Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 22
Niet-verschenen verweerder
Indien een gedinginleidend stuk of een gelijkwaardig stuk uit hoofde van deze verordening ter betekening of kennisgeving naar een andere lidstaat moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, houdt de rechter zijn beslissing aan totdat is gebleken dat de betekening of kennisgeving van het stuk respectievelijk de afgifte ervan voldoende tijdig is geschied zodat de verweerder de gelegenheid heeft gehad zich te verweren en dat:
het stuk werd betekend of ter kennis gegeven met inachtneming van de door het recht van de aangezochte lidstaat voorgeschreven vormen voor de betekening of kennisgeving van stukken in binnenlandse rechtszaken aan zich op het grondgebied van die lidstaat bevindende personen, of
het stuk daadwerkelijk is afgegeven aan de verweerder in persoon of aan zijn verblijfplaats op een andere in deze verordening geregelde wijze.
Niettegenstaande lid 1 kan elke lidstaat de Commissie meedelen dat een rechter een beslissing mag vellen, zelfs wanneer geen certificaat van betekening, kennisgeving of afgifte van het gedinginleidend stuk of gelijkwaardig stuk is ontvangen, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
het stuk is op één van de in deze verordening geregelde wijzen verzonden;
sedert het tijdstip van verzending van het stuk is een termijn verlopen die door de rechter in die specifieke zaak als voldoende wordt beschouwd, doch die ten minste zes maanden bedraagt;
hoewel daartoe bij de bevoegde autoriteiten of organen van de aangezochte lidstaat elke redelijke inspanning is verricht, werd geen enkel certificaat ontvangen.
Die informatie wordt via het Europees e-justitieportaal beschikbaar gemaakt.
Niettegenstaande de leden 1 en 2 kunnen rechters in gemotiveerde spoedeisende gevallen voorlopige of bewarende maatregelen bevelen.
Indien een gedinginleidend stuk of een gelijkwaardig stuk overeenkomstig deze verordening ter betekening of kennisgeving naar een andere lidstaat moest worden gezonden en de verweerder bij verstek is veroordeeld, kan de rechter, indien de termijn waarbinnen een rechtsmiddel had moeten worden aangewend is verstreken, de verweerder toestaan het rechtsmiddel alsnog aan te wenden, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
de verweerder wist buiten zijn schuld niet voldoende tijdig van het stuk om zich te kunnen verweren of niet voldoende tijdig van de beslissing om daartegen een rechtsmiddel aan te kunnen wenden, en
de grieven van de verweerder zijn, naar het aanvankelijk oordeel van de rechter, niet van elke grond ontbloot.
Een verzoek om alsnog een rechtsmiddel te kunnen aanwenden, kan slechts worden ingediend binnen een redelijke termijn na het tijdstip waarop de verweerder van de beslissing kennis heeft gekregen.
Elke lidstaat kan de Commissie meedelen dat een verzoek om alsnog een rechtsmiddel te kunnen aanwenden niet ontvankelijk zal zijn indien het is ingediend na het verstrijken van een in die mededeling door de lidstaat gestelde termijn. Die termijn is echter in geen geval korter dan één jaar te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing is gegeven. Die informatie wordt via het Europees e-justitieportaal beschikbaar gemaakt.
Lid 4 is niet van toepassing op beslissingen betreffende de staat of bekwaamheid van personen.
Artikel 23
Wijziging van bijlage I
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I om de daarin vervatte formulieren bij te werken of technisch aan te passen.
Artikel 24
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
De in artikel 23 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 22 december 2020. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 23 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
Een op grond van artikel 23 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 25
Vaststelling van uitvoeringshandelingen door de Commissie
De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot invoering van het gedecentraliseerde IT-systeem, waarbij de volgende zaken worden geregeld:
de technische specificaties ter bepaling van de methoden voor communicatie langs elektronische weg voor de doeleinden van het gedecentraliseerde IT-systeem;
de technische specificaties voor communicatieprotocollen;
de doelstellingen inzake informatiebeveiliging en relevante technische maatregelen ter waarborging van minimumnormen voor informatiebeveiliging voor het verwerken en verstrekken van informatie binnen het gedecentraliseerde IT-systeem;
de minimumbeschikbaarheidsdoelstellingen en mogelijke daarmee verband houdende technische vereisten voor de door het gedecentraliseerde IT-systeem verstrekte diensten;
het instellen van een uit vertegenwoordigers van de lidstaten bestaande stuurgroep die de exploitatie en het onderhoud van het gedecentraliseerde IT-systeem moet waarborgen om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken.
