Art. 3:83 Burgerlijk Wetboek Boek 3

Lid 1

Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet.

Lid 2

De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.

Lid 3

Uitsluiting van de overdraagbaarheid of verpandbaarheid is niet mogelijk als het een geldvordering op naam betreft die voortkomt uit de uitoefening van een beroep of bedrijf. Een beding tussen schuldeiser en schuldenaar dat ertoe strekt de overdraagbaarheid of verpandbaarheid van een dergelijke geldvordering geheel of gedeeltelijk uit te sluiten dan wel vervreemding of verpanding ervan tegen te gaan, is nietig.

Lid 4

Het voorgaande lid is niet van toepassing op geldvorderingen:

  1. uit hoofde van een betaal- of spaarrekening;

  2. uit hoofde van een krediet- of geldleningsovereenkomst waarbij aan de kant van de kredietgever meerdere partijen betrokken zijn of zullen zijn;

  3. van of op een clearinginstelling, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, dan wel een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie, een verrekeningsinstituut of een centrale bank, als bedoeld in artikel 212a, onderdelen c, d, e en g van de Faillissementswet;

  4. die op grond van een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, 35, vijfde lid, of 35a, vierde lid, Invorderingswet 1990 zullen worden betaald op een bankrekening die wordt gehouden ten behoeve van de betaling van loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies.

Lid 5

Alle andere rechten zijn slechts overdraagbaar, wanneer de wet dit bepaalt.

Recente uitspraken

Art. 3:83 BW is sinds 2002 in 148 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Amsterdam, Hoge Raad en Rb. Gelderland.

  • ECLI:NL:HR:2025:1897 — 12-12-2025 Hoge Raad
    Vermogensrecht. Goederenrecht. Pandrecht. Art. 3:83 lid 1 BW. Zijn vorderingen op overheid uit hoofde van coronasteunmaatregelen (NOW en TVL) overdraagbaar en daarmee verpandbaar?
  • ECLI:NL:HR:2022:1344 — 30-09-2022 Hoge Raad
    Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Overgang fosfaatrechten (art. 25-31 Meststoffenwet). Is geldige titel voor overdracht in de zin van art. 3:84 lid 1 BW vereist?
  • ECLI:NL:HR:2022:984 — 01-07-2022 Hoge Raad
    Goederenrecht. Leidt een contractueel onoverdraagbaarheidsbeding met goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW steeds ook tot onverpandbaarheid? (art. 3:81 lid 1 BW; art. 3:228 BW).
  • ECLI:NL:HR:2020:1276 — 10-07-2020 Hoge Raad
    Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Vermogensrecht. Financieel recht. Is vordering van een bank uit geldlening overdraagbaar aan een niet-bank? Art. 3:83 lid 1 BW. Inhoud gecedeerde vordering. Art. 6:142 en 6:144 BW. Zorgplichten bank. Zorgplichten niet-bank. Verweermiddelen…
  • ECLI:NL:HR:2020:1274 — 10-07-2020 Hoge Raad
    Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Vermogensrecht. Financieel recht. Is vordering van een bank uit geldlening overdraagbaar aan een niet-bank? Art. 3:83 lid 1 BW. Inhoud gecedeerde vordering. Art. 6:142 en 6:144 BW. Zorgplichten bank. Zorgplichten niet-bank. Verweermiddelen…

Bekijk alle 148 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.