ECLI:NL:RBZWB:2026:9699

Datum uitspraak
26-08-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/02/441758 / HA ZA 25-611
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap. Geen processueel ondeelbare rechtsverhouding. De rechtbank gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap. Spoorboekje met betrekking tot verkoop en ontruiming onroerende zaak waarin één van de erfgenamen woont. Beslissing over gebruikers- en eigenaarslasten. Overweging met betrekking tot betaling moederlijke erfdelen als zijnde schuld in de nalatenschap van vader.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/441758 / HA ZA 25-611

Vonnis van 26 augustus 2026

in de zaak van

1 [persoon 1] ,

wonende te [plaats 1] 2. [persoon 2],

wonende te [plaats 2] ,

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

hierna te noemen: ‘ [persoon 1] ’ en ‘ [persoon 2] ’,

advocaat: mr. C.L.M. Gommers,

tegen

[persoon 3] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: ‘ [persoon 3] ’,

advocaat: mr. W.R.M. Voorvaart.

1 De procedure

1.1.

In het dossier zitten de volgende stukken:

  • het tussenvonnis van 11 februari 2026, met de daarin genoemde stukken;

  • de conclusie van antwoord in reconventie;

  • de spreekaantekeningen van mr. Voorvaart, met producties 1 tot en met 4;

  • de zittingsaantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 9 juni 2026.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] zijn kinderen van [moeder] (hierna: ‘moeder’) en [vader] (hierna: ‘vader’). Moeder is overleden op [datum 1] 2011 en vader op [datum 2] 2021.

2.2.

Partijen hebben nog een broer: [persoon 4] (hierna: ‘ [persoon 4] ’). [persoon 4] heeft een verstandelijke beperking en woont in een zorginstelling. Over zijn goederen is een beschermingsbewind ingesteld.

2.3.

Zowel moeder als vader hebben op 19 oktober 2010 een testament opgemaakt. Moeder heeft de wettelijke verdeling1 in stand gelaten. Vader heeft zijn echtgenote en zijn kinderen voor gelijke delen tot zijn erfgenamen benoemd. Zowel moeder als vader hebben [persoon 4] als erfgenaam van hun nalatenschap uitgesloten, maar zij hebben ten behoeve van [persoon 4] legaten aan de erfgenamen opgenomen. Deze legaten betreffen een bedrag ter grootte van het erfdeel dat [persoon 4] in de nalatenschappen van respectievelijk moeder en vader zou hebben geërfd als hij niet zou zijn onterfd. Aan de legaten is de last verbonden dat de erfgenamen het bedrag voor [persoon 4] van het vermogen van de erfgenamen afzonderen en afgezonderd houden en, indien nodig, aanwenden voor de verzorging van [persoon 4] .

2.4.

Vanwege het vooroverlijden van moeder zijn [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] de enige erfgenamen van vader. Zij hebben de nalatenschap van vader zuiver aanvaard.

2.5.

Vader had de volledige eigendom van het appartement aan [adres] (hierna: ‘het appartement’). [persoon 3] is vóór overlijden van vader (tijdelijk) bij vader ingetrokken en is na overlijden van vader het appartement blijven gebruiken. Het appartement valt in de nalatenschap van vader.

2.6.

Partijen hebben discussie over de verkoop van het appartement en over de verdeling van de nalatenschap van vader.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[persoon 1] en [persoon 2] vorderen:

I. ingevolge het bepaalde in artikel 3:185 BW de verdeling vast te stellen van de nalatenschap van vader, althans te gelasten op welke wijze deze nalatenschap moet worden verdeeld;

II. te bepalen dat partijen het appartement aan [adres] , op de kortst mogelijke termijn aan een derde zullen verkopen en leveren;

III. te bepalen dat partijen gezamenlijk opdracht zullen geven aan een door de rechtbank aan te wijzen makelaar om het appartement aan een derde te verkopen;

IV. te bepalen dat verkoop van het appartement zal geschieden tegen een door de onder III bedoelde makelaar vast te stellen verkoopprijs;

V. te bepalen dat [persoon 3] medewerking dient te verlenen aan de ondertekening van de opdracht tot verkoop van het appartement, en voorts aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en de notariële eigendomsoverdracht;

VI. te bepalen, in het geval [persoon 3] zijn medewerking niet verleent aan de door de

rechtbank te vast te stellen wijze van verkoop en eigendomsoverdracht, waaronder begrepen de opdracht tot verkoop aan de onder III bedoelde makelaar, dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de voor verkoop en notariële eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaringen van gedaagde, zoals bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW;

VII. [persoon 3] ertoe te veroordelen om het appartement in het kader van de aan de onder III bedoelde makelaar verstrekte opdracht tot verkoop te ontruimen en

ontruimd te houden en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [persoon 1] en [persoon 2] te stellen;

VIII. [persoon 3] te veroordelen in de kosten van de ontruiming, met inbegrip van de kosten van vervanging van sloten en afvoeren van persoonlijke eigendommen, indien hij de bedoelde onroerende zaak niet vrijwillig ontruimt;

IX. [persoon 3] te veroordelen om zowel [persoon 1] als aan [persoon 2] te voldoen een gebruiksvergoeding van € 2.825 per jaar, ingaande [datum 2] 2021 tot de datum waarop de bedoelde onroerende zaak feitelijk zal zijn verdeeld;

X. [persoon 3] te veroordelen om aan zowel [persoon 1] als aan [persoon 2] te voldoen: de helft van het bedrag van € 15.299,36, vermeerderd met de helft van de verdere kosten die vanaf september 2025 nog ten behoeve van [persoon 3] ten laste van de rekeningen van vader zullen worden voldaan;

XI. te bepalen dat [persoon 3] medewerking dient te verlenen aan de betaling vanuit de

XII. verkoopopbrengst van de kosten van de makelaar, de schulden van de nalatenschap, en voorts tot betaling dan wel verrekening van de onder IX en X aan [persoon 1] en [persoon 2] verschuldigde bedragen, en dat hij gehouden is om tot deze betaling c.q. verrekening opdracht te geven aan de notaris bij wie de akte van levering van de onroerende zaak passeert;

XIII. althans, voor zover het onder I tot en met XI gevorderde niet (geheel) wordt

toegewezen, de voorzieningen te treffen die de rechtbank in goede justitie juist acht,

met veroordeling van [persoon 3] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[persoon 1] en [persoon 2] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. [persoon 1] en [persoon 2] hebben belang bij de verdeling van de nalatenschap van vader: zij zijn niet gehouden om in een onverdeelde boedel te blijven. Verkoop van het appartement is noodzakelijk om tot een verdeling van de nalatenschap te kunnen komen en om het legaat ten behoeve van [persoon 4] te kunnen afgeven. [persoon 1] en [persoon 2] vorderen daarnaast een gebruiksvergoeding van [persoon 3] voor de tijd dat [persoon 3] gebruik (heeft ge)maakt van het appartement. Ook vorderen [persoon 1] en [persoon 2] veroordeling van [persoon 3] tot (terug)betaling van verschillende kosten die ten onrechte ten laste van de ervenrekening zijn gekomen, terwijl deze kosten voor rekening van [persoon 3] moeten komen. Het gaat hierbij om woonlasten, eigenaarslasten, een WOZ-aanslag, bankkosten en om een uitkering wegens overbedeling van de personenauto van vader die [persoon 3] zich na overlijden van vader heeft toegeëigend, zo stellen [persoon 1] en [persoon 2] .

3.3.

[persoon 3] voert verweer, waarop de rechtbank hierna bij de beoordeling ingaat.

in reconventie

3.4.

[persoon 3] vordert, na wijziging van zijn eis:

I. de wijze van verdeling van de nalatenschap vast te stellen conform artikel 3:185 BW, in die zin dat aan [persoon 3] voor de verkoop van het appartement aan [adres] een humane en redelijke overgangsperiode wordt gegeven, waarin rekening wordt gehouden met zijn gezondheid, zijn kinderen en zijn feitelijke onmogelijkheid om onmiddellijk te verhuizen;

II. de waarde van het appartement vast te laten stellen op basis van overeenstemming tussen de erven dan wel op een wijze als door de rechtbank wordt voorzien in goede justitie;

III. de vorderingen van [persoon 1] en [persoon 2] tot toekenning van een gebruiksvergoeding van het appartement af te wijzen, althans te matigen;

IV. de proceskosten te compenseren, gelet op de familiaire verbondenheid van procespartijen.

3.5.

