RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/438401 / HA ZA 25-440
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
CAPTRAIN DEUTSCHLAND CARGOWEST GMBH,
te Gütersloh (Duitsland),
eisende partij,
hierna te noemen: Captrain,
advocaat: mr. R.L. Latten,
tegen
1 SBCN B.V.,
te Dinteloord, gemeente Steenbergen,
niet verschenen,
hierna te noemen: Sbcn,
2. INTERGROUP B.V.,
te Etten-Leur,
advocaat: mr. J.J. Linker,
hierna te noemen: Intergroup,
3. SCHIEGOTTHARD B.V.,
te Heijningen, gemeente Moerdijk,
advocaat: mr. J.J. Linker,
hierna te noemen: Schiegotthard,
4. RAIL4WARD B.V.,
te Heijningen, gemeente Moerdijk,
advocaat: mr. J.J. Linker,
hierna te noemen: Rail4ward,
gedaagde partijen.
Intergroup, Schiegotthard en Rail4ward zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als ‘Intergroup c.s.’ (meervoud).
1 De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de akte overlegging producties tevens akte vermeerdering van eis van de zijde van Captrain met daarbij de producties E11 tot en met E16;
- de brief van 19 februari 2026 van de zijde van Intergroup c.s. met daarbij producties 6 en 7;
- de akte overlegging producties waarmee Captrain de producties E17 en E18 in het geding heeft gebracht;
- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt waarbij de door partijen overgelegde spreekaantekeningen zijn gevoegd.
2 De feiten
Partijen, MRA en MDrivers
Captrain is een in Duitsland gevestigde vervoerder van goederen per spoor. Zij beschikt onder meer over eigen locomotieven.
Intergroup c.s. en Sbcn zijn (indirect) aandeelhouders van Mthode Rail Alliance B.V. (hierna: MRA). MRA houdt 100% van de aandelen in MDrivers B.V. (hierna: MDrivers).
Schematisch ziet de (vereenvoudigde) aandeelhoudersstructuur van MDrivers er als volgt uit.
MDrivers is op 24 november 2023 opgericht. Zij legde zich toe op goederenvervoer per spoor in verschillende landen binnen Europa. Daartoe diende zij te beschikken over een bedrijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Spoorwegwet. Die vergunning wordt uitgegeven door de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT), namens de minister van Infrastructuur en Milieu. MDrivers heeft bedoelde vergunning in 2024 aangevraagd.
De garantstellingsverklaring
In het kader van de vergunningverlening heeft een medewerker van ILT op 12 december 2024 aan een medewerker van MRA een e-mailbericht gezonden met de volgende inhoud:
“Hierbij info mbt een garantstelling:
Aangetoond moet worden dat de financiële positie van de spoorwegonderneming toereikend is om ten minste gedurende een jaar te voldoen aan haar bestaande en toekomstige verplichtingen die voortvloeien uit de huidige dan wel de voorgenomen bedrijfsvoering.
Wat moet er minstens in de garantstelling staan?
De aandeelhouders CQ investeerders genaamd …moeten schriftelijk verklaren zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden. (vergelijk de verklaring in het concernrecht artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek.
Het zou mooi zijn als jullie die garantstelling morgen tijdens het overleg al aan ons zouden kunnen voorleggen.”
Op 12 december 2024 hebben [persoon 1] (als bestuurder van Sbcn), [persoon 2] (als bestuurder van Intergroup), en [persoon 3] (als bestuurder van Schiegotthard en Rail4ward) een document ondertekend met de volgende inhoud (hierna: de garantstellingsverklaring):
“Barendrecht 12 december 2024
Aan; Inspectie Leefomgeving & Transport
T.n.v. heer [persoon 4]
Betreft; Garantiestelling aandeelhouders ten aanzien van MDrivers
Mdrivers B.V. is als Spoorwegonderneming met ERA veiligheidscertificaat in de start-up fase en geeft met de onderstaande garantiestelling vanuit aandeelhouders expliciet aan dat zij haar bestaande en toekomstige financieel economische verplichtingen voor ten minste een jaar (2025) kunnen waarborgen welke voortvloeien uit de huidige dan wel voorgenomen bedrijfsvoering.
