BRS.26.002371
ECLI:NL:RVS:2026:6043
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 april 2026 in zaak nr. NL24.29048 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 21 juni 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.N. Arikan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij Bouwservice Nusret. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat appellant niet in het bezit is van een geldige mvv en geen aanleiding bestaat om appellant vrij te stellen van het vereiste van een geldige mvv.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het invoeren van het
mvv-vereiste niet in strijd is met de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol (AP). Het invoeren van het mvv-vereiste is weliswaar een aanscherping in de zin van de standstillbepaling, maar deze kan worden gerechtvaardigd en is daarom toegestaan. Het invoeren van het mvv-vereiste vindt een rechtvaardiging in dwingende redenen van algemeen belang en is geschikt, noodzakelijk en evenredig. Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat een aanvraag om hem een mvv te verlenen wordt afgewezen als er geen uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) is overgelegd. Ook heeft appellant niet concreet met stukken onderbouwd dat het starten van een onderneming vanuit Turkije onmogelijk is, aldus de rechtbank. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende toegelicht dat er geen aanleiding is om appellant vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van het beleid in paragraaf B1/4.1.2 van de Vc 2000, waarin de wijze van toepassing door de minister van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 is toegelicht, of op grond van de hardheidsclausule van artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000.
3. In zijn eerste en tweede grief komt appellant op tegen dit oordeel van de rechtbank. Volgens hem is een aanvraag om een mvv te verlenen vanuit Turkije kansloos voor ondernemers met een eenmanszaak of een vennootschap onder firma (vof), omdat het technisch onmogelijk is om een eenmanszaak of een vof op te richten vanuit het buitenland. De ondernemer moet daarvoor fysiek aanwezig zijn in Nederland. Verder wordt een eenmanszaak bij vertrek uit Nederland uitgeschreven uit het Handelsregister. Zonder inschrijving in het Handelsregister bestaat de onderneming juridisch gezien niet. Er is dan geen rechtsgeldige economische activiteit en daarom ook geen bewijs dat de onderneming daadwerkelijk voorziet in een behoefte in Nederland. Zonder inschrijving in het Handelsregister is het onmogelijk om te voldoen aan de vereisten van bijlage 8aa, behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV 2000, waardoor niet kan worden bewezen dat de ondernemer een wezenlijke bijdrage levert aan de Nederlandse markteconomie en dat de onderneming levensvatbaar is. Zonder inschrijving in het Handelsregister en zonder btw-aangiften of banktransacties is ook geen objectieve financiële controle mogelijk. Appellant verwijst naar besluiten in andere zaken, ten behoeve van andere vreemdelingen, waaruit volgens hem blijkt dat de uitschrijving van het bedrijf uit het Handelsregister voldoende is voor afwijzing van de aanvraag. Ook kan er volgens appellant geen concrete markt- en concurrentieanalyse worden verstrekt, omdat niet objectief kan worden bewezen waar de onderneming zich zal vestigen. Gelet op dit alles is het bij een aanvraag om een mvv te verlenen niet mogelijk om aan het documentatievereiste te voldoen en daarom is het mvv-vereiste in strijd met de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het AP. Dit heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend, aldus appellant.
3.1. Deze grieven falen. De Afdeling licht hierna toe waarom.
3.2. Om in aanmerking te komen voor een mvv en een daarmee samenhangende verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige moet volgens de minister met die arbeid een wezenlijk Nederlands belang zijn gediend. In bijlage 8aa van het VV 2000 en paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 is expliciet opgesomd welke stukken en gegevens een Turkse vreemdeling moet overleggen, en welke feitelijke informatie deze moeten bevatten, om aannemelijk te maken dat hij aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang voldoet. Dit is het documentatievereiste. Om te voldoen aan het vereiste van het wezenlijk Nederlands belang moet de onderneming van een vreemdeling onder meer voorzien in een behoefte in Nederland. Daarvan is sprake als er een zodanige markt voor de producten of diensten van de aanvrager is, dat de onderneming levensvatbaar is. De behoefte en de levensvatbaarheid worden aangetoond door middel van een ondernemingsplan waarin onder meer een markt- en concurrentieanalyse is opgenomen die is toegespitst op het eigen product of dienst. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:734, onder 5 tot en met 5.2. Anders dan appellant stelt, is het dus niet de inschrijving van het bedrijf in het Handelsregister, maar het ondernemingsplan waarmee de behoefte aan het product of de dienst en de levensvatbaarheid van de onderneming worden aangetoond.
3.3. Dat het zonder inschrijving van het bedrijf in het Handelsregister niet mogelijk is om aan de vereisten van bijlage 8aa te voldoen, volgt de Afdeling niet. In bijlage 8aa wordt een uittreksel uit het Handelsregister immers niet als vereiste genoemd.
Paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 noemt wel een uittreksel uit het Handelsregister, namelijk als stuk dat de IND als bewijsmiddel beschouwt waaruit moet blijken dat de vreemdeling bevoegd is een beroep of onderneming uit te oefenen. Echter, als een vreemdeling een steekhoudende verklaring heeft gegeven waarom hij geen uittreksel uit het Handelsregister over kan leggen, en de minister de aanvraag desondanks niet voorlegt voor advies aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO), zal de minister dit moeten motiveren. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, onder 5.1. Bovendien is paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 geen algemeen verbindend voorschrift, maar een beleidsregel waarvan de minister met toepassing van artikel 4:84 van de Awb in voorkomende gevallen kan afwijken.
3.4. In bijlage 8aa worden btw-aangiften en bankafschriften genoemd, maar alleen voor onderbouwing van eventuele al gerealiseerde omzetgegevens. Als er geen omzet is geweest omdat het bedrijf nog niet actief is, hoeven dus ook geen btw-aangiften en bankafschriften of andere stukken en/of informatie met betrekking tot de omzet over te worden gelegd.
3.5. Appellant verwijst naar een brief van de minister van 22 april 2026, waarin de minister vragen beantwoordt van de rechtbank in een andere zaak. In deze brief merkt de minister op dat als bij een aanvraag voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, behalve een uittreksel uit het Handelsregister van de KvK, alle overig vereiste documenten worden overgelegd en steekhoudend wordt verklaard waarom een uittreksel ontbreekt, de minister veelal niet meer kan motiveren waarom hij de zaak niet aan de RvO voorlegt en de zaak doorgaans aan de RvO zal worden voorgelegd. Ook merkt de minister in de brief op dat de KvK een voornemen om een onderneming uit te schrijven altijd eerst kenbaar maakt bij de ondernemer, die vervolgens zijn zienswijze kan geven, en dat er tegen uitschrijving uit het Handelsregister rechtsmiddelen openstaan. Verder merkt de minister in de brief op dat de KvK aan de minister heeft laten weten dat een verklaring van een ondernemer dat hij in het buitenland verblijft in afwachting van een mvv-procedure, geen reden is voor de KvK om over te gaan tot uitschrijving uit het Handelsregister.
3.6. Dat appellant, zoals hij stelt, zich niet kan voorstellen dat de KvK deze mededeling heeft gedaan omdat de Handelsregisterwet voor iedereen gelijkluidend is, maakt niet dat niet uitgegaan kan worden van de inhoud van de brief en daarmee van de mededeling van de KvK. Appellant licht ook niet toe op grond van welke bepaling(en) van de Handelsregisterwet de mededeling in strijd zou zijn met die wet. Hij verwijst naar een uitspraak van 14 november 2019 van de voorzieningenrechter van het CBb, ECLI:NL:CBB:2019:642, maar die uitspraak gaat niet over uitschrijving uit het Handelsregister tijdens een mvv-procedure. Die uitspraak gaat namelijk over een zaak waarin door een derde een melding is gedaan in de zin van artikel 38 van de Handelsregisterwet, dat de betreffende onderneming niet meer op een bepaald adres is gevestigd. Die uitspraak gaat dus niet over een vergelijkbare kwestie.
Verder klaagt appellant dat er geen enkel verslag of bewijsstuk over is gelegd van de inhoud van de gesprekken tussen de minister en de KvK. Ook stelt hij dat het niet logisch is als de KvK jaren zal wachten met uitschrijven als de ondernemer twee tot drie jaar in procedure is. Deze argumenten maken evenmin dat niet van de juistheid van de informatie in de brief van de minister en daarmee van de mededeling van de KvK kan worden uitgegaan. Bovendien hoeven de minister en de KvK niet op eigen initiatief een verslag of bewijsstukken van hun besprekingen over te leggen.
De verwijzing door appellant naar de gesprekken met een chatbot en vervolgens een medewerker op 16 april 2026 en op onbekende datum leiden niet tot een andere conclusie. De weergegeven gesprekken zijn, wat daar ook van zij, onvoldoende om niet uit te kunnen gaan van de mededelingen van de KvK aan de minister, zoals door de minister weergegeven in zijn brief van 22 april 2026.
3.7. De Afdeling wijst op het door appellant in beroep overgelegde stuk van de KvK getiteld ‘Deregistratie’. In dit stuk staat dat wanneer blijkt dat het bedrijf niet meer actief is, het bedrijf een brief van de KvK ontvangt en dat bij het uitblijven van een reactie op die brief het bedrijf na vier weken wordt uitgeschreven. Hieruit maakt de Afdeling op dat er in ieder geval sprake is van automatische uitschrijving uit het Handelsregister als er niet wordt gereageerd op de brief van de KvK. Uit het stuk volgt niet dat als er wel wordt gereageerd op de brief van de KvK er desondanks ook automatisch wordt uitgeschreven.
