RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 26/1838 en BRE 26/1839
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de WOZ-beschikkingen voor het belastingjaar 2025 met betrekking tot de onroerende zaken [adres] te [woonplaats] (de woning; met zaaknummer BRE 26/1838) en [perceel] te [woonplaats] (het perceel; met zaaknummer BRE 26/1839). De uitspraak ziet uitsluitend op de vraag of belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, namelijk een vergoeding van kosten van een deskundige in de zaak over het object [adres] . Alleen dat beroep is dus gegrond, het overige beroep niet. Belanghebbende heeft echter geen recht op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase, omdat de noodzaak tot het instellen van het beroep aan de handelwijze van belanghebbende zelf te wijten is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft met de WOZ-beschikkingen van 24 februari 2025 de waarde van de woning voor het belastingjaar 2025 vastgesteld op € 1.110.000 en de waarde van het perceel op € 58.000.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 12 februari 2026 het bezwaar van belanghebbende tegen de vastgestelde waarde van de woning ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de vastgestelde waarde van het perceel gegrond. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van het perceel verminderd naar € 32.000. Het verzoek van belanghebbende om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft hij afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigde en, namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] deelgenomen.
Feiten
3. Belanghebbende is eigenaar van de woning en van het perceel.
Het procesdossier bevat onder meer de volgende stukken die in de bezwaarfase zijn overgelegd:
- Het bezwaarschrift van 2 april 2025, ondertekend door belanghebbende;
- Een aanvulling op het bezwaarschrift per brief van 17 april 2025, ondertekend door belanghebbende.
Het procesdossier bevat onder meer de volgende stukken die in de beroepsfase zijn overgelegd:
- Het beroepschrift van 21 maart 2026, ingediend door gemachtigde;
- Een aanvulling op het beroepschrift per brief van 17 april 2026, ondertekend door gemachtigde. Op het briefpapier staan de contactgegevens van de onderneming van gemachtigde ( [administratieve dienstverlening] ) vermeld;
- Een reactie op het verweerschrift per brief van 19 juli 2026, ondertekend door gemachtigde. Op het briefpapier staan de contactgegevens van de onderneming van gemachtigde vermeld.
- Diverse e-mails aan de taxateur, ondertekend door gemachtigde. Onder de naam van gemachtigde staan de naam en contactgegevens van de onderneming van belanghebbende ( [onderneming] ) vermeld. De e-mails zijn verstuurd vanuit het e-mailadres van de afdeling administratie van die onderneming.
- Een factuur van [makelaars- en assurantiekantoor] van 30 juni 2025, met als onderwerp: “WOZ Advies woning [adres] te [woonplaats] en [perceel] te [woonplaats] .” Op de factuur zijn voor in totaal 2 uur aan werkzaamheden vermeld met een tarief van € 175 per uur exclusief btw. De werkzaamheden zijn uitgesplitst in “WOZ Advies-opname” (1 uur) en “WOZ Advies-brieven etc.” (1 uur).
- Een brief van [deskundige] (namens voormeld makelaars- en assurantiekantoor), die bij de e-mail van 31 mei 2025 van [deskundige] aan gemachtigde is gevoegd. De brief heeft als onderwerp: “aanvulling WOZ-bezwaarschrift [adres] [woonplaats] peildatum 01-01-2024” (het verslag).
De bij uitspraken op bezwaar gehandhaafde waarde van de woning en verminderde waarde van het perceel (zie 2 en 2.1) zijn tussen partijen niet meer in geschil.
Beoordeling door de rechtbank
4. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat recht op vergoeding door het bestuursorgaan van kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Onder deze kosten zijn tevens begrepen de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht1 en de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.2
Kosten van een deskundige
Belanghebbende stelt dat de totale kosten van de deskundige € 423,50 (twee uur werkzaamheden x € 175 vermeerderd met btw) bedragen, waarvan de helft toerekenbaar is aan werkzaamheden voor het perceel. De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase zijn standpunt gewijzigd en stelt dat de vergoeding van de kosten van de deskundige maximaal € 82,28 kan bedragen, zijnde één uur werkzaamheden x € 68 vermeerderd met btw, conform de inmiddels ingetrokken Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven3 en alleen in de zaak over het object [adres] .
Tussen partijen is niet in geschil dat de btw op belanghebbende drukt.
De rechtbank begrijpt het standpunt van de heffingsambtenaar zo dat hij niet betwist dat sprake is van gemaakte kosten van een deskundige in de zaak van het object [adres] en ook niet dat met de door de deskundige ten aanzien van dit object verrichte werkzaamheden één uur gemoeid is. De rechtbank acht dat redelijk en zal deze standpunten volgen. Het standpunt van de heffingsambtenaar dat belanghebbende toch recht heeft op vergoeding van kosten van een deskundige voor het object [adres] betekent dat het beroep in zoverre gegrond is, ondanks dat de heffingsambtenaar het bezwaar ter zake van het object [adres] ongegrond heeft verklaard.
Met betrekking tot het andere object – het perceel – is niet gebleken dat er een taxatierapport is opgesteld door een deskundige. Zoals de heffingsambtenaar terecht stelt, ziet het door belanghebbende overgelegde stuk wat over de waardering gaat, enkel op de [adres] . Reeds daarop stuit het beroep van belanghebbende ten aanzien van het perceel af.
Met betrekking tot de hoogte van de te vergoeden kosten ten aanzien van het object [adres] oordeelt de rechtbank als volgt. Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de volgens hem werkelijk gemaakte kosten. De rechtbank verwerpt dit standpunt en stelt voorop dat de wetgever slechts heeft beoogd te voorzien in een tegemoetkoming van de kosten.4 Bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken, ziet de rechtbank niet.
De rechtbank acht het door de heffingsambtenaar gestelde uurtarief van € 68 (exclusief btw) in dit geval niet te laag vastgesteld. De werkzaamheden die gemoeid zijn met de waardering van een woning zijn niet van een dergelijke wetenschappelijke of bijzondere aard dat deze dusdanig complex zijn dat rekening moet worden gehouden met een hoger tarief.
Dat betekent dat de vergoeding van de kosten van de deskundige € 82,28 (één uur x € 68 vermeerderd met 21% btw) conform het standpunt van de heffingsambtenaar, naar het oordeel van de rechtbank niet te laag is.
Kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand
Belanghebbende heeft in de bezwaarfase daarnaast verzocht om een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank ziet geen aanleiding hiertoe. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar namelijk niet aannemelijk gemaakt dat aan hem gedurende de bezwaarfase beroepsmatige rechtsbijstand is verleend, waarvoor hij kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat alle stukken van belanghebbende die in de bezwaarfase zijn ingebracht op naam van belanghebbende zelf staan. Nergens uit blijkt dat er een gemachtigde betrokken was. Ook ter zitting is er onvoldoende duidelijkheid op dit punt gekomen. Gelet op die feiten en omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld om aannemelijk te achten dat er tijdens de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde is verleend.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep in de zaak over het object [adres] is gegrond, omdat de heffingsambtenaar ten onrechte geen vergoeding van kosten van een deskundige heeft toegekend.
Bij een gegrond beroep heeft belanghebbende in beginsel recht op een proceskostenvergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb. Hiervan mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend uit de handelwijze van belanghebbende voortvloeide.5
De rechtbank is van oordeel dat dit laatste het geval is. De heffingsambtenaar heeft zijn standpunt ten aanzien van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase gewijzigd nadat belanghebbende in de beroepsfase onderbouwende stukken heeft overgelegd, namelijk de factuur van de deskundige en het verslag (zie 3.2). Nu belanghebbende pas in de beroepsfase de kosten van een deskundige heeft onderbouwd zonder reden waarom tot dat moment is gewacht, is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding. Belanghebbende krijgt het griffierecht vergoed van het bestuursorgaan gelet op artikel 8:74 van de Awb.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep welke betrekking heeft op de beslissing in de uitspraak op bezwaar over de kostenvergoeding in de bezwaarfase in de zaak over het object [adres] (zaaknummer BRE 26/1838) gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de beslissing over die kostenvergoeding;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 54 aan belanghebbende moet vergoeden;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een vergoeding voor de kosten van bezwaar aan belanghebbende van € 82,28 in de zaak over het object [adres] (zaaknummer BRE 26/1838), waarbij enig bedrag dat al betaald is, bij uitbetaling in mindering dient te worden gebracht.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.