BRS.26.004464
ECLI:NL:RVS:2026:6106
Datum uitspraak: 16 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 augustus 2026 in zaak nr. NL26.45447 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 augustus 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij mondelinge uitspraak van 14 augustus 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Hoewel in dit geval de kennisgeving te laat naar de rechtbank is gezonden, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de belangen van de minister bij voortzetting van de maatregel van vreemdelingenbewaring in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van appellant bij opheffing daarvan. De Afdeling wijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 17 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5462, onder 4.7 en 4.8. De omstandigheid dat de minister niet expliciet heeft toegelicht waarom de kennisgeving niet onverwijld is verzonden, betekent niet dat zijn belang bij voortzetting van de maatregel van vreemdelingenbewaring vervalt. Daarbij komt dat de rechtbank op 14 augustus 2026, tien dagen na oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring, uitspraak heeft gedaan. Dat is dus binnen de termijn bedoeld in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2026
644-1219