BRS.26.005111
ECLI:NL:RVS:2026:6035
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 23 september 2026 in zaak nr. NL26.53329 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 september 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 23 september 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A.M. Karsten, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van de Afdeling van 3 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5134, over de vraag of een vreemdeling na afwijzing van zijn asielaanvraag in de versnelde procedure rechtmatig verblijf heeft gedurende de beroepstermijn en de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. De Afdeling heeft in die uitspraak ook uitgelegd waarom zij geen reden ziet hierover prejudiciële vragen te stellen.
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026
907-1102