Genoemde aandeelhouders geven hierbij aan garant te zullen staan alsook zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de uit rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden (artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek).
Aandeelhouders welke garant staan voor MDrivers B.V. zijn respectievelijk;
1. Sbcn B.V.,
[persoon 1]
2. Intergroup B.V.,
[persoon 2]
3. Schiegotthard B.V.,
[persoon 3]
4. Rail4Ward B.V.
[persoon 3]
Aldus naar waarheid opgemaakt en ondertekent te Barendrecht, 12 december 2024”
ILT heeft na ontvangst van de garantstellingsverklaring in december 2024 aan MDrivers de door haar benodigde bedrijfsvergunning (hierna: de bedrijfsvergunning) verleend.
De bestuurders van Intergroup c.s. hebben op 30 mei 2025 een document ondertekend (hierna: de intrekkingsverklaring), waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“Intrekking c.q. herroeping
Namens Intergroup B.V., Rail4ward B.V., Schiegotthard B.V. (hierna alle drie samen aangeduid als: “Intergroup c.s.”) is een document ondertekend op 12 december 2024.
Dat document d.d. 12 december 2024 is gericht aan Inspectie Leefomgeving & Transport (hierna: “ILT”) en vermeldt dat het zou gaan om een “Garantiestelling aandeelhouders ten aanzien van MDrivers” (hierna: “Document”).
In het Document is verder onder meer vermeld dat aandeelhouders aangeven “garant te zullen staan alsook zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden (artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek)” (deze schuingedrukte passage wordt hierna als “Verklaring” aangeduid).
De verwijzing in de Verklaring naar artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek (“BW”) is niet correct, omdat geen sprake is van een verklaring van de moedermaatschappij van MDrivers B.V. Er heeft ook geen publicatie van het Document plaatsgevonden in het handelsregister, zoals op grond van het Burgerlijk Wetboek wel vereist is.
Intergroup c.s. zijn daarom van mening dat het Document en de Verklaring niet rechtsgeldig zijn en er geen beroep op kan worden gedaan door wie dan ook, dus ook niet door schuldeisers van MDrivers B.V. en sowieso ook niet door MDrivers B.V. zelf.
(…)
In elk geval (ook als het Document en/of de Verklaring wel rechtsgeldig zouden zijn) trekken Intergroup c.s. het Document en meer in het bijzonder de Verklaring hierbij in.
(…)
De inhoud van het Document – en meer in het bijzonder van de Verklaring – is dus komen te vervallen en er kan door geen enkele (rechts)persoon een beroep op worden gedaan.”
Intergroup c.s. hebben de intrekkingsverklaring, waarvan ook een versie in de Duitse taal is opgesteld, aan alle hun bekende schuldeisers van MDrivers gestuurd. Captrain heeft die intrekkingsverklaring op 2 juni 2025 ontvangen.
In een brief van 8 augustus 2025 heeft de Inspecteur ILT/Rail en Luchtvaart aan de advocaat van Captrain over de verleende bedrijfsvergunning en in het bijzonder de garantstellingsverklaring, onder meer het volgende bericht:
“Uit de SERA-richtlijn volgt dat met het oog op een betrouwbare en adequate dienstverlening dient te worden gewaarborgd, dat de spoorwegondernemingen te allen tijde aan sommige eisen inzake goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid, alsmede het dekken van haar wettelijke aansprakelijkheid, voldoen.
(…)
De garantstelling van de aandeelhouders van MDrivers BV maakte onderdeel uit van de aanvraag van MDrivers BV voor een bedrijfsvergunning en diende er mede toe om aan te tonen dat aan het vereiste van financiële draagkracht door de aanvrager werd voldaan, meer specifiek: dat MDrivers BV kan voldoen aan artikel 5 onder a van het Besluit bedrijfsvergunning en enkele vrijstellingen veiligheidscertificaat hoofdspoorwegen.”
De huurovereenkomst
Captrain heeft een huurovereenkomst gesloten met MDrivers (hierna: de huurovereenkomst). Op grond van die op 9 januari 2025 getekende en in de Duitse en Engelse taal opgestelde overeenkomst met de titel ‘Mietvertrag’/‘Lease contract’ heeft Captrain een elektrische locomotief aan MDrivers ter beschikking gesteld. Uit de huurovereenkomst volgt onder meer dat MDrivers voor de huur van de locomotief een bedrag van € 44.000,= per maand aan Captrain verschuldigd is en dat bij niet-tijdige voldoening van het verschuldigde MDrivers vanaf het moment van opeisbaarheid van de vordering een rente van 8% boven de ‘Basiszinssatz’/‘base rate’ moet betalen. De huurovereenkomst bepaalt dat daarop het Duitse recht van toepassing is.
Partijen kwamen aanvankelijk overeen dat de huur van de locomotief zou duren van 11 januari 2025 tot 15 februari 2025. Later hebben zij de huurperiode verlengd tot 12 maart 2025, waarna de huur is geëindigd en MDrivers de locomotief heeft teruggegeven aan Captrain.
Captrain heeft de volgende drie facturen voor huurpenningen opgemaakt en aan MDrivers gezonden:
|
Factuurnummer |
Factuurdatum |
Bedrag |
Vervaldatum |
|
[factuurnummer 1] |
7 februari 2025 |
€ 14.193,55 |
21 februari 2025 |
|
[factuurnummer 2] |
24 februari 2025 |
€ 29.806,45 |
10 maart 2025 |
|
[factuurnummer 3] |
5 maart 2025 |
€ 17.032,26 |
19 maart 2025 |
Ook na de sommaties van 24 maart, 15 april en 11 juni 2025 heeft MDrivers de facturen niet betaald. Op 21 juli 2025 heeft Captrain een laatste sommatie aan zowel MDrivers als haar (indirect) aandeelhouders Sbcn en Intergroup c.s. gestuurd.
Start procedure en faillissement MDrivers
Omdat betaling van genoemde facturen is uitgebleven, heeft Captrain zowel MDrivers als Sbcn en Intergroup c.s. gedagvaard en daarmee deze procedure ingeleid.
Op 29 juli 2025 is MDrivers door deze rechtbank failliet verklaard. Gelet daarop heeft Captrain de tot MDrivers gerichte vorderingen in deze procedure ingetrokken.
Beslagen
Op 13 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan Captrain op haar verzoek verlof verleend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van Intergroup c.s. [deurwaarder] heeft de beslagleggingen in opdracht van Captrain uitgevoerd. Het gaat om de volgende beslagen:
-
het op 14 augustus 2025 onder Coöperatieve Rabobank U.A. ten laste van Intergroup gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder ABN Amro Bank N.V. ten laste van Intergroup gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder ING Bank N.V. ten laste van Intergroup gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder ASN Bank N.V. ten laste van Intergroup gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder Interfeed B.V. ten laste van Intergroup gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder Interbiomass B.V. ten laste van Intergroup gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder Nutrimex B.V. ten laste van Intergroup gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder IG Vastgoed B.V. ten laste van Intergroup gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder Rail4ward B.V. ten laste van Intergroup gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder Coöperatieve Rabobank U.A. ten laste van Schiegotthard gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder ABN Amro Bank N.V. ten laste van Schiegotthard gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder ING Bank N.V. ten laste van Schiegotthard gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder ASN Bank N.V. ten laste van Schiegotthard gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder Rail4ward B.V. ten laste van Schiegotthard gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder Pico Bello B.V. ten laste van Schiegotthard gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder Coöperatieve Rabobank U.A. ten laste van Rail4ward gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder ABN Amro Bank N.V. ten laste van Rail4ward gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder ING Bank N.V. ten laste van Rail4ward gelegde beslag;
-
het op 14 augustus 2025 onder ASN Bank N.V. ten laste van Rail4ward gelegde beslag.
De gelegde beslagen, waarvan de beslagexploten zijn overbetekend aan respectievelijk Intergroup, Schiegotthard en Rail4ward, zijn opgeheven nadat Intergroup c.s. een bankgarantie hadden gesteld.
