zaak,
met de rechthebbende op de onroerende zaak ondanks een redelijke poging daartoe geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over het gebruik daarvan,
het gebruik van de onroerende zaak niet meer zal worden belemmerd dan redelijkerwijs nodig is, en
de belangen van de rechthebbende redelijkerwijs onteigening niet vorderen.
Artikel 10.12
Het opleggen van een gedoogplicht op grond van deze afdeling geschiedt op aanvraag van de initiatiefnemer of ambtshalve, als de initiatiefnemer op grond van deze wet zelf bevoegd is om voor het werk van algemeen belang een gedoogplicht op te leggen.
Artikel 10.13
Lid 1
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van:
een werk voor hoofdspoorwegen,
infrastructuur nodig voor de productie en distributie van drinkwater als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet,
een werk ter uitvoering van een projectbesluit waarop artikel 5.46, eerste lid, van toepassing is,
een werk voor het transport van afvalwater, uitgevoerd door een waterschap,
een werk voor het transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, uitgevoerd door een gemeente,
lokale spoorweginfrastructuur.
Lid 2
Het dagelijks bestuur van een waterschap kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van een werk ter uitvoering van een projectbesluit waarop artikel 5.46, tweede lid, van toepassing is.
Artikel 10.13a
Lid 1
Het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die betrekking heeft op een stortplaats kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het verrichten van onderzoek op die stortplaats of in de onmiddellijke omgeving daarvan en voor het aanbrengen, aanwezig zijn, onderhouden, gebruiken en verwijderen van de voor dat onderzoek benodigde middelen als dat nodig is in het belang van de bescherming van de bodem.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op:
het storten van afvalstoffen als het gaat om het begraven van stoffelijke resten of het op of in de bodem verspreiden van as, afkomstig van de verbranding van stoffelijke resten,
stortplaatsen waar alleen baggerspecie wordt gestort,
stortplaatsen waar het storten van afvalstoffen is beëindigd voor 1 maart 1995,
stortplaatsen waar op of na 1 maart 1995 alleen afvalstoffen zijn of worden gestort voor het aanbrengen van een bovenafdichting op die stortplaats, als de gestorte hoeveelheid ten hoogste 0,3 m3 afvalstof per m2 stortoppervlak bedraagt.
Artikel 10.13b
Het college van burgemeester en wethouders kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor:
het verrichten van onderzoek naar verontreiniging van de bodem voor het vaststellen van de doeltreffendheid en effecten van maatregelen ter uitvoering van regels over milieubelastende activiteiten op grond van artikel 4.1 of 4.3, of
de uitvoering van maatregelen uit een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d of 39e van de Wet bodembescherming of van maatregelen in het kader van nazorg krachtens artikel 39b van die wet, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet.
Artikel 10.14
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister van Klimaat en Groene Groei, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van:
een mijnbouwwerk,
werken bestemd voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet,
een systeem dat wordt beheerd door een transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet of door een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee als bedoeld in artikel 1.1 van die wet,
een windpark als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, of 6.2, eerste lid, onderdeel a, van de Energiewet,
een inrichting waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet,
een werk voor de levering van warmte als bedoeld in artikel 38 van de Warmtewet,
het landelijk transportnet voor waterstofgas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet waarvoor door de Minister van Klimaat en Groene Groei een beheerder is aangewezen.
Artikel 10.15
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van werken voor grenswateren als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag.
Artikel 10.16
Lid 1
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het verrichten van onderzoek op een locatie in verband met een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit of een aanvraag om een dergelijke vergunning.
Lid 2
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan op verzoek van de aanvrager of houder van een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het verrichten van onderzoek en voor het aanbrengen, in stand houden, onderhouden, gebruiken en verwijderen van de voor dat onderzoek benodigde middelen als dat voor de ontgrondingsactiviteit nodig is.
Lid 3
De bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, berusten bij gedeputeerde staten als zij bevoegd gezag zijn voor de omgevingsvergunning.
Artikel 10.17
Lid 1
De beheerder kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het verrichten van onderzoek dat nodig is voor de aanvraag of wijziging van een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of om te voldoen aan een andere in het kader van het waterbeheer op grond van deze wet, een waterschapsverordening of omgevingsverordening op hem rustende plicht.
Lid 2
De beheerder kan, voor zover dat voor de vervulling van zijn taken redelijkerwijs nodig is, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor:
het op of in gronden verrichten van onderzoek en daarmee verband houdende activiteiten in verband met een waterstaatswerk,
de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk en de daarmee verband houdende activiteiten.