[persoon 3] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [persoon 3] heeft ook belang bij verdeling van het appartement en de nalatenschap van vader in haar geheel. [persoon 3] kan zich (inmiddels) vinden in verkoop van het appartement aan een derde. [persoon 3] vraagt wel om een redelijke overgangsperiode, waarin rekening wordt gehouden met zijn gezondheid, zijn kinderen en zijn feitelijke onmogelijkheid om onmiddellijk te verhuizen. [persoon 3] voert verweer tegen de gevorderde gebruiksvergoeding en (terug)betaling van verschillende (gebruiks- en eigenaars)lasten.

3.6.

[persoon 1] en [persoon 2] voeren verweer, waarop de rechtbank hierna ingaat.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, die beide zien op de (wijze van) verdeling van het appartement en de nalatenschap, worden de vorderingen samen behandeld.

Geen processueel ondeelbare rechtsverhouding

4.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen de (ambtshalve) vraag van de rechtbank aan partijen of in deze procedure sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, omdat broer [persoon 4] niet in de procedure is betrokken, terwijl de hoogte van het aan hem via de erfgenamen toekomende geldbedrag ter grootte van zijn erfdeel afhankelijk is van de hoogte van de verkoopprijs van het appartement. [persoon 1] en [persoon 2] menen dat van een processueel ondeelbare rechtsverhouding geen sprake is; [persoon 3] meent van wel.

4.3.

Van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is sprake wanneer rechten en verplichtingen van betrokken partijen zo nauw met elkaar verbonden zijn dat de rechterlijke beslissing noodzakelijkerwijs alle betrokken partijen raakt. De rechtbank mag niet beslissen over een rechtsverhouding terwijl één van de noodzakelijke partijen ontbreekt2.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. [persoon 4] is namelijk geen (directe) legataris. De legatarissen zijn de erfgenamen. Aan hun legaat is weliswaar de last verbonden om het aan [persoon 4] toekomende geldbedrag ter grootte van zijn erfdeel afgezonderd te houden, maar dat maakt [persoon 4] nog geen partij bij de rechtsverhouding waarover deze procedure gaat. De beslissing die de rechtbank moet nemen, ziet uitsluitend op de rechtsverhouding tussen de erfgenamen als legatarissen onderling en raakt niet rechtstreeks de rechtsverhouding met [persoon 4] . Daarom hoeft [persoon 4] niet in deze procedure te worden betrokken.

Verdeling nalatenschap vader

4.5.

[persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] zijn deelgenoten en erfgenamen in de nalatenschap van vader en willen dat de nalatenschap van vader wordt verdeeld. Zij zijn het echter niet met elkaar eens over de wijze waarop dit moet gebeuren.

4.6.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat wanneer de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling daarvan kunnen bereiken, zoals hier het geval is, de rechter de wijze van verdeling kan gelasten of zelf de verdeling kan vaststellen3. Daarbij moet naar billijkheid rekening worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt dan wel de wijze van verdeling gelast, geniet een mate van vrijheid. Hij is niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben gevorderd, en hij hoeft niet expliciet in te gaan op wat partijen aanvoeren. Een beslissing over de verdeling van de nalatenschap is in het belang van alle partijen. De rechtbank zal hierna de wijze van verdeling van de nalatenschap van vader gelasten.

4.7.

De rechtbank zal allereerst de bezittingen en schulden in de nalatenschap van vader vaststellen. Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden op het moment van verdelen tot de nalatenschap behoren:

Bezittingen

  • het appartement aan [adres] (vrij van hypotheek);

  • de inboedelgoederen;

  • een personenauto Kia Picanto met [kenteken] ;

  • de saldi op de drie bankrekeningen;

Schulden

  • de moederlijke erfdelen aan de drie erfgenamen;

  • de legaten en de daaraan verbonden last aan de drie erfgenamen ten behoeve van [persoon 4] .

