RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/435585 / HA ZA 25-302
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
MR. [curator] . handelend in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hollandsstroom B.V.,
kantoorhoudende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaten: mr. A. Bouts en mr. I.A.W. Been,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SOLAAR B.V.,
gevestigd te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Solaar,
advocaten: mr. M.N. van Dam en mr. L.P. Zandstra.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 26 november 2025 en de daarin genoemde stukken,
– de akte houdende vermeerdering en wijziging van eis, tevens overlegging producties
20 tot en met 22 van de curator,
– de akte overlegging productie 5 van Solaar,
– de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen
zijn gemaakt,
– de spreekaantekeningen van mr. I.A.W. Been, zoals deze zijn overgelegd en
voorgedragen op de mondelinge behandeling,
– de spreekaantekeningen van mr. L.P. Zandstra, zoals deze zijn overgelegd en
voorgedragen op de mondelinge behandeling.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2024 is de vennootschap Hollandstroom BV (hierna: HEM) in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. [curator] tot curator.
HEM was een energiemaatschappij die elektriciteit en gas inkocht op de markt en deze doorverkocht aan haar klanten.
Solaar heeft een installatiebedrijf voor thuisbatterijen, zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen.
In de administratie van HEM heeft de curator, onder meer, de kolommenbalans van HEM en bankafschriften aangetroffen. Volgens de kolommenbalans heeft HEM per 31 december 2024 een rekening-courantvordering op Solaar van € 622.588,42. In de kolommenbalans is in het boekjaar 2024 ook een creditboeking ten gunste van Solaar opgenomen van € 532.210,32 en een (rest)vordering op Solaar van € 90.378,10.
Op 10 maart 2025 heeft de curator de beschikking gekregen over een voorlopige, niet vastgestelde jaarrekening van HEM over 2023. Daarin staat vermeld “Afboeking vordering r/c Solaar BV vanwege oninbaarheid 622.588,42”. Na het faillissement van HEM is deze jaarrekening gedeponeerd.
Bij brief van 27 maart 2025 heeft de curator Solaar, onder meer, het volgende bericht:
“Uit de door HEM aan mij ter beschikking gestelde administratie leid ik af dat er nog een door Solaar B.V. aan HEM verschuldigde rekening-courantvordering openstaat. Als gevolg hiervan heeft de boedel van HEM een vordering op Solaar B.V. van EUR 622.588,42. In bijlage 1 treft u een afschrift aan uit de administratie van HEM waaruit de vordering van HEM op Solaar B.V. blijkt voor een bedrag van per eind 2023 EUR 622.588,42. De creditboeking door HEM in 2024 voor een bedrag van EUR 532.210,32 kan ik niet plaatsen. In de mutaties van de bankrekening van HEM bij ING Bank N.V. heb ik ten aanzien van Solaar B.V. enkel de betalingen opgenomen in bijlage 2 aangetroffen. De mutaties op de bankrekening (…)306 van HEM bedragen EUR 102.082,01 aan uitgaande betalingen aan Solaar B.V. in 2024 en de mutaties op de bankrekening (…)306 van HEM bedragen EUR 520.750 aan uitgaande betalingen aan Solaar B.V. in 2023. Vanaf 2023 zijn door HEM geen betalingen ontvangen van Solaar B.V”.
De curator heeft in zijn brief Solaar verzocht om het bedrag van € 622.588,42 binnen veertien dagen te voldoen op de faillissementsrekening van HEM. Daarbij heeft de curator Solaar te kennen gegeven dat hij zich bij het uitblijven van betaling vrij acht om incassomaatregelen te treffen en dat hij in dat geval aanspraak zal maken op wettelijke rente.
Bij brief van 15 april 2025 heeft de curator Solaar gesommeerd om het bedrag van € 622.588,42 binnen zeven dagen te voldoen op de faillissementsrekening van HEM. Solaar heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.
Met machtiging van de rechter-commissaris in het faillissement van HEM en na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft de curator op 24 april 2025 ten laste van Solaar conservatoire beslagen doen leggen onder derden (financiële instellingen). Dit tot zekerheid van verhaal van een vermeende rekening-courantvordering van HEM op Solaar, door de voorzieningenrechter begroot op
€ 807.000,00 inclusief rente en kosten.
