Artikel 9.4 Omgevingswet
Lid 1
Een voorkeursrecht vervalt:
bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder c: vijf jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedacht in een vastgestelde omgevingsvisie of een vastgesteld programma of is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,
bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder b: vijf jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,
bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na het ingaan ervan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn.
Lid 2
Een bestuursorgaan dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a, heeft gevestigd, kan besluiten de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, eenmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen. Als het voorkeursrecht eerder was gevestigd op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder c, en op het moment van vaststelling van het omgevingsplan langer dan zes jaar van kracht was, bedraagt de verlengde termijn in totaal ten hoogste zestien jaar verminderd met de tijd die is verstreken tussen het ingaan van het voorkeursrecht en de vaststelling van het omgevingsplan.
Lid 3
Een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, vervalt drie maanden na het ingaan ervan of, als dat eerder is, op het tijdstip dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, ingaat.
Lid 4
Een voorkeursrecht waarvan op grond van het eerste lid de geldingsduur is verlengd, vervalt:
bij een voorkeursrecht als bedoeld in het eerste lid, onder a, dat door tijdige vaststelling van een omgevingsvisie of een programma als bedoeld in dat onderdeel is komen te gelden als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder b: vijf jaar na de vaststelling van die omgevingsvisie of dat programma, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,
bij een voorkeursrecht als bedoeld in het eerste lid, onder b, dat door tijdige vaststelling van een omgevingsplan als bedoeld in dat onderdeel is komen te gelden als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na de inwerkingtreding van dat omgevingsplan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn.
Lid 5
Als een omgevingsplan wordt vernietigd, blijft een voorkeursrecht dat is gebaseerd op dat omgevingsplan gelden tot twee jaar na de vernietiging, tenzij het voorkeursrecht eerder wordt ingetrokken. Als binnen die termijn in het omgevingsplan de grondslag voor het voorkeursrecht wordt hersteld, heeft het voorkeursrecht de geldingsduur die het direct voorafgaand aan de vernietiging had.