Artikel 58 bis Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
Een hogere voorziening tegen een uitspraak van het Gerecht over een besluit van een onafhankelijke kamer van beroep van een van de volgende organen en instanties van de Unie zal niet worden behandeld, tenzij het Hof van Justitie eerst beslist dat het daarvan kennis moet kunnen nemen:
het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie;
het Communautair Bureau voor plantenrassen;
het Europees Agentschap voor chemische stoffen;
het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart;
het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators;
de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad;
de Europese Bankautoriteit;
de Europese Autoriteit voor effecten en markten;
de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen;
het Spoorwegbureau van de Europese Unie.
De in de eerste alinea bedoelde procedure is ook van toepassing op hogere voorzieningen tegen:
beslissingen van het Gerecht over een besluit van een onafhankelijke kamer van beroep die binnen enig ander orgaan of enige andere instantie van de Unie is ingesteld na 1 mei 2019, en die eerst moet worden aangezocht voordat een beroep kan worden ingesteld bij het Gerecht;
beslissingen van het Gerecht over de uitvoering van een overeenkomst die een arbitragebeding bevat in de zin van artikel 272 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
De hogere voorziening wordt overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering geheel of gedeeltelijk toegelaten wanneer daarbij een vraag aan de orde komt die belangrijk is voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht.
De beslissing aangaande de toelaatbaarheid van de hogere voorziening wordt met redenen omkleed en bekendgemaakt.
Geconsolideerde tekst van 15-03-2025 (bron: EUR-Lex). Juridisch bindend is alleen de tekst in het Publicatieblad van de EU.