Art. 7:76 Burgerlijk Wetboek Boek 7

Lid 1

Het is de kredietgever en de leverancier van de goederen of diensten verboden enige andere vorm van kredietvergoeding te bedingen, in rekening te brengen of te aanvaarden dan:

  1. een vergoeding die verschuldigd is bij afwikkeling overeenkomstig de betalingsregeling van de kredietovereenkomst;

  2. een vergoeding die verschuldigd wordt ingeval de kredietnemer, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling ingevolge de kredietovereenkomst.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, ten einde het aanvaarden door de kredietgever van te grote risico’s tegen te gaan, de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding vastgesteld en worden regels gegeven betreffende de tijdstippen waarop de kredietvergoeding in rekening wordt gebracht.

Lid 3

De ten hoogste toegelaten kredietvergoeding wordt uitgedrukt in een geldsom, een percentage of in enige andere vorm. Deze kan verschillen naar gelang van de hoogte van de kredietsom, de looptijd van de kredietovereenkomst, mede in verband met de termijnen van aflossing, de vorm van de kredietvergoeding bedoeld in lid 1, en het al dan niet variabel zijn van de kredietvergoeding.

Lid 4

Het is de kredietgever en de leverancier van de goederen of diensten verboden een hogere kredietvergoeding in rekening te brengen, te bedingen of te aanvaarden dan wel de kredietvergoeding op een ander tijdstip in rekening te brengen dan in gevolge de leden 2 en 3 is toegelaten.

Recente uitspraken

Art. 7:76 BW is sinds 2014 in 24 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Arnhem-Leeuwarden, Hof 's-Hertogenbosch en Gemeenschappelijk Hof van Justitie van A.

  • ECLI:NL:HR:2023:1006 — 30-06-2023 Hoge Raad
    Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Mogelijkheid om achteraf te betalen bij aankoop in webwinkel. Vragen over vorderingen uit hoofde van achteraf betaalservice en (ambtshalve) beoordeling daarvan door rechter in het licht van afdeling 1 van titel 7:2A BW en Richtlijn…
  • ECLI:NL:HR:2023:778 — 26-05-2023 Hoge Raad
    Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Mogelijkheid om achteraf te betalen bij aankoop in webwinkel. Vragen over vorderingen uit hoofde van achteraf-betaalservice en (ambtshalve) beoordeling daarvan door rechter in het licht van afdeling 1 van titel 7:2A BW en Richtlijn…
  • ECLI:NL:OGHACMB:2020:212 — 15-09-2020 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van A
    APR van meer dan 27% is nietig (art. 3:40 BW) ook bij een krediet met een looptijd van zes maanden
  • ECLI:NL:OGHACMB:2020:210 — 15-09-2020 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van A
    SPR van meer dan 27% is nietig (artikel 3:40 BW) ook bij een krediet met een looptijd van meer dan zes maanden.
  • ECLI:NL:OGHACMB:2020:209 — 15-09-2020 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van A
    APR hoger dan 27% is nietig (artikel 3:40 BW) ook bij krediet met een looptijd van zes maanden

Bekijk alle 24 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.