Hoofdstuk 13. Voorhang en evaluaties
Artikel 13.1
Lid 1
De voordracht voor een krachtens artikel 2.94, vierde lid, artikel 5.9, derde lid, artikel 5.49, vijfde lid, artikel 7.46, eerste of tweede lid, artikel 8.9a, tweede lid, artikel 8.15, achtste lid, artikel 9.1, tweede lid, of artikel 9.2 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Lid 2
Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Lid 3
Het tweede lid betreft algemene maatregelen van bestuur op grond van:
Lid 4
Indien de verdeling van de kosten, bedoeld in artikel 5.33, tweede lid, onderdeel c, wordt geregeld bij ministeriële regeling, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Lid 5
Een krachtens artikel 5.9, eerste lid, vast te stellen ministeriële regeling wordt, voor zover die betrekking heeft op aanvullende bekostiging voor geïsoleerde scholen of scholengemeenschappen, aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging van het ontwerp. Indien een der Kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt de ministeriële regeling niet vastgesteld en kan niet eerder dan vier weken na het besluit van die Kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.
Artikel 13.3
Vervallen
Artikel 13.4
Onze Minister zendt, gerekend vanaf 1 augustus 2016 telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het door de scholen om niet ter beschikking stellen van lesmateriaal aan de leerlingen in het voortgezet onderwijs (Stb. 2008, 206). Hierin wordt in ieder geval aandacht besteed aan:
de ontwikkeling van de kosten van het lesmateriaal in relatie tot de hoogte van het bedrag per leerling;
de ontwikkeling van de bijkomende schoolkosten voor de ouders;
de beoogde verbetering van de marktwerking op de educatieve boekenmarkt;
de keuzevrijheid op scholen tot het voorschrijven van lesmateriaal; en
de gevolgen van Europese aanbestedingen in het kader van die wet.
Artikel 13.5
Onze Minister zendt, gerekend vanaf 1 augustus 2015, steeds na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.94 en 2.95 in de praktijk.
Artikel 13.6
Lid 1
Onze Minister zendt voor zover het betreft Europees Nederland binnen vijf jaar na 1 augustus 2015 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.92, tweede lid, onderdeel n, en 3.40 in de praktijk.
Lid 2
Onze Minister zendt voor zover het betreft Caribisch Nederland binnen vijf jaar na de inwerkingtreding voor Caribisch Nederland van de artikelen 2.92 en 3.40 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.92, tweede lid, onderdeel n, en 3.40 in de praktijk.
Artikel 13.7
Vervallen
Artikel 13.8
Onze Minister zendt binnen drie jaar na 1 januari 2018 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 3.22 tot en met 3.26 in de praktijk.
Artikel 13.9
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 februari 2018 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikelen 8.17, negende tot en met twaalfde lid, in de praktijk.
Artikel 13.10
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 augustus 2020 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 8.9a in de praktijk.
Artikel 13.11
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 augustus 2020 aan de Staten-Generaal een verslag van de doeltreffendheid en de effecten van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Leerplichtwet 1969 in verband met de versterking van het beroepsonderwijs, door het wettelijk mogelijk maken van doorlopende leerroutes vmbo-mbo (sterk beroepsonderwijs) (Stb. 2020, 157) in de praktijk, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de effecten van die wet op de voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten.
Artikel 13.12
Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na 1 november 2020 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) in de praktijk. Daarbij wordt in ieder geval gelet op de effecten op de segregatie.
Artikel 13.13
Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zendt binnen drie jaar na 1 augustus 2021 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.92, eerste lid, onderdeel f, en 8.32 in de praktijk.
Artikel 13.14
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 oktober 2021, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 5.4 tot en met 5.10, 5.25, 5.27, 5.28 en 11.56 in de praktijk.
Artikel 13.15
Onze Minister zendt binnen vijf en vervolgens binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.