3 Het geschil
Samengevat vordert Captrain, na vermeerdering van eis, hoofdelijke veroordeling van Sbcn en Intergroup c.s. tot:
I) betaling van € 61.072,26, vermeerderd met rente vanaf veertien dagen na iedere factuurdatum, waarbij de rentevoet uit de huurovereenkomst wordt gehanteerd, en met buitengerechtelijke incassokosten van € 2.461,49;
II) betaling van € 2.216,40, vermeerderd met rente vanaf 12 februari 2025, waarbij de rentevoet uit de huurovereenkomst wordt gehanteerd;
III) betaling van de proceskosten, waaronder de kosten voor het leggen van conservatoir (derden)beslag van in totaal € 7.958,68, vermeerderd met rente, en de nakosten.
Captrain legt, verkort weergegeven, aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Op basis van de tussen Captrain en MDrivers gesloten huurovereenkomst heeft Captrain aan MDrivers een locomotief beschikbaar gesteld. Voor het gebruik van die locomotief is MDrivers huur verschuldigd die Captrain met de onder 2.13 vermelde facturen bij MDrivers in rekening heeft gebracht. Het gaat in totaal om een bedrag van € 61.072,26, MDrivers heeft de rekeningen onbetaald gelaten, waardoor zij ook de volgens de huurovereenkomst te berekenen rente is verschuldigd. Daarnaast heeft MDrivers van 11 tot en met 14 januari 2025 in verband met het gebruik van de gehuurde locomotief stroom verbruikt op kosten van Captrain. Op grond van de huurovereenkomst moet MDrivers die kosten aan Captrain vergoeden. Omdat MDrivers niet over de financiële middelen beschikt om de aan Captrain verschuldigde bedragen te voldoen, doet Captrain een beroep op de garantstellingsverklaring. Volgens Captrain volgt daaruit dat gedaagden zich hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld voor de uit rechtshandelingen van MDrivers voortvloeiende schulden, waaronder de schulden aan Captrain.
Intergroup c.s. voeren verweer. Intergroup c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Captrain, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Captrain, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Captrain in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
De – overigens door Intergroup c.s. niet bestreden – internationale en relatieve bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen van Captrain volgen uit artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo1 en artikel 99 Rv2, aangezien Sbcn en Intergroup c.s. zijn gevestigd in het arrondissement Zeeland-West-Brabant.
Zowel Captrain als Intergroup c.s. gaan uit van een beoordeling van de vorderingen op basis van het Nederlands recht. Voor zover daaruit voor die partijen niet reeds een (expliciete) rechtskeuze voor de toepassing van het Nederlands recht kan worden afgeleid, volgt uit artikel 4 lid 2 van de Rome I-Vo3 dat de rechtsverhouding tussen Captrain en gedaagden, die volgens de stellingen van Captrain gegrond is op de garantstellingsverklaring waarop zij een beroep doet, wordt beheerst door het Nederlandse recht. Gedaagden, als partijen die naar de stelling van Captrain de kenmerkende prestatie onder de garantstellingsverklaring zouden moeten leveren, hebben immers in Nederland hun gewone verblijfplaats.
Verstekverlening tegen Sbcn
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding op de juiste wijze aan Sbcn is betekend en aan alle wettelijke vereisten voldoet. Omdat Sbcn, hoewel dus behoorlijk opgeroepen, niet in deze procedure is verschenen, verleent de rechtbank tegen haar verstek. Omdat Intergroup c.s. wel in de procedure zijn verschenen, wordt tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat op grond van artikel 140 lid 3 Rv, ook voor Sbcn, wordt beschouwd als een vonnis op tegenspraak.
De garantstellingsverklaring
Captrain legt de door Sbcn en Intergroup c.s. ondertekende garantstellingsverklaring aan haar vorderingen ten grondslag. Zij stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat Sbcn en Intergroup c.s. op basis van die verklaring gehouden zijn om de vorderingen van Captrain op MDrivers te voldoen. Intergroup c.s. weerspreken dat zij een bedrag aan Captrain moeten betalen. Zij stellen zich op het standpunt dat van een garantstelling van hun zijde geen sprake is, althans dat Captrain zich daarop niet succesvol kan beroepen. Intergroup c.s. voeren daartoe, verkort weergegeven, aan dat:
-
de garantstellingsverklaring enkel aan ILT was gericht en dat zij daarmee bedoeld hebben zich garant te stellen voor wat betreft bepaalde vorderingen van ILT op MDrivers;
-
er een discrepantie bestaat tussen wil en verklaring als de garantstelling zo zou worden uitgelegd dat andere schuldeisers (dan ILT) zich daarop kunnen beroepen; door die discrepantie is een dergelijke garantstelling nooit tot stand gekomen;
-
Intergroup c.s. zich met de garantstellingsverklaring niet afzonderlijk hebben verbonden tegenover Captrain;
-
Captrain er ook op basis van door MDrivers gedane uitlatingen niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat Intergroup c.s. zich garant zouden hebben gesteld voor de uit de overeenkomst tussen MDrivers en Captrain voortvloeiende schulden van MDrivers, omdat MDrivers niet bevoegd was om namens Intergroup c.s. rechtshandelingen te verrichten en Captrain niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de eventuele door MDrivers gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid;
-
Intergroup c.s. de garantstellingsverklaring hebben ingetrokken;
-
Captrain er gelet op de inhoud van de intrekkingsverklaring niet op mocht vertrouwen dat er ten gunste van haar sprake zou zijn van een garantstelling;
-
in het geval de garantstellingsverklaring een aanbod tot het sluiten van een garantieovereenkomst bevat, of als derdenbeding moet worden aangemerkt, dat aanbod c.q. derdenbeding met de intrekkingsverklaring is vervallen.
In de kern komt het geschil tussen partijen dus neer op de vraag welke betekenis toekomt aan de garantstellingsverklaring. Naar het oordeel van de rechtbank doet Captrain terecht een beroep op die verklaring en zijn Intergroup c.s. op die grond samen met Sbcn hoofdelijk aansprakelijk voor de uit de huurovereenkomst voortvloeiende schuld van MDrivers aan Captrain. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Voorop staat dat volgens de tekst van de garantstellingsverklaring, zoals hiervoor onder 2.6 weergegeven, de daarin genoemde aandeelhouders garant zullen staan en “zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de uit de rechtshandelingen van de spoorwegonderneming (MDrivers B.V.) voortvloeiende schulden”. Partijen twisten over de vraag tot wie de garantstelling zich richt en voor welke schulden gedaagden zich hoofdelijk aansprakelijk stellen.
Niet in geschil is dat de garantstellingsverklaring in het kader van de aanvraag van de bedrijfsvergunning door MDrivers is gezonden aan ILT, zo blijkt ook uit de aanhef van die verklaring. Dat de garantstellingsverklaring zich in ieder geval tot ILT richt, staat daarom vast. De vraag hoe die garantstellingsverklaring moet worden uitgelegd, moet in de eerste plaats worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt geen beslissend gewicht toe aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de in die verklaring gebruikte bewoordingen, ook niet als uitgangspunt. Dat betekent dat het aankomt op de zin die in ieder geval ILT (als geadresseerde van de verklaring) redelijkerwijs aan die garantstellingsverklaring heeft mogen hechten en op hetgeen zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze heeft mogen verwachten.
In dat verband vindt de rechtbank ten eerste van belang dat de garantstellingsverklaring is ondertekend door vier professionele partijen die (als investeerders) actief waren of wilden worden in de (sterk) gereguleerde markt van goederenvervoer per spoor. Van dergelijke partijen mag verwacht worden dat zij kennis hebben van de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de eisen die worden gesteld aan ondernemingen die willen toetreden tot die markt, zoals MDrivers.
Ten tweede neemt de rechtbank in aanmerking dat de garantstellingsverklaring op verzoek van ILT door gedaagden is afgegeven in het kader van de aanvraag van MDrivers voor een bedrijfsvergunning. Die vergunning had MDrivers nodig in verband met het door haar te verrichten goederenvervoer per spoor. Om een bedrijfsvergunning te verkrijgen, moet een spoorwegonderneming voldoen aan onder meer het vereiste van financiële draagkracht. Dat wil zeggen dat de financiële positie van de onderneming toereikend is om ten minste gedurende een jaar te voldoen aan haar bestaande en toekomstige verplichtingen die voortvloeien uit de huidige dan wel de voorgenomen bedrijfsvoering. Zoals uit de hiervoor onder 2.10 deels weergegeven brief van ILT én uit de tekst van de garantstellingsverklaring zelf blijkt, diende de garantstellingsverklaring er toe om aan te tonen dat MDrivers aan die voorwaarde voldeed en dus over voldoende financiële slagkracht beschikte.
Voor de rechtbank bestaat geen twijfel dat Intergroup c.s. ook op de hoogte waren van het doel waarmee zij de garantstellingsverklaring hebben afgegeven. Dat doel is immers verwoord in de eerste alinea van de garantstellingsverklaring en blijkt ook ondubbelzinnig uit het door ILT aan een medewerker van MRA gezonden e-mailbericht van 12 december 2024, hiervoor onder 2.5 deels weergegeven. Naar de stelling van Intergroup c.s. hebben hun bestuurders dat bericht dezelfde dag doorgestuurd gekregen van [persoon 1] , waarna zij – na telefonisch overleg – tot ondertekening van de garantstellingsverklaring zijn overgegaan. Het was de bestuurders van Intergroup c.s. dus bekend dat zij de garantstellingsverklaring ondertekenden om (aan ILT) aan te tonen dat MDrivers gedurende ten minste een jaar kon voldoen aan haar bestaande en toekomstige verplichtingen voortvloeiend uit haar bedrijfsvoering, zodat ILT aan MDrivers de bedrijfsvergunning zou verlenen.
Ten derde neemt de rechtbank bij de uitleg van de garantstellingsverklaring in aanmerking dat daarin een verwijzing is opgenomen naar artikel 2:403 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De garantstellingsverklaring is niet opgesteld in de door artikel 2:403 BW beschreven, ondernemingsrechtelijke context en kan op zichzelf dus ook niet als een zogenaamde 403-verklaring worden aangemerkt. De rechtbank kan de verwijzing in de garantstellingsverklaring naar genoemd artikel dan ook niet anders duiden dan dat de opstellers daarmee hebben beoogd aan de garantstellingsverklaring eenzelfde strekking te geven als in dat artikel bedoeld, namelijk het (doen) ontstaan van rechtstreekse aansprakelijkheid van de ondertekenaars voor de (toekomstige) schulden van MDrivers. Dat past ook bij het doel waarmee de garantstellingsverklaring op verzoek van ILT is afgegeven: de financiële draagkracht van MDrivers aantonen teneinde de bedrijfsvergunning te verkrijgen.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat ILT op basis van de garantstellingsverklaring redelijkerwijs heeft mogen verwachten dat Intergroup c.s. en Sbcn daarmee rechtstreekse aansprakelijkheid hebben aanvaard voor alle uit rechtshandelingen van MDrivers voorvloeiende schulden. Voor zover Intergroup c.s. betogen dat zij, door gebrek aan juridische kennis, niet hebben kunnen overzien wat de gevolgen waren van het afgeven van de garantstellingsverklaring (anders dan verkrijging door MDrivers van de bedrijfsvergunning), blijft die omissie voor hun rekening. Van partijen die actief zijn in een (sterk) gereguleerde markt mag worden verwacht dat zij verstand van zaken hebben of, zo nodig, (juridische) bijstand inschakelen.
De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of – naast ILT – ook andere partijen, waaronder Captrain, zich op de garantstellingsverklaring kunnen beroepen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
Intergroup c.s. betogen dat de garantstellingsverklaring enkel is gericht aan ILT en slechts ziet op een garantstelling voor bepaalde vorderingen van ILT. Dat argument stuit naar het oordeel van de rechtbank af op de hiervoor gegeven uitleg van de garantstellingsverklaring. Weliswaar is de garantstellingsverklaring op verzoek van ILT opgesteld en aan haar gezonden in het kader van de vergunningverlening aan MDrivers. Het bij de ondertekenaars bekende doel van die verklaring, zoals onderstreept door de verwijzing daarin naar artikel 2:403 BW, strekte echter verder dan de verhouding van MDrivers tot ILT. Zij diende ertoe te laten zien dat MDrivers een financieel draagkrachtige partij was waar de overige marktpartijen op konden vertrouwen door aan die partijen de zekerheid te bieden dat zij hun vorderingen jegens MDrivers zo nodig direct bij gedaagden konden verhalen. Het is mede op basis van dat beoogde effect van de garantstellingsverklaring dat ILT aan MDrivers een bedrijfsvergunning heeft verleend waarmee MDrivers in staat werd gesteld te handelen op de markt van het goederenvervoer per spoor. In zoverre is sprake van een nauwe verbondenheid tussen de verleende bedrijfsvergunning en de garantstellingsverklaring.
Die verbondenheid werkt door in het (gerechtvaardigd) vertrouwen dat de aan MDrivers verleende bedrijfsvergunning bij marktpartijen, waaronder Captrain, heeft opgewekt over de financiële betrouwbaarheid van MDrivers. Gelet op het wettelijk kader hebben die marktpartijen immers ervan uit mogen gaan dat MDrivers, als (nieuwe) speler op het gebied van het goederenvervoer per spoor die beschikt over een bedrijfsvergunning, een solide financiële positie had. Intergroup c.s. en Sbcn hebben die (gerechtvaardigde) verwachting van onder meer Captrain met het afgegeven van de garantstellingsverklaring aan ILT zelf in het leven geroepen. Dat betekent dat het vertrouwen in de financiële positie van MDrivers dat Captrain bij het sluiten van de huurovereenkomst heeft mogen ontlenen aan de door ILT aan MDrivers verleende bedrijfsvergunning, moet worden geacht te zijn gewekt door (de opstellers van) de garantstellingsverklaring. Naar het oordeel van de rechtbank eisen de redelijkheid en billijkheid, in het bijzonder gelet op het vertrouwensbeginsel, in dat geval dat Intergroup c.s. en Sbcn door Captrain aan de garantstellingsverklaring kunnen worden gehouden. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank zelfs in het geval Captrain niet reeds bij het sluiten van de huurovereenkomst van die verklaring op de hoogte was. Van belang is dat zij gelet op het wettelijk kader en de voor de bedrijfsvergunning geldende vereisten, in redelijk vertrouwen heeft gehandeld op basis van de juistheid van de aan de bedrijfsvergunning mede ten grondslag liggende garantstellingsverklaring. De rechtbank laat daarom in het midden of Captrain vóór het sluiten van de huurovereenkomst door [persoon 1] op de hoogte is gebracht (van het bestaan) van de garantstellingsverklaring, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld, maar Intergroup c.s. hebben betwist. Nadere bewijslevering op dit punt, zoals Captrain uitdrukkelijk heeft aangeboden, is daarom niet nodig.
Van onbevoegde vertegenwoordiging door MDrivers kan in zoverre geen sprake zijn. Bovendien hebben (de bestuurders van) Intergroup c.s. door ondertekening van de garantstellingsverklaring zelf de (eenzijdige) rechtshandeling verricht waarmee zij zich hoofdelijk hebben verbonden de uit rechtshandelingen van MDrivers voortkomende schulden te voldoen, waaronder de schuld aan Captrain.
De intrekkingsverklaring kan naar het oordeel van de rechtbank aan een succesvol beroep van Captrain op de garantstellingsverklaring ook niet in de weg staan. Zoals hiervoor overwogen, ligt de garantstellingsverklaring als voorwaarde voor de verlening (en het voortbestaan) van de bedrijfsvergunning van MDrivers ten grondslag. De garantstellingsverklaring sorteert dan ook vanaf het moment van de vergunningverlening aan MDrivers effect in die zin dat daarmee rechtstreekse aansprakelijkheid van de ondertekenaars voor de (toekomstige) schulden van MDrivers is ontstaan. Dat betekent dat de schuldeisers van MDrivers die door de aanwezigheid van de aan MDrivers verleende vergunning gerechtvaardigd hebben vertrouwd op de door de ondertekenaars van de garantstellingsverklaring in het leven geroepen veronderstelling dat MDrivers financieel draagkrachtig is, zich op die verklaring kunnen beroepen. Onder