Het appartement

4.8.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat het appartement moet worden verdeeld en dat zij het er (inmiddels) over eens zijn dat het appartement aan een derde moet worden verkocht. De rechtbank zal daarom de verdeling van het appartement vaststellen en wel zodanig dat de verkoop van de woning wordt gelast als na te melden in de beslissing (hierna onder punt 5). Daarbij zal de rechtbank het zogenoemde ‘spoorboekje’ opnemen zoals dat door partijen tijdens de mondelinge behandeling is overeengekomen (met aanpassing van de tussen partijen overeengekomen data vanwege de latere vonnisdatum).

De inboedelgoederen

4.9.

De inboedel van het appartement behoort ook tot het actief van de nalatenschap. Ieder van partijen is gerechtigd tot een derde deel van de inboedel. Partijen hebben niet duidelijk gemaakt dat zij bepaalde roerende zaken toegedeeld willen krijgen.

[persoon 1] en [persoon 2] voeren onweersproken aan dat de inboedel bij [persoon 3] in gebruik is en dat hij een aantal roerende zaken, waaronder een bed heeft verkocht. Omdat [persoon 3] de door [persoon 1] en [persoon 2] gestelde waarde van de inboedel van € 500,- niet heeft betwist, wordt van dit bedrag bij de verdeling van de nalatenschap uitgegaan. Dit resulteert erin dat de inboedelgoederen aan [persoon 3] worden toebedeeld en dat hij wegens overbedeling een bedrag van (1/3 deel van € 500,- =) € 167,- aan zowel [persoon 1] als [persoon 2] dient te vergoeden.

De personenauto

4.10.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de personenauto van vader onderdeel uitmaakt van de nalatenschap. Ook zijn partijen het erover eens dat deze auto moet worden gewaardeerd op een bedrag van € 6.500,-. Verder heeft [persoon 3] aangegeven de auto te willen behouden en [persoon 1] en [persoon 2] daarvoor financieel te willen compenseren. De rechtbank zal daarom de auto aan [persoon 3] toebedelen, waarbij [persoon 3] [persoon 1] en [persoon 2] dient uit te kopen voor hun aandeel in de waarde van de auto. Het bedrag wat [persoon 3] ter zake aan zowel [persoon 1] als [persoon 2] dient te betalen is daarom (1/3 van € 6.500,00 =) € 2.166,67.

De banksaldi

4.11.

Vast staat dat tot het actief van de nalatenschap de saldi van de bankrekeningen van vader behoort. Het gaat om twee betaalrekeningen met een saldo per datum overlijden van € 186,- en € 215,- én een spaarrekening met een saldo per datum overlijden van € 28.983,-. [persoon 1] en [persoon 2] hebben onweersproken gesteld dat de aanslagen inkomstenbelasting over de vijf jaren voorafgaande aan het overlijden van erflater van de bankrekeningen zijn voldaan. Daarnaast zijn ook de uitvaartkosten en de aanslagen erfbelasting van € 885,- per persoon, zoals opgelegd aan [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] van de bankrekeningen van erflater betaald. [persoon 1] en [persoon 2] hebben daarnaast onweersproken aangevoerd dat diverse eigenaars- en gebruikerslasten van de bankrekeningen van erflater zijn betaald. Voormelde lasten bespreekt de rechtbank hierna. Het huidige saldo van de genoemde rekeningen is niet bekend. Voor zover de betreffende bankrekeningen een saldo bevatten, dient dit na verkoop/overdracht van het appartement én voldoening van de schulden van de nalatenschap gelijkelijk tussen partijen te worden verdeeld. Daarna dienen alle erfgenamen mee te werken aan de opheffing van deze rekeningen.

De moederlijke erfdelen

4.12.

De moederlijke erfdelen zijn schulden van de nalatenschap van vader. In het kader van de verdeling van de nalatenschap van vader zijn partijen het erover eens dat de moederlijke erfdelen aan de drie erfgenamen dienen te worden verminderd met de daarover verschuldigde erfbelasting. Daarnaast dienen de moederlijke erfdelen te worden vermeerderd met de rente uit het testament van moeder als deze renteregeling leidt tot een rentepercentage hoger dan 0%. Ook dient bij de moederlijke erfdelen rekening te worden gehouden met de legaten onder last die moeder aan de erfgenamen heeft gemaakt ten behoeve van [persoon 4] . Omdat partijen de testamentaire rente niet cijfermatig inzichtelijk hebben gemaakt en omdat partijen niet inzichtelijk hebben gemaakt of bij de berekening van de moederlijke erfdelen rekening is gehouden met de moederlijke legaten onder last, zal de rechtbank bepalen dat partijen de hoogte van de moederlijke erfdelen in onderling overleg moeten vaststellen. Vervolgens dienen deze moederlijke erfdelen als schulden van de nalatenschap aan [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] te worden betaald.