De in lid 1 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 23 maart 2022 vastgesteld volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 26
Comitéprocedure
De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 27
Referentie-implementatiesoftware
De Commissie is verantwoordelijk voor het creëren, onderhouden en verder ontwikkelen van referentie-implementatiesoftware die de lidstaten eventueel in plaats van een nationaal IT-systeem als back-endsysteem wensen te gebruiken. Het creëren, onderhouden en verder ontwikkelen van de referentie-implementatiesoftware worden gefinancierd uit de algemene begroting van de Unie.
De Commissie levert, onderhoudt en ondersteunt de implementatie van de aan de toegangspunten onderliggende softwarecomponenten kosteloos.
Artikel 28
Kosten van het gedecentraliseerde IT-systeem
Elke lidstaat draagt de kosten van de installatie, de exploitatie en het onderhoud van zijn toegangspunten waardoor de nationale IT-systemen in het kader van het gedecentraliseerde IT-systeem zijn verbonden.
Elke lidstaat draagt de kosten in verband met het zodanig invoeren en aanpassen van zijn nationale IT-systemen dat deze interoperabel zijn met de toegangspunten, en draagt de kosten van het beheer, de exploitatie en het onderhoud van die systemen.
De leden 1 en 2 doen geen afbreuk aan de mogelijkheid van lidstaten om in het kader van de financiële programma’s van de Unie subsidies aan te vragen ter ondersteuning van de in die leden bedoelde activiteiten.
Artikel 29
Verband met overeenkomsten of regelingen tussen lidstaten
Voor de aangelegenheden waarop zij van toepassing is, heeft deze verordening voorrang op andersluidende bepalingen van door de lidstaten gesloten bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen, en met name het Verdrag van ’s-Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken, wat betreft de betrekkingen tussen de lidstaten die daar partij bij zijn.
Deze verordening belet lidstaten niet overeenkomsten of regelingen te behouden of te sluiten om de verzending van stukken te versnellen of verder te vereenvoudigen, mits die overeenkomsten of regelingen met deze verordening verenigbaar zijn.
Elke lidstaat doet aan de Commissie het volgende toekomen:
een exemplaar van elke in lid 2 bedoelde tussen de lidstaten gesloten overeenkomst of regeling, alsook ontwerpen van dergelijke overeenkomsten of regelingen die hij zich voorneemt vast te stellen, en
elke opzegging of wijziging van die overeenkomsten of regelingen.
Artikel 30
Rechtsbijstand
Deze verordening heeft geen gevolgen voor de toepassing van artikel 24 van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1 maart 1954 betreffende de burgerlijke rechtsvordering of artikel 13 van het Verdrag van 25 oktober 1980 inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen tussen de lidstaten die partij zijn bij die verdragen.
Artikel 31
Bescherming van verzonden gegevens
Elke verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening, met inbegrip van de uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten, geschiedt conform Verordening (EU) 2016/679.
Elke uitwisseling of doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van de Unie geschiedt overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725.
Persoonsgegevens die niet relevant zijn voor de behandeling van een specifiek geval, worden onmiddellijk gewist.
De uit hoofde van het nationale recht bevoegde autoriteit(en) wordt (worden) als verwerkingsverantwoordelijke(n) in de zin van Verordening (EU) 2016/679 beschouwd ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening
Niettegenstaande de leden 1 en 2 worden de uit hoofde van deze verordening verzonden gegevens door de ontvangende instantie alleen gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verzonden.
De ontvangende instanties waarborgen dat dergelijke gegevens vertrouwelijk blijven overeenkomstig hun nationale recht.
De leden 3 en 4 doen geen afbreuk aan nationaal recht dat degenen wier gegevens het betreft, in staat stelt te worden ingelicht omtrent het gebruik van uit hoofde van deze verordening verzonden gegevens.
Deze verordening doet geen afbreuk aan Richtlijn 2002/58/EG.
Artikel 32
Eerbiediging van de grondrechten uit hoofde van het Unierecht
De grondrechten en fundamentele vrijheden van alle betrokken personen, en met name het recht op gelijke toegang tot de rechter, op non-discriminatie en op bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, worden overeenkomstig het Unierecht ten volle in acht genomen en geëerbiedigd.
Artikel 33
Mededelingen, bekendmaking en handleiding
De lidstaten delen de Commissie de in de artikelen 3, 7, 12, 14, 17, 19, 20 en 22 bedoelde gegevens mee.
De lidstaten delen de Commissie mee of hun nationale recht vereist dat een stuk overeenkomstig hun recht binnen een bepaalde termijn als bedoeld in artikel 12, lid 5, en artikel 13, lid 2, moet worden betekend of ter kennis gegeven.
De lidstaten kunnen de Commissie ervan in kennis stellen dat zij het gedecentraliseerde IT-systeem eerder kunnen exploiteren dan bij deze verordening vereist. De Commissie stelt dergelijke informatie elektronisch ter beschikking, met name via het Europees e-justitieportaal.
De Commissie maakt de overeenkomstig lid 1 meegedeelde gegevens bekend via de gepaste middelen, met inbegrip van het Europese e-justitieportaal.
De Commissie zorgt voor de opstelling en regelmatige bijwerking van een handleiding die de in lid 1 bedoelde gegevens bevat. Zij maakt de handleiding elektronisch beschikbaar, met name via het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken en op het Europees e-justitieportaal.
Artikel 34
Monitoring
Uiterlijk op 2 juli 2023 stelt de Commissie een gedetailleerd programma op voor monitoring van de outputs, resultaten en effecten van deze verordening.
In het monitoringprogramma wordt aangegeven welke actie de Commissie en de lidstaten moeten ondernemen om de outputs, resultaten en effecten van deze verordening te monitoren. Er wordt in vermeld wanneer de in lid 3 bedoelde gegevens voor het eerst moeten worden verzameld, met als uiterste datum 2 juli 2026, en met welke frequentie die gegevens daarna moeten worden verzameld.
De lidstaten verstrekken de volgende gegevens, indien beschikbaar, aan de Commissie met het oog op monitoring:
het aantal overeenkomstig artikel 8 verzonden aanvragen voor betekening of kennisgeving van stukken;
het aantal overeenkomstig artikel 11 uitgevoerde aanvragen voor betekening of kennisgeving van stukken;
het aantal gevallen waarin de aanvraag voor betekening of kennisgeving van stukken langs een andere weg dan via het gedecentraliseerde IT-systeem is verzonden, overeenkomstig artikel 5, lid 4;
het aantal ontvangen certificaten van niet-betekening of niet-kennisgeving van stukken;
het aantal door de verzendende instanties ontvangen weigeringen van stukken om redenen van de taal.
De referentie-implementatiesoftware en, indien zo uitgerust, het nationale back-endsysteem verzamelen programmagewijs de in lid 3, punten a), b) en d), bedoelde gegevens en zenden deze regelmatig toe aan de Commissie.
Artikel 35
Evaluatie
Uiterlijk vijf jaar na de datum met ingang waarvan artikel 5 overeenkomstig artikel 37, lid 2, van toepassing is voert de Commissie een evaluatie van deze verordening uit en doet zij over de belangrijkste bevindingen verslag aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité, indien passend vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
De lidstaten verstrekken de Commissie de informatie die nodig is voor het opstellen van het in lid 1 bedoelde verslag.
Artikel 36
Intrekking
Verordening (EG) nr. 1393/2007 wordt ingetrokken met ingang van de datum van toepassing van deze verordening, met uitzondering van de artikelen 4 en 6 van Verordening (EG) nr. 1393/2007, die worden ingetrokken met ingang van de in artikel 37, lid 2, van deze verordening bedoelde datum van toepassing van de artikelen 5, 8 en 10.
Elke verwijzing naar de ingetrokken verordening wordt gelezen als een verwijzing naar deze verordening en wordt gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage III.
Artikel 37
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2022.
De artikelen 5, 8 en 10 zijn van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de periode van drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de in artikel 25 bedoelde uitvoeringshandelingen.
Artikel 19 bis is van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de periode van twee jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de in artikel 10, lid 3, punt a), van Verordening (EU) 2023/2844 bedoelde uitvoeringshandelingen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.