Hoofdstuk II. Verzoeken om hergebruik
Wordt genoemd in:
Artikel 3
Lid 1
Een ieder kan een verzoek om hergebruik richten tot een met een publieke taak belaste instelling of een onder verantwoordelijkheid van een met een publieke taak belaste instelling werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Lid 2
De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek welke informatie hij wenst te hergebruiken.
Lid 3
De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.
Lid 4
Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt de met een publieke taak belaste instelling de verzoeker dit zo spoedig mogelijk te preciseren en is zij hem daarbij behulpzaam.
Lid 5
De met een publieke taak belaste instelling kan een verzoek om hergebruik slechts afwijzen, indien het verzoek informatie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, betreft.
Lid 6
Onverminderd hetgeen bepaald in het vijfde lid, kan een museum of bibliotheek een verzoek om hergebruik afwijzen, indien het museum of de bibliotheek de rechthebbende van de informatie is in de zin van de Auteurswet, de Wet op de naburige rechten of de Databankenwet.
Lid 7
Een met een publieke taak belaste instelling die een verzoek om hergebruik afwijst omdat het verzoek informatie betreft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, deelt aan de verzoeker de identiteit mee van de rechthebbende of de licentiegever van de gevraagde informatie.
Lid 8
Indien een museum of bibliotheek een verzoek om hergebruik afwijst omdat het verzoek informatie betreft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, hoeft de identiteit van de rechthebbende of de licentiegever van de gevraagde informatie niet te worden medegedeeld.
Artikel 4
Lid 1
Indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een andere met een publieke taak belaste instelling dan die waarbij het verzoek is ingediend, wordt de verzoeker zo nodig naar die instelling verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.
Lid 2
De beslissing op een verzoek om hergebruik wordt mondeling of schriftelijk genomen.
Lid 3
Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een schriftelijk verzoek om hergebruik vindt schriftelijk plaats. In geval van een mondeling verzoek vindt een afwijzing schriftelijk plaats, indien de verzoeker daarom vraagt. De verzoeker wordt op deze mogelijkheid gewezen.
Lid 4
De met een publieke taak belaste instelling beslist op het verzoek om hergebruik zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
Lid 5
De met een publieke taak belaste instelling kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.
Lid 6
Onverminderd artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de met een publieke taak belaste instelling de verzoeker meedeelt dat toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, tot de dag waarop door de belanghebbende of belanghebbenden een zienswijze naar voren is gebracht of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Lid 7
Indien de opschorting, bedoeld in het zesde lid, eindigt, doet de met een publieke taak belaste instelling daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan de verzoeker, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven.
Lid 8
Indien de met een publieke taak belaste instelling heeft besloten informatie voor hergebruik ter beschikking te stellen, verstrekt het de informatie zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen een termijn die het mogelijk maakt het potentieel van de informatie volledig te benutten. De verzoeker wordt in kennis gesteld van de termijn waarop de informatie zal worden verstrekt.
Artikel 4a
Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op besluiten op grond van deze wet en op beslissingen op bezwaar tegen deze besluiten.
Artikel 4b
Lid 1
In geval van een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van deze wet of een beslissing op bezwaar tegen een dergelijk besluit waarbij nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter, indien de omvang van het verzoek hiertoe aanleiding geeft, in afwijking van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt.
Lid 2
Indien de bestuursrechter oordeelt dat het niet tijdig nemen van een besluit kennelijk het gevolg is van de wijze van indiening van het verzoek en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter, indien het verzoek hiertoe aanleiding geeft, in afwijking van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een langere termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt.
Lid 3
De bestuursrechter kan artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing laten en een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht achterwege laten, indien de indiener van het beroepschrift, gelet op de omvang van het verzoek, onvoldoende heeft meegewerkt aan het bereiken van overeenstemming over:
een opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 4:15, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht, of
verder uitstel van de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, onderdeel a of b, van de Algemene wet bestuursrecht.
Lid 4
De bestuursrechter kan eveneens artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing laten en een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht achterwege laten, indien hij oordeelt dat het niet tijdig nemen van een besluit kennelijk het gevolg is van de wijze van indiening van het verzoek.