De vaderlijke legaten onder last

4.13.

De door vader gemaakte legaten onder last ten behoeve van [persoon 4] zijn ook schulden van de nalatenschap. Op grond van de wet4 worden schulden van de nalatenschap uit een legaat slechts voldaan indien alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle zijn voldaan. De schulden uit legaat komen daarom in rangorde na betaling van de overige schulden van de nalatenschap, in dit geval de moederlijke erfdelen. De rechtbank zal daarom gelasten – voor zover na voldoening van de schulden voldoende middelen in de nalatenschap resteren – dat [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] hun uit het testament van vader toekomende legaat onder de daaraan verbonden last uitoefenen ten behoeve van [persoon 4] .

Gebruiksvergoeding appartement

4.14.

De rechtbank stelt voorop dat iedere deelgenoot bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken5. De deelgenoot die het goed (in dit geval het gezamenlijke appartement) met uitsluiting van de anderen gebruikt, is verplicht de anderen schadeloos te stellen voor het feit dat zij geen gebruik hebben kunnen maken van hun eigendom, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding6. Deze vergoeding wordt toegekend als de rechtbank dat redelijk en billijk vindt.

4.15.

Tussen partijen staat vast dat [persoon 3] vanaf 21 november 2021 het appartement in gebruik heeft. [persoon 1] en [persoon 2] stellen dat [persoon 3] gedurende langere tijd kosteloos met vader in het appartement heeft gewoond en dat hij het appartement veel eerder had kunnen verlaten. Volgens [persoon 1] en [persoon 2] is de oplopende gebruiksvergoeding daarom grotendeels het gevolg van keuzes van [persoon 3] zelf. [persoon 3] heeft aangevoerd dat hij vanwege zijn gezondheid niet eenvoudig kon verhuizen en dat hij bovendien jarenlang voor zijn vader heeft gezorgd. De rechtbank is van oordeel dat de door [persoon 3] aangevoerde omstandigheden niet zwaarder wegen dan het belang van [persoon 1] en [persoon 2] bij compensatie voor het gemiste gebruiksgenot. De rechtbank vindt het daarom redelijk en billijk dat [persoon 3] aan [persoon 1] en [persoon 2] een gebruiksvergoeding betaalt.

4.16.

De wet bevat geen vaste regeling voor de berekening van de hoogte van een gebruiksvergoeding. [persoon 1] en [persoon 2] vorderen een gebruiksvergoeding van 2,5% per jaar over de vrije verkoopwaarde van het appartement, waarbij uitgegaan wordt van een vrije verkoopwaarde gelijk aan de WOZ-waarde per 1 januari 2024, zijnde € 339.000,-. Zij maken dus aanspraak op een gebruiksvergoeding van € 2.858,00 per jaar (1/3 deel van 2,5% maal € 339.000,-) ingaande op [datum 2] 2021 tot de datum waarop het appartement feitelijk zal zijn verdeeld. De rechtbank vindt deze wijze van berekenen redelijk. [persoon 3] heeft de hoogte van de gevorderde vergoeding bovendien niet betwist. De rechtbank zal daarom de gevorderde gebruiksvergoeding toewijzen en [persoon 3] veroordelen tot betaling van (1/2 van € 2.858,- =) € 1.429,- aan zowel [persoon 1] als [persoon 2] . Voor zover [persoon 1] en [persoon 2] bedoeld hebben ieder het volledige bedrag aan gebruiksvergoeding van € 2.858,- te vorderen, wijst de rechtbank die vordering af. De gebruiksvergoeding is immers geen zelfstandige aanspraak van iedere deelgenoot op het volledige bedrag, maar is een redelijke vergoeding voor het exclusieve genot van een gemeenschappelijk goed als geheel.

Kosten die voor de ervenrekening zijn

4.17.

De rechtbank oordeelt dat de eigenaarslasten die op de woning rusten, waaronder de bijdragen aan de Vereniging van Eigenaars, de WOZ-aanslagen en de bankkosten van de rekening van erflater ten laste van de nalatenschap moeten komen. Deze kosten vloeien voort uit de eigendom van de woning, die bij de gezamenlijke erfgenamen ligt. Deze kosten lopen door ongeacht de vraag wie de woning feitelijk gebruikt en bewoont. Deze lasten hangen dus samen met de gemeenschappelijke goederen van de nalatenschap en moeten door de erfgenamen naar evenredigheid worden gedragen7. De stelling van [persoon 1] en [persoon 2] dat de kosten in dit specifieke geval toch voor rekening van [persoon 3] moeten komen, omdat het onrechtmatig is dat zij zo lang hebben moeten wachten op de verkoop van het appartement, slaagt niet. Dat de verkoop van het appartement langer op zich heeft laten wachten, betekent niet dat [persoon 3] daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig, bijvoorbeeld dat [persoon 3] bewust de verkoop van het appartement heeft tegengewerkt of dat [persoon 3] de belangen van [persoon 1] en [persoon 2] op ontoelaatbare wijze heeft veronachtzaamd. Daarvan is niet gebleken.

Kosten die voor [persoon 3] zijn

4.18.

De rechtbank oordeelt dat de gebruikslasten voor het appartement voor rekening van [persoon 3] komen. De door [persoon 1] en [persoon 2] gevorderde kosten zijn toewijsbaar, behalve de kosten die zien op de datums vóór overlijden van vader in november 20218. Partijen zijn het erover eens dat de gebruikslasten tot september 2022 van de ervenrekening zijn betaald en dat [persoon 3] na die datum de gebruikslasten zelf heeft betaald, behalve de kosten voor Brabantse Delta. Het gaat om een bedrag van € 2.214,29. De rechtbank zal [persoon 3] daarom veroordelen 1/3e deel van dit bedrag aan [persoon 1] en [persoon 2] te voldoen, zijnde aan ieder van de zussen een bedrag van (1/3 van € 2.214,29 =) € 738,10.

Proceskosten

4.19.

Gelet op de familierechtelijke verhouding tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.20.

De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld9.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie en in reconventie

5.1.

gelast de navolgende wijze van verdeling van de nalatenschap van vader:

5.1.1.

het appartement aan het [adres] wordt verkocht en geleverd aan een derde;

5.1.2.

bepaalt dat partijen de opdracht geven aan [makelaar] of – zo nodig – aan een andere door partijen gezamenlijk aan te wijzen makelaar in de regio om het appartement te verkopen;

5.1.3.

bepaalt dat partijen uiterlijk 15 september 2026 opdracht zullen geven aan de makelaar om de woning te verkopen. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraag- en laatprijs van de woning bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van het appartement zal verrichten;

5.1.4.

veroordeelt partijen om, binnen drie werkdagen nadat de makelaar de verkoopopdracht aan partijen heeft toegezonden, de verkoopopdracht te ondertekenen;

5.1.5.

bepaalt dat als een van partijen de verkoopopdracht niet binnen de hiervoor genoemde termijn heeft ondertekend, de andere partijen vanaf het verstrijken van die termijn onherroepelijk zijn gevolmachtigd om namens de weigerende partij de verkoopopdracht aan de makelaar te ondertekenen;

5.1.6.

veroordeelt partijen de makelaar alle medewerking te verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, waaronder (maar niet beperkt tot) het opruimen en schoonmaken van het appartement voor het maken van foto’s en het laten bezichtigen van de woning door potentiële kopers;

5.1.7.

bepaalt dat de bezichtigingen door de makelaar – zonder aanwezigheid van partijen – zullen plaatsvinden;

5.1.8.

bepaalt dat partijen de makelaar zullen verzoeken in de tweede helft van september 2026 het appartement te bezichtigen voor het vaststellen van eventuele herstelpunten die nodig zijn voor de verkoop van de woning en daarvan een schriftelijk rapport uit te brengen;

5.1.9.

bepaalt dat partijen, als de makelaar herstelpunten adviseert, binnen veertien dagen na ontvangst van het rapport met elkaar in overleg treden over de uitvoering daarvan, waaronder begrepen de vraag welke werkzaamheden zullen worden verricht, door wie deze zullen worden uitgevoerd, binnen welke termijn, en op welke wijze de daaraan verbonden kosten tussen partijen worden gedragen.

5.1.10.

bepaalt dat partijen de makelaar zullen verzoeken in de tweede helft van oktober 2026 foto’s voor de verkoop van het appartement te (laten) maken;

5.1.11.

bepaalt dat partijen de makelaar zullen verzoeken het appartement in de eerste helft van november 2026 in de verkoop te zetten;

5.1.12.

veroordeelt partijen om, binnen drie werkdagen nadat de makelaar de verkoopovereenkomst aan partijen heeft toegezonden, de verkoopovereenkomst te ondertekenen, tegen een verkoopprijs die door de makelaar als marktconform wordt geadviseerd;

5.1.13.

bepaalt dat de levering van de woning niet eerder zal plaatsvinden dan op 31 januari 2027, tenzij partijen daarover in onderling overleg met de koper en de notaris een andere afspraak maken;

5.1.14.

veroordeelt partijen om, binnen drie werkdagen nadat zij daartoe een strekkend schriftelijk verzoek van de notaris hebben ontvangen, hun medewerking te verlenen aan het passeren van de leveringsakte bij de notaris;

5.1.15.

bepaalt dat, als een van partijen in gebreke blijft met het ondertekenen van de koopovereenkomst of notariële akte van levering, dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van partijen tot het tekenen van de koopovereenkomst en de eigendomsoverdracht;

5.1.16.

veroordeelt [persoon 3] om het appartement twee weken voor de leveringsdatum te hebben verlaten en schoon en leeg te hebben opgeleverd;

5.1.17.

veroordeelt [persoon 3] , indien [persoon 3] het appartement niet uiterlijk twee weken voor de leveringsdatum heeft verlaten, in de kosten van de ontruiming (met inbegrip van de kosten van vervanging van sloten en afvoeren van persoonlijke eigendommen);

5.1.18.

bepaalt dat de verkoopsom wordt voldaan op de ervenrekening;

5.1.19.

bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop van het appartement onderdeel uitmaakt van de nalatenschap;

5.2.

stelt de verdeling van de inboedelgoederen vast:

5.2.1.

de inboedelgoederen worden aan [persoon 3] toegedeeld;

5.2.2.

veroordeelt [persoon 3] om ter zake van overbedeling zowel aan [persoon 1] als [persoon 2] een bedrag van € 167,- te voldoen;

5.3.

stelt de verdeling van de personenauto Kia Picanto met [kenteken] vast:

5.3.1.

de personenauto wordt aan [persoon 3] toegedeeld;

5.3.2.

veroordeelt [persoon 3] om ter zake van overbedeling zowel aan [persoon 1] als [persoon 2] een bedrag van € 2.166,67 te voldoen;

5.4.

bepaalt dat partijen de hoogte van de moederlijke erfdelen in onderling overleg moeten vaststellen;

5.5.

gelast dat de moederlijke erfdelen als schulden van de nalatenschap aan partijen wordt betaald;

5.6.

gelast – voor zover na voldoening van de onder 5.5 genoemde schuld (en eventuele overige schulden) voldoende middelen in de nalatenschap resteren – dat partijen hun uit het testament van vader toekomende legaat onder de daaraan verbonden last uitoefenen ten behoeve van [persoon 4] ;

5.7.

gelast dat de middelen die in de nalatenschap resteren – na voldoening van de onder 5.5 genoemde schuld (en eventuele overige schulden) en de onder 5.6 genoemde legaten onder last – gelijkelijk tussen [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] worden verdeeld;

5.8.

veroordeelt [persoon 3] om zowel aan [persoon 1] als aan [persoon 2] te voldoen een bedrag van € 1.429,- per jaar ter zake gebruiksvergoeding, ingaande op [datum 2] 2021 tot de datum waarop het appartement feitelijk zal zijn verdeeld;

5.9.

veroordeelt [persoon 3] om zowel aan [persoon 1] als aan [persoon 2] te voldoen een bedrag van € 738,10 ter zake gebruikslasten;

5.10.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.11.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hartman en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »