ECLI:NL:RBZWB:2026:9613

Datum uitspraak
02-10-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
BRE 25/5832
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

8:54; beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/5832

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de inspecteur volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaren van 10 juli 2025 en 12 juli 2025. Het bezwaarschrift van 10 juli 2025 is gericht tegen de in rekening gebrachte belastingrente bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2022 (IB/PVV) met aanslagnummer [aanslagnummer] H.26.01. Het bezwaarschrift van 12 juli 2025 is gericht tegen de aanslag IB/PVV 2022.

1.1.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.1

Is het beroep niet tijdig beslissen ontvankelijk en gegrond?

3. Er kan slechts eenmaal bezwaar worden gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2022 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. De rechtbank is van oordeel dat het daartegen gerichte bezwaarschrift is ingediend op 10 juli 2025. Het bezwaarschrift is aangevuld door het bezwaarschrift van 12 juli 2025. Belanghebbende heeft van beide stukken een ontvangstbevestiging ontvangen en mocht er dan ook van uitgaan dat de bezwaren correct waren ingediend. De bezwaren waren ook ontvangen door de Belastingdienst, deze waren alleen door een technische fout – mogelijk door het niet (correct) vermelden van het aanslagnummer, niet automatisch zichtbaar in het systeem, maar moesten handmatig worden opgevoerd. Dit komt in dit geval voor risico van de Belastingdienst. Uit de bezwaarschriften bleek voldoende tegen welke aanslag de bezwaren zich richtte.

3.1.

De inspecteur moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is.2De inspecteur had dus uiterlijk op 2 oktober 2025 moeten beslissen. Hieraan doet niet af dat de inspecteur pas naar aanleiding van de brief van belanghebbende van 12 september 2025 erachter kwam dat de bezwaren waren ingediend. Belanghebbende heeft de inspecteur op 6 oktober 2025 en 8 oktober 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur na het instellen van beroep op 24 december 2025 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Nu alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan, ontvalt in de regel het belang aan het door belanghebbende ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Echter, in dit geval blijft belang bij het beroep bestaan omdat de inspecteur de dwangsom nog niet heeft vastgesteld. Omdat de inspecteur niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, is het beroep kennelijk gegrond.

Heeft belanghebbende recht op een dwangsom?

4. De inspecteur heeft de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld, ook niet in de uitspraak op bezwaar van 24 december 2025. De rechtbank doet dit daarom op grond van artikel 8:55c van de Awb alsnog.

4.1.

Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De maximale dwangsom is in dit geval verschuldigd en bedraagt € 1.442,-.

Is het beroep tegen het alsnog genomen besluit ontvankelijk en gegrond?

5. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit.3 Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd tegen de uitspraak op bezwaar. In het beroepschrift zijn geen inhoudelijke gronden vermeld en belanghebbende heeft geen gebruik van de door de rechtbank (meermaals) geboden gelegenheid om gronden tegen de uitspraak op bezwaar in te dienen. De rechtbank is ook ambtshalve niet gebleken dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende, voor zover deze is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 24 december 2025, daarom kennelijk ongegrond.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond voor zover dit ziet op het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en de dwangsom. De rechtbank kent aan belanghebbende een dwangsom toe van € 1.442,-. Het beroep is ongegrond voor zover het ziet op de uitspraak op bezwaar van 24 december 2025.

6.1.

Omdat het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op het beroep niet tijdig beslissen;

  • verklaart het beroep ongegrond voor zover dit ziet op de uitspraak op bezwaar van 24 december 2025;

  • veroordeelt de inspecteur in het betalen van een dwangsom van € 1.442,-;

  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Dekkers, griffier.

griffier rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »