RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6409
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de inspecteur volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2024 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.46.01.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.1
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 24 juni 2025 ontvangen. De inspecteur moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is.2De inspecteur had dus uiterlijk op 11 augustus 2025 moeten beslissen. Belanghebbende heeft de inspecteur op 21 september 2025 in gebreke gesteld en op 15 december 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur na het instellen van het beroep op 11 februari 2026 alsnog een beslissing op bezwaar heeft genomen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit.3 Belanghebbende heeft de rechtbank laten weten het eens te zijn met de uitspraak op bezwaar. De rechtbank zal dan ook alleen het beroep niet tijdig beslissen beoordelen.
Nu alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan, ontvalt in de regel het belang aan het door belanghebbende ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Echter, in dit geval blijft belang bij het beroep bestaan vanwege het verzoek om een dwangsom. Omdat de inspecteur niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, is het beroep kennelijk gegrond.
Heeft belanghebbende recht op een dwangsom?
4. De inspecteur heeft de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld, ook niet in de uitspraak op bezwaar van 11 februari 2026. De rechtbank doet dit daarom op grond van artikel 8:55c van de Awb alsnog.
Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De maximale dwangsom is in dit geval verschuldigd en bedraagt € 1.442,-.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en de toekenning van een dwangsom. De rechtbank kent aan belanghebbende een dwangsom toe van € 1.442,-.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden. Volgens artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) komen kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de door gemachtigde gegeven bijstand kosteloos is. Nu belanghebbende niet hoeft te betalen voor de werkzaamheden van de gemachtigde is er geen sprake van ‘kosten’.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond;
-
veroordeelt de inspecteur in het betalen van een dwangsom van € 1.442,-;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.