3 Het geschil
De curator vordert na vermeerdering en wijziging van eis, samengevat, veroordeling van Solaar tot betaling van € 622.588,42, vermeerderd met rente en kosten.
Solaar voert verweer. Solaar concludeert tot afwijzing van de vordering van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Bij inleidende dagvaarding heeft de curator tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat (de boedel van) HEM per 31 december 2024 een vordering heeft op Solaar van in hoofdsom € 622.588,42 uit hoofde van een rekening-courantverhouding. De curator heeft ter onderbouwing van zijn vordering verwezen naar de overgelegde kolommenbalans en de mutaties van de bankrekeningen van HEM bij ING Bank NV in de periode 23 december 2021 tot en met 23 december 2024. Uit die mutaties volgt dat in 2023 sprake is van een bedrag van in totaal € 520.750,00 aan uitgaande betalingen aan Solaar en in 2024 sprake is van een bedrag van in totaal
€ 103.082,01 aan uitgaande betalingen aan Solaar. De curator stelt dat de vordering opeisbaar is, maar dat Solaar weigert om de vordering te voldoen, ondanks sommatie daartoe.
Solaar betwist dat zij een rekening-courantschuld heeft aan HEM. Volgens Solaar miskent de curator dat er geldige titels ten grondslag liggen aan de door HEM aan haar betaalde bedragen. Solaar stelt dat HEM in de zomer van 2023 nieuwe klanten wilde aantrekken door het aanbieden van een welkomstbonus in de vorm van de levering van ‘gratis’ zonnepanelen. In verband daarmee heeft HEM op 5 september 2023 met Solaar een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan Solaar zonnepanelen aan nieuw geworven klanten van HEM zou leveren. In dat kader kocht HEM 6.000 zonnepanelen van Solaar voor een koopprijs van in totaal € 750.000,00. Op grond van de koopovereenkomst moest de volledige koopprijs uiterlijk 5 november 2023 aan Solaar zijn betaald. HEM heeft de koopprijs tot een bedrag van in totaal € 520.750,00 aan Solaar betaald. Het resterende deel van de koopprijs heeft HEM onbetaald gelaten, ondanks herhaalde aanmaning tot betaling. Op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken kwam de koopovereenkomst daarmee tot een einde en kon HEM geen aanspraak maken op terugbetaling van het door haar aan Solaar betaalde deel van de koopsom. Solaar heeft ter onderbouwing van haar verweer verwezen naar de door haar overgelegde (kopie) koopovereenkomst, meer in het bijzonder naar de navolgende bepalingen van die overeenkomst:
“ Artikel 1 Koop, prijs en voldoening
(…)
3. De Prijs dient door AHE te worden voldaan binnen 3 maanden na ondertekening van deze
Overeenkomst. AHE is zich bewust van de grote inkoop die Solaar ten behoeve van deze
overeenkomst moet doen en garandeert daarom tijdige betaling. De uiterste betaaldag van
de totale Prijs is 5 november 2023.
4. Wordt de Prijs door AHE niet binnen 3 maanden na ondertekening van deze Overeenkomst
voldaan, dan is deze overeenkomst automatisch en zonder verdere opzeghandeling op 5
november 2023 opgezegd.
5. Als AHE niet binnen de gestelde termijn de volledige Prijs heeft betaald, vervallen alle rechten van AHE op terugvordering van de bedragen die zij tot dat moment op grond van deze overeenkomst heeft betaald. AHE verklaart in dat geval volledig afstand te doen van alle (vorderings)rechten tegenover Solaar.
6. Als AHE niet binnen 3 maanden de volledige Prijs heeft betaald, blijft AHE ook een vast en niet betwistbaar bedrag verschuldigd van EUR 15.000 excl. BTW per maand aan alle kosten die Solaar in verband met deze overeenkomst zal maken.
Artikel 2 Levering
1. De in artikel 1.1 genoemde zonnepanelen worden geleverd nadat de volledige Prijs door AHE is voldaan. Enige verplichting tot levering zonder voldoening van de volledige Prijs door AHE is uitgesloten.
2. Alle zonnepanelen blijven eigendom van Solaar tot AHE de volledige Prijs en eventuele kosten heeft voldaan. Indien Solaar de volledige Prijs niet binnen 3 maanden van AHE heeft ontvangen, betaalt AHE over alle maanden per maand EUR 15.000 (excl. BTW) aan opslagkosten. Ook deze opslagkosten moeten in dat geval volledig door AHE worden voldaan, bij gebreke waarvan het eigendom van alle zonnepanelen bij Solaar blijft.”
Solaar stelt dat zij een aanzienlijk financieel risico liep door het aangaan van de koopovereenkomst. De markt was verzadigd en de vraag naar zonnepanelen nam af door het stoppen van overheidssubsidies. Daarentegen waren er vanwege de schaarste in de jaren ervoor grote voorraden opgebouwd. Deze combinatie (afnemende vraag en groot aanbod) had een negatieve prijsontwikkeling tot gevolg. De omvang van de order van HEM was daarom aanleiding om voldoende zekerheden in te bouwen voor het geval HEM haar betalingsverplichting niet of niet tijdig tegenover Solaar zou kunnen nakomen. Voornoemde afspraken moesten waarborgen dat Solaar met 6.000 duur ingekochte zonnepanelen zou ‘blijven zitten’ c.q. deze niet voor eenzelfde prijs zou kunnen verkopen aan een derde, waardoor zij een aanzienlijk verlies zou lijden.
Solaar stelt verder dat partijen hebben gesproken over een tegemoetkoming voor HEM en dat zij in verband daarmee uit coulance heeft aangeboden dat HEM waarde cheques mocht uitgeven aan haar nieuw geworven klanten. Deze klanten konden daarvoor door Solaar geleverde zonnepanelen krijgen. Na uitvoering van deze coulanceregeling was er voor wat betreft Solaar en HEM een schone lei en hebben zij weer nieuwe vormen van samenwerking onderzocht en besproken. Bijvoorbeeld het leveren door Solaar van thuisbatterijen aan nieuw geworven klanten van HEM. Mede met het oog op een mogelijk nieuwe samenwerking heeft HEM aan Solaar een overbruggingsfinanciering van
€ 100.000,00 verstrekt. HEM heeft in verband daarmee zowel op 10 juni 2024 als op 21 juni 2024 een bedrag van € 50.000,00 overgemaakt naar Solaar. Op 24 juni 2024 hebben HEM en Solaar de voorwaarden van deze lening in een onderhandse akte opgenomen (hierna: de leningsovereenkomst). De samenwerking met betrekking tot de thuisbatterijen hebben HEM en Solaar niet kunnen uitwerken, omdat HEM op 23 december 2024 in staat van faillissement is verklaard. Solaar stelt dat zij op grond van de leningsovereenkomst het aan haar geleende bedrag van in totaal € 100.000,00 uiterlijk 1 juli 2027 aan HEM moet hebben afgelost. Ter onderbouwing hiervan heeft Solaar verwezen naar artikel 5.1 van de door haar overgelegde (kopie) leningsovereenkomst.
Ter zitting voert de curator aan dat hij de overgelegde koopovereenkomst en de leningsovereenkomst pas na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in kopie van Solaar heeft ontvangen, ondanks herhaalde verzoeken om het origineel daarvan aan hem te overhandigen. Volgens de curator kunnen de stukken daarom niet op authenticiteit worden onderzocht, waardoor ze dwingende bewijskracht missen.
