Artikel 40 Invorderingswet 1990
Lid 1
De natuurlijke persoon die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, of het lichaam dat, al dan niet tezamen met een of meer verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen, daaronder begrepen liquide middelen, en die aandelen of een gedeelte daarvan vervreemdt, is aansprakelijk voor een gedeelte van de vennootschapsbelasting die de desbetreffende vennootschap is verschuldigd aan het einde van het jaar waarin de vervreemding plaatsvindt en de vennootschapsbelasting die verschuldigd wordt over de drie jaren daarna in verband met de op het tijdstip van de vervreemding aanwezige stille en in het kader van de heffing van de vennootschapsbelasting toegelaten fiscale reserves indien het vermogen van de vennootschap anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsvoering van de vennootschap is verminderd in de vijf jaren voorafgaande aan het jaar van de vervreemding, in het jaar van de vervreemding, dan wel in de drie jaren daarna.
Lid 2
Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voorzover zekerheid is gesteld voor het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de vennootschapsbelasting.
Lid 3
Het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de vennootschapsbelasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt, wordt bepaald naar het gedeelte van het vermogen van de vennootschap waarop krachtens de vervreemde aandelen aanspraak zou kunnen worden gemaakt ingeval op het tijdstip van de vervreemding de vennootschap zou worden ontbonden.
Lid 4
Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vervreemder van een belang of een gedeelte daarvan in een lichaam dat een niet in aandelen verdeeld kapitaal heeft. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder belang verstaan een gerechtigdheid, direct of indirect, tot ten minste een derde gedeelte van het vermogen of van het resultaat van het lichaam.
Lid 5
Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aandeelhouder of belanghouder in een lichaam ingeval dat lichaam een deelneming in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geheel of voor een gedeelte vervreemdt en de aandeelhouder of belanghouder voldoet aan het kwantitatieve criterium van het eerste lid onderscheidenlijk vierde lid, tweede volzin.
Lid 6
Een persoon of lichaam is, in afwijking van het eerste lid, niet aansprakelijk voor de vennootschapsbelasting die is of wordt verschuldigd in verband met een op het tijdstip van de vervreemding van de aandelen bij de vennootschap aanwezige egalisatiereserve als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de op dat tijdstip bij de vennootschap aanwezige stille reserves, voor zover:
deze reserves betrekking hebben op roerende zaken, onroerende zaken of vermogensrechten;
de zaken en rechten waarop de reserves betrekking hebben ten minste gedurende zes maanden na de vervreemding van de aandelen in bezit zijn van de vennootschap; en
de persoon of het lichaam bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting.
Dit artikel verwijst naar:
Recente uitspraken
Art. 40 Invord1990 is sinds 2004 in 8 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Amsterdam, Hof Amsterdam en Hof Den Haag.
- ECLI:NL:HR:2004:AF8839 — 30-01-2004 Hoge Raad
30 januari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/077HR JMH/HJH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer, t e g e n DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ ONDERNEMINGEN TE 's-HERTOGENBOSCH,… - ECLI:NL:GHSHE:2016:5583 — 15-12-2016 Hof 's-Hertogenbosch
Vennootschapsbelasting; Algemene wet inzake rijksbelastingen; ontbreekt een de navordering rechtvaardigend nieuw feit? Had de inspecteur aan de juistheid van de aangifte behoren te twijfelen (in de zin van HR 31 mei 2013 ECLI:NL:HR:2013:BX7184?) Het Hof beantwoordt beide vragen… - ECLI:NL:GHDHA:2016:2013 — 06-07-2016 Hof Den Haag
In hoger beroep is in geschil of belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 40 van de Invorderingswet 1990 terecht aansprakelijk is gesteld voor de helft van de door de [Y] BV onbetaald gelaten vennootschapsbelasting 2008. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord… - ECLI:NL:GHAMS:2013:2217 — 02-07-2013 Hof Amsterdam
Vennootschap met vervangingsreserve; onrechtmatig handelen jegens Ontvanger door zodanige handelingen te verrichten/ zodanige voorzorgsmaatregelen achterwege te laten dat vennootschap geen verhaal biedt voor voorzienbare belastingschuld? Civiele verjaringsregiem van toepassing.… - ECLI:NL:RBOBR:2016:6815 — 07-12-2016 Rb. Oost-Brabant
Beroepsaansprakelijkheid notaris en tenietgaan hypotheek. Aan notaris B was volmacht verleend tot algehele doorhaling van een hypotheek. Notaris B heeft de hypotheek niet doorgehaald. Eisers hebben de hypotheek opgezegd. Enige jaren later heeft notaris K met gebruikmaking van de…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.