Artikel 10.18
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen als door een gemeente, een provincie, het Rijk of een openbaar lichaam voor het bepalen van de mate van luchtverontreiniging gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken.
Artikel 10.19
Lid 1
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het in het belang van een archeologisch onderzoek betreden van terreinen, het daarop verrichten van metingen of het daarin doen van opgravingen.
Lid 2
Het bestuursorgaan dat is belast met de voorbereiding of uitvoering van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen als bedoeld in het eerste lid, voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of uitvoering van het omgevingsplan of de omgevingsvergunning.
Lid 3
Artikel 10.11, aanhef en onder d, is niet van toepassing op de beslissing tot het opleggen van een gedoogplicht als bedoeld in dit artikel.
Artikel 10.19a
Onze Minister van Defensie kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van werken voor de uitoefening van defensietaken.
Artikel 10.20
Vervallen
Artikel 10.21
Lid 1
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van een werk van algemeen belang dat geen werk of activiteit is als bedoeld in de artikelen 10.13 tot en met 10.19a, als het belang van de openbare veiligheid, het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving, zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.
Lid 2
Als de oplegging van een gedoogplicht een belang dient waarvoor de zorg niet bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat berust, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat.
Artikel 10.21a
Het college van burgemeester en wethouders kan voor het voorkomen, beperken of ongedaan maken van een verontreiniging of aantasting van de bodem aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor:
het verrichten van onderzoek door de veroorzaker naar de aard en omvang van die verontreiniging of aantasting,
het treffen van maatregelen door de veroorzaker voor het voorkomen, beperken of ongedaan maken van die verontreiniging of aantasting van de bodem en de directe gevolgen daarvan.
Artikel 10.22
Lid 1
Een gedoogplichtbeschikking bevat in ieder geval een beschrijving van:
de onroerende zaak waarop de beschikking betrekking heeft,
het werk van algemeen belang waarvoor de beschikking geldt,
de te verrichten activiteiten en de voorbereiding daarvan,
de plichten van de rechthebbende,
de rechten en plichten van de initiatiefnemer.
Lid 2
De gedoogplichtbeschikking vermeldt of er voor bepaalde of onbepaalde tijd gebruik wordt gemaakt van de onroerende zaak.
Lid 3
Als dat voor de instandhouding van het werk van algemeen belang nodig is, kan in de gedoogplichtbeschikking een gebied rondom het werk worden vastgesteld waarin in de beschikking te noemen activiteiten niet zijn toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de initiatiefnemer.
Lid 4
Aan een gedoogplichtbeschikking kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 10.23
Lid 1
Op verzoek van de rechthebbende kan de gedoogplichtbeschikking worden gewijzigd als het gaat om de locatie van het werk van algemeen belang binnen de desbetreffende onroerende zaak.
Lid 2
Het eerste lid is alleen van toepassing als de rechthebbende over de wijziging van de locatie ondanks een redelijke poging daartoe geen overeenstemming heeft bereikt met de initiatiefnemer.
Lid 3
Het verzoek wordt in ieder geval afgewezen als het werk van algemeen belang redelijkerwijs niet op een andere locatie tot stand kan worden gebracht.
Artikel 10.24
Degene op wie een gedoogplicht op grond van paragraaf 10.3.2 rust, gedoogt dat de initiatiefnemer bomen en beplantingen rooit, inkort of snoeit voor zover die bomen en beplantingen hinderlijk zijn voor het tot stand brengen of opruimen van het werk van algemeen belang.
Artikel 10.25
De in de gedoogplichtbeschikking opgenomen rechten en plichten van de rechthebbende en van de initiatiefnemer rusten ook op hun rechtsopvolgers.
Artikel 10.26
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/172.
Artikel 10.27
Lid 1
Als de gedoogplichtbeschikking voor een werk van algemeen belang is ingetrokken, ruimt de initiatiefnemer dat werk op, tenzij met degene op wie de gedoogplicht rustte anders is overeengekomen.
Lid 2
Bij de opruiming wordt de onroerende zaak zoveel als mogelijk teruggebracht in de staat van voor de aanleg van het werk van algemeen belang, voor zover niet anders is overeengekomen.
Lid 3
Artikel 10.25 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.28
Artikel 20, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op werken van algemeen belang die met toepassing van een gedoogplichtbeschikking worden aangelegd, in stand gehouden, gewijzigd of verplaatst.