De rechtbank is van oordeel dat de curator het bestaan van de koopovereenkomst en de leningsovereenkomst onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele stelling dat Solaar de koopovereenkomst en de leningsovereenkomst alleen in kopie ter beschikking heeft gesteld, is niet voldoende om aan te kunnen nemen dat deze overeenkomsten, welke zijn voorzien van een handtekening, niet tussen HEM en Solaar tot stand zijn gekomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat HEM en Solaar de daarin opgenomen afspraken met elkaar hebben gemaakt.
de koopovereenkomst
Ter zitting stelt de curator zich primair op het standpunt dat de bepalingen waarop Solaar een beroep doet (artikel 1.3 tot en met 1.6 en artikel 2.1 en 2.2) naar inhoud of strekking in strijd zijn met de goede zeden en/of de openbare orde en daarom nietig zijn op grond van artikel 3:40 lid 1 BW dan wel subsidiair dat het beroep van Solaar op de bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Solaar voert als meest verstrekkend verweer dat de curator in een zo laat stadium van de procedure de grondslag van zijn vordering heeft gewijzigd (van onverschuldigde betaling in nietigheid van de overeenkomst), dat sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde. Volgens Solaar moeten de na de inleidende dagvaarding ingenomen standpunten van de curator om die reden buiten beschouwing worden gelaten.
De rechtbank verwerpt het verweer van Solaar. De curator heeft de rechtsgrond gewijzigd naar aanleiding van het verweer van Solaar. Met dat verweer – zo heeft Solaar niet weersproken – was de curator voor het uitbrengen van de inleidende dagvaarding niet bekend. De rechtbank kan op grond van artikel 25 Rv ambtshalve de rechtsgronden aanvullen. Het feitencomplex is hetzelfde gebleven. Van strijd met de eisen van een goede procesorde is geen sprake.
strijd met de goede zeden en/of openbare orde?
Vooropgesteld wordt dat partijen in beginsel vrij zijn in wat zij met elkaar willen afspreken. Deze vrijheid is echter begrensd in die zin, dat rechtshandelingen wat inhoud of strekking betreft niet in strijd mogen zijn met de goede zeden en/of de openbare orde zoals artikel 3:40 lid 1 BW bepaalt. Bij de goede zeden staat de moraliteit centraal, bij de openbare orde met name de wijze waarop de maatschappij is ingericht. Beide begrippen verwijzen naar normen en regels van ongeschreven (dwingend) recht die in de Nederlandse samenleving als fundamenteel worden ervaren. De strekking van een rechtshandeling moet niet in zuiver subjectieve zin worden opgevat: vereist is dat de gevolgen of motieven ook voor degene tot wie de rechtshandeling is gericht, voorzienbaar dan wel kenbaar zijn op het moment dat de rechtshandeling wordt verricht. Bij een overeenkomst moeten de gevolgen aan beide partijen kenbaar zijn; het motief moet dat van beide partijen zijn of het motief van de ene partij moet om als strekking van de overeenkomst te kunnen gelden, tenminste ook de wederpartij duidelijk kenbaar zijn. Op de curator rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast voor feiten en omstandigheden waarop zijn beroep op artikel 3:40 lid 1 BW is gebaseerd.
De curator stelt in dit kader het volgende:
i. de tussen HEM en Solaar gemaakte afspraken zijn onzakelijk, meer in het bijzonder het vervallen van het recht van HEM op terugbetaling bij niet tijdige volledige betaling van de koopprijs en het door Solaar mogen behouden van het aan haar betaalde deel van de koopprijs zonder tegenprestatie te leveren. Het onzakelijke karakter wordt nog eens onderstreept doordat Solaar geen facturen naar HEM heeft gestuurd, HEM niet heeft aangemaand en doordat Solaar geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk zonnepanelen ten behoeve van HEM heeft ingekocht,
ii. de voorwaarden hebben het karakter van een schenking, maar van een schenkingstitel is niet gebleken en Solaar heeft ook niet onderbouwd dat zij de ontvangen betaling in haar belastingaangifte als schenking heeft verantwoord,
iii. uit de administratie van HEM blijkt niet dat HEM afstand heeft gedaan van haar recht op terugbetaling van het deel van de koopsom. HEM heeft in haar administratie immers de betalingen aan Solaar in rekening-courant geboekt en deze later wegens oninbaarheid afgeboekt,
iv. dat Solaar uit coulance wél enige vorm van tegenprestatie zou hebben geleverd door middel van waarde cheques die HEM mocht uitgeven, blijkt nergens uit en wordt daarom betwist,
v. Solaar heeft op geen enkele wijze aangetoond dat de gemaakte afspraken zijn gemaakt vanwege een reëel financieel risico dat Solaar zou lopen met het aangaan van de koopovereenkomst.