3.8. Appellant verwijst naar besluiten in andere zaken waaruit volgens hem blijkt dat een aanvraag wordt afgewezen alleen al als het bedrijf niet in het Handelsregister is ingeschreven. Appellant heeft echter maar één besluit overgelegd. Anders dan appellant stelt, blijkt uit het overgelegde besluit niet dat een aanvraag om hem een mvv te verlenen wordt afgewezen als het bedrijf uit het Handelsregister is uitgeschreven. Allereerst betreft het besluit de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning in de zin van artikel 14 van de Vw 2000 en niet de afwijzing van een aanvraag om een mvv te verlenen. Ten tweede is de aanvraag in het besluit afgewezen, omdat de betreffende vreemdeling niet meer als vennoot in het Handelsregister stond ingeschreven, waardoor de gegevens die door die vreemdeling waren verstrekt in het kader van zijn aanvraag geen betrekking meer hadden op de te verrichten werkzaamheden en hij daarom niet meer aan het gevraagde verblijfsdoel voldeed. Het bedrijf was nog wel ingeschreven.
3.9. Appellant heeft een eenmanszaak, die is ingeschreven in het Handelsregister van de KvK. Zoals volgt uit het voorgaande kan hij bij vertrek uit Nederland uitschrijving uit het register voorkomen door tijdig op de brief van de KvK naar aanleiding van zijn inactiviteit te reageren en de KvK te wijzen op de ingediende aanvraag om een mvv te verlenen. Mocht de KvK hem desondanks uitschrijven, dan kan hij tegen die uitschrijving een rechtsmiddel aanwenden. In het kader van zijn aanvraag om hem een mvv te verlenen kan hij zich dan tegenover de minister beroepen op bewijsnood voor de inschrijving van zijn bedrijf in het Handelsregister en dit beroep met stukken, zoals zijn reactie aan de KvK, onderbouwen.
3.10. Appellant heeft verder betoogd dat de Afdeling in de uitspraak van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2935, niet heeft geoordeeld dat het ontbreken van de stukken waarvoor een steekhoudende verklaring wordt gegeven niet tot afwijzing van de aanvraag mag leiden en dat de RvO nog steeds tot een negatief advies kan komen. Dit betoog slaagt niet. Het is aan de minister en niet aan de Afdeling om te beslissen of en wanneer een aanvraag wordt ingewilligd of afgewezen. Het is ook aan de minister om te bepalen of hij een eventueel negatief advies van de RvO wel of niet volgt.
3.11. Ook faalt het betoog van appellant dat er bij een aanvraag om een mvv te verlenen geen concrete markt- en concurrentieanalyse kan worden verstrekt, omdat niet objectief kan worden bewezen waar de onderneming zich zal vestigen. Bijlage 8aa van het VV 2000 en paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 stellen niet als vereiste dat objectief moet worden bewezen waar de onderneming zal worden gevestigd. Appellant benoemt ook niet waaruit hij het bestaan van zo’n vereiste heeft afgeleid.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet een vreemdeling als hij zich met zijn product of dienst wil richten op een specifieke regio of stad, met stukken onderbouwen dat op de regionale of lokale markt waar hij werkzaam wil zijn, behoefte is aan zijn product of dienst. In dat geval kan hij ter onderbouwing van de behoefte niet volstaan met algemene informatie over de Nederlandse markt als geheel. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, onder 5.2. Als de vreemdeling zich echter wil richten op de Nederlandse markt als geheel, zal hij moeten onderbouwen dat er op die markt behoefte is aan zijn product of dienst.
3.12. Gelet op het voorgaande heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat een mvv-aanvraag kansloos is, omdat niet aan het documentatievereiste kan worden voldaan. Daarom is ook niet gebleken dat het mvv-vereiste om die reden in strijd is met de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het AP. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister voldoende heeft onderbouwd dat er geen aanleiding is om appellant vrij te stellen van het mvv-vereiste.
3.13. Wat appellant verder in de eerste en tweede grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. In de derde grief betoogt appellant tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hoorplicht niet is geschonden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant in bezwaar geen bijzondere, individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht. Gelet op de motivering van het besluit van 7 juli 2023 en wat appellant daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is in dit geval voldaan aan de maatstaf om van het horen af te zien.
4.1. De derde grief faalt.
4.2. Ook roepen de grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Boom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026
1058