De rechtbank is van oordeel dat de curator, mede bezien in het licht van het gemotiveerde verweer van Solaar, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot de zwaarwegende conclusie kunnen leiden dat sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Solaar heeft toegelicht wat de achtergrond van het sluiten van de koopovereenkomst was en waarom zij met HEM de betreffende afspraken (artikel 1.3 tot en met 1.6 en artikel 2.1 en 2.2) heeft gemaakt, hetgeen plausibel voorkomt. Van belang is verder dat het in de koopovereenkomst van het eigen doen van HEM afhankelijk is gemaakt of Solaar zich met succes kan beroepen op de door haar bedongen zekerheden. Daar staat tegenover dat niet kan worden aangenomen dat de koopovereenkomst is aangegaan om schuldeisers van HEM te benadelen, zoals de curator stelt. Uit niets blijkt dat op voorhand al vaststond en (ook) bij Solaar bekend was dat HEM de koopprijs niet tijdig volledig aan Solaar zou (kunnen) voldoen en dat (ook) Solaar wist dat dit tot gevolg zou hebben dat HEM geen verhaal zou kunnen bieden aan haar schuldeisers.
Anders dan de curator meent, ligt het niet op de weg van Solaar om haar standpunt dat geen sprake is van een schenking te onderbouwen. De curator draagt de stelplicht ten aanzien van het bestaan van strijd met de goede zeden en/of openbare orde. In het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten om aan te kunnen nemen dat sprake is geweest van een schenking van HEM aan Solaar.
Het argument van de curator dat uit de administratie van HEM niet blijkt dat HEM afstand heeft gedaan van haar recht op terugbetaling, biedt zonder nadere toelichting die ontbreekt, geen steun aan zijn standpunt dat de gemaakte afspraken in strijd zijn met de goede zeden en/of openbare orde. Met de inhoud of strekking van de koopovereenkomst heeft het argument namelijk niets van doen. Op welke wijze HEM haar administratie voert, is bovendien een interne aangelegenheid waarop Solaar geen invloed heeft.
Tot slot betwist de curator dat Solaar wél enige vorm van tegenprestatie zou hebben geleverd door middel van waarde cheques en dat Solaar met het aangaan van de koopovereenkomst een reëel financieel risico zou lopen, maar daarmee voldoet de curator ook niet aan zijn stelplicht. Ook deze argumenten worden daarom verworpen.
Van strijd met de goede zeden en/of openbare orde is geen sprake. Het beroep van de curator op artikel 3:40 lid 1 BW wordt daarom verworpen.
derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid?
Bij de toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW (derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid) moet terughoudendheid worden betracht. Een overeengekomen beding kan alleen terzijde worden gesteld als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om een partij aan dat beding te houden. HEM en Solaar zijn twee professionele partijen die welbewust de betreffende bepalingen zijn overeengekomen. HEM heeft zich zelf niet aan de gemaakte afspraken gehouden en wist wat de gevolgen waren bij niet tijdige betaling van de volledige koopprijs aan Solaar. Gelet hierop kan het beroep van de curator op artikel 6:248 lid 2 BW, waaraan dezelfde stellingen ten grondslag liggen als bij het beroep op artikel 3:40 lid 1 BW, ook niet slagen.
conclusie
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, gaat de rechtbank uit van de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst, meer in het bijzonder artikel 1.3 tot en met 1.6 en artikel 2.1 en 2.2. Aan bewijslevering op dit punt wordt niet toegekomen. Dit betekent dat de curator tegenover Solaar geen aanspraak kan maken op terugbetaling van een bedrag van in totaal € 520.750,00.
de leningsovereenkomst
De curator stelt primair dat HEM niet aan de leningsovereenkomst is gebonden, omdat de overeenkomst niet door een beschikkingsbevoegde namens HEM is ondertekend en van een volmacht dan wel schijn van vertegenwoordiging geen sprake is. HEM heeft daarom onverschuldigd het bedrag van in totaal € 100.000,00 aan Solaar betaald. Subsidiair stelt de curator dat de lening vervroegd opeisbaar is, omdat Solaar de verschuldigde contractuele rente over 2024 en 2025 niet tijdig aan HEM heeft voldaan. Overeenkomstig de leningsovereenkomst heeft hij bij akte houdende vermeerdering en wijziging van eis de lening formeel opgeëist. De curator verwijst daarbij naar de navolgende bepalingen uit de leningsovereenkomst:
“4.1. Rente
Over Trekkingen die uitstaan (dat wil zeggen het bedrag van de Lening zoals dat van tijd tot tijd uitstaat onder deze Leningsovereenkomst) wordt vanaf de relevante Trekkingsdatum een rentetarief in rekening gebracht van 3,9% per jaar.
Betaling van rente
De verschuldigde rente onder deze Leningsovereenkomst groeit jaarlijks aan en wordt door de Kredietgever maandelijks berekend op basis van de gemiddelde leningsstand van de desbetreffende maand (leningsstand begin maand + leningsstand einde maand)/2.
De rente zal aan het eind van ieder kalenderjaar worden opgeteld bij de Trekkingen die
uitstaan en zal worden voldaan aan het eind van ieder kalenderjaar. De rente over 2024 en
2025 (verlengd jaar) zal volledig en uiterlijk op 31 december 2025 zijn voldaan.
(…)
8. VERVROEGDE OPEISBAARHEID
Elke gebeurtenis of omstandigheid beschreven in dit Artikel 8. (anders dan als omschreven in artikel 8.10.) is een Opeisingsgrond.
De kredietnemer voldoet enig aan Kredietgever verschuldigd bedrag uit hoofde van of in verband met deze Leningsovereenkomst niet tijdig of niet behoorlijk.
De Kredietnemer komt enig andere uit deze Leningsovereenkomst voortvloeiende verplichting niet na.
(…)
Vanaf het moment waarop een Opeisingsgrond zich heeft voorgedaan, is de Kredietgever bevoegd om te verklaren dat de Lening niet langer beschikbaar is en dat alle Trekkingen die uitstaan, vermeerderd met aangegroeide rente en kosten en al hetgeen Kredietnemer overigens uit hoofde van deze Leningsovereenkomst aan Kredietgever verschuldigd is, onmiddellijk en volledig opeisbaar zijn, waarna die vorderingen van Kredietgever op Kredietnemer onmiddellijk en volledig opeisbaar zijn, zonder dat enige sommatie, ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst nodig zal zijn.”
Ter zitting is tussen partijen niet (langer) in geschil dat HEM twee keer een bedrag van € 50.000,00 aan Solaar heeft betaald ten titel van een geldlening. Aan de orde is allereerst de vraag of de leningsovereenkomst rechtsgeldig tussen HEM en Solaar tot stand is gekomen.
rechtsgeldig aangegaan?
Tussen partijen is niet in geschil dat de leningsovereenkomst is ondertekend door de toenmalige Head of Legal & Compliance van HEM en dat deze in formele zin niet bevoegd was om namens HEM rechtshandelingen aan te gaan. De vraag is daarom of Solaar op een toereikende vertegenwoordigingsbevoegdheid van de Head of Legal & Compliance van HEM mocht vertrouwen. Daarbij wordt op grond van artikel 3:61 lid 2 BW het volgende vooropgesteld.
Voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan een onbevoegd vertegenwoordigde is plaats als de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de volmachtverlening aan de beweerdelijk onbevoegde tussenpersoon op grond van (a) hetzij een verklaring of gedraging van de onbevoegd vertegenwoordigde (toedoen), (b) hetzij op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (risicobeginsel). Omdat Solaar een beroep doet op de schijn van volmachtverlening, moet zij volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv feiten en omstandigheden stellen – en bij gemotiveerde betwisting bewijzen – die dit rechtvaardigen.
Solaar stelt dat het bestuur van HEM er (ook) van uitging dat sprake was van een lening. Ter onderbouwing hiervan verwijst Solaar naar de overgelegde mutaties van de bankrekeningen van HEM bij ING Bank NV van 10 juni 2024 en 21 juni 2024, waar in de omschrijving wordt verwezen naar “Lening overbrugging”. Omdat het bestuur de betalingen aan Solaar ten titel van een geldlening al had goedgekeurd, mocht zij – zo stelt Solaar – er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de Head of Legal & Compliance van HEM, die zich doorgaans bezighoudt met de onderhandeling over en het aangaan van overeenkomsten, bevoegd was namens HEM de leningsovereenkomst te ondertekenen. Ter onderbouwing van haar stelling dat de Head of Legal & Compliance ook daadwerkelijk door het bestuur is verzocht om namens HEM de leningsovereenkomst te ondertekenen, heeft Solaar een daartoe strekkende verklaring van de toenmalige Head of Legal & Compliance van HEM overgelegd met een bericht van de bestuurder van HEM die de juistheid daarvan bevestigt. Solaar stelt tot slot dat HEM nooit de rechtsgeldigheid van de leningsovereenkomst heeft betwist.
De curator heeft bij gebrek aan wetenschap betwist dat de Head of Legal & Compliance van HEM namens HEM de leningsovereenkomst mocht ondertekenen. Mede bezien in het licht van de gemotiveerde stellingen van Solaar, volstaat dit echter niet. Het lag op de weg van de curator om op dit punt het bestuur van HEM nader te ondervragen over de gebondenheid van HEM aan de leningsovereenkomst c.q. de bevoegdheid van de Head of Legal & Compliance om HEM te vertegenwoordigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de curator onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat Solaar er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de Head of Legal & Compliance bevoegd was namens HEM de leningsovereenkomst te ondertekenen. Daarmee staat vast dat de leningsovereenkomst namens HEM rechtsgeldig is aangegaan. Van onverschuldigde betalingen door HEM aan Solaar is daarom geen sprake.
vervroegd opeisbaar?
Tussen partijen is niet in geschil dat Solaar op grond van de leningsovereenkomst de verschuldigde contractuele rente (3,9% per jaar) over 2024 en 2025 uiterlijk op 31 december 2025 aan HEM moest betalen en dat dit niet is gebeurd. Solaar betwist dat deze omstandigheid de curator een grond geeft voor vervroegde opeisbaarheid van de lening. Solaar voert daartoe aan dat HEM op grond van de leningsovereenkomst de verschuldigde rente maandelijks moest berekenen, zodat Solaar zou weten wat zij aan HEM moest betalen. Solaar stelt dat zij geen renteberekening(en) van HEM heeft ontvangen. Had zij die renteberekening(en) wél van HEM ontvangen, dan had zij door toedoen van de curator de verschuldigde rente niet (tijdig) aan HEM kunnen voldoen door de gelegde conservatoire beslagen op haar bankrekeningen. Solaar stelt dat zij de curator heeft verzocht de beslagen op te heffen, maar dat de curator daartoe niet bereid was.
De rechtbank leest in de leningsovereenkomst niet met zoveel woorden dat Solaar pas verplicht is tot het betalen van de contractuele rente na ontvangst van de renteberekening(en) van HEM. Solaar kan de verschuldigde rente zelf berekenen. Ook het standpunt van Solaar dat de curator heeft verhinderd dat zij de door haar verschuldigde rente (tijdig) aan HEM kon voldoen, wordt als onvoldoende gemotiveerd verworpen. Zo is niet gesteld en ook niet gebleken dat Solaar de rente aan (de boedel van) HEM wilde voldoen en dat zij aan de curator kenbaar heeft gemaakt daartoe niet in staat te zijn door de ten laste van haar gelegde beslagen. Als de curator niet bereid was tot opheffing van de beslagen, ondanks de wetenschap dat Solaar daardoor niet (tijdig) aan haar betalingsverplichting tegenover (de boedel van) HEM kon voldoen, dan valt niet in te zien waarom Solaar in kort geding geen opheffing van de beslagen heeft verzocht.
Solaar is haar betalingsverplichting uit de leningsovereenkomst dus niet nagekomen. Dit kan aan Solaar worden toegerekend. Solaar heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden. De rechtbank is van oordeel dat de curator de lening op grond van artikel 8 van de leningsovereenkomst terecht vervroegd heeft opgeëist. Daarmee ligt de vordering tot een bedrag van € 100.000,00 in beginsel voor toewijzing gereed.
bevoegdheid tot verrekening?
Solaar stelt dat zij een tegenvordering heeft op HEM uit hoofde van opslagkosten in verband met niet afgenomen zonnepanelen. Ten tijde van het nemen van de conclusie van antwoord (30 juli 2025) kon deze vordering worden begroot op € 195.000,00. Solaar stelt dat zij op grond van de leningsovereenkomst bevoegd is tot verrekening en dat zij na verrekening van haar vordering met die van de curator niets meer aan (de boedel van) HEM verschuldigd is.
Op grond van artikel 6:136 BW kan de rechter een vordering, ondanks een beroep van de gedaagde op verrekening, toewijzen als de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Die situatie doet zich in dit geval voor. Dat en gedurende welke periode Solaar daadwerkelijk zonnepanelen ten behoeve van HEM heeft opgeslagen, is niet komen vast te staan, terwijl de curator gemotiveerd heeft betwist dat Solaar daadwerkelijk opslagkosten heeft gemaakt in verband met de koopovereenkomst. Dat maakt dat het bestaan en de omvang van de tegenvordering niet eenvoudig is vast te stellen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het beroep van Solaar op verrekening.
conclusie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Solaar een bedrag van € 100.000,00 aan de boedel van HEM is verschuldigd. De vordering van de curator wordt daarom tot dit bedrag toegewezen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW. De rechtbank merkt de leningsovereenkomst aan als handelsovereenkomst, omdat deze is gesloten als zakelijke transactie tussen twee professionele partijen waarbij sprake is van de levering van een goed of dienst (het uitlenen van geld) om baat (de betaling van rente).1 Wettelijke handelsrente is verschuldigd met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling (artikel 6:119a lid 1 BW). Een uiterste dag van betaling is echter niet gesteld of gebleken. Ook is er geen factuur gestuurd. De rechtbank beschouwt de opeising van de geldlening bij akte van 7 mei 2026 echter als een aan een factuur gelijkwaardig verzoek tot betaling, zodat de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente moet worden bepaald aan de hand van artikel 6:119a lid 2 BW. Dat betekent dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf 30 dagen na 8 mei 2026, zijnde met ingang van 8 juni 2026.
buitengerechtelijke kosten
De curator vordert een bedrag van € 4.887,94 aan buitengerechtelijke kosten.
De vordering van de curator moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat de curator voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Gelet op het toe te wijzen bedrag van € 100.000,00 komt op grond van het Besluit een bedrag van € 1.775,00 voor vergoeding in aanmerking. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen.
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen vanaf 22 april 2025, omdat niet gesteld en ook niet is gebleken dat Solaar met betaling van deze kosten eerder dan 22 april 2025 in verzuim is geraakt.
proceskosten en beslagkosten
Solaar is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat het toegewezen bedrag aanmerkelijk lager is dan wat de curator heeft gevorderd, hanteert de rechtbank het liquidatietarief dat past bij het toegewezen bedrag. De proceskosten van de curator worden daarmee begroot op:
- dagvaarding € 119,40
- griffierrecht € 1.374,00
- salaris € 5.127,50 (2,5 punten x € 2.051,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.809,90
De curator vordert ook Solaar te veroordelen in de beslagkosten. Deze vordering is op grond van artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 2.089,89 voor verschotten en € 2.051,00 voor salaris advocaat, in totaal € 4.140,89.
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten en de beslagkosten wordt als niet weersproken toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt als niet weersproken toegewezen.
5 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt Solaar om aan de curator te betalen een bedrag van € 100.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 8 juni 2026 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Solaar om aan de curator te betalen de buitengerechtelijke kosten van
€ 1.775,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 22 april 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Solaar in de proceskosten van € 6.809,90 en de beslagkosten van
€ 4.140,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Solaar niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Solaar tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten en de beslagkosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Vlieger en in het openbaar uitgesproken op
7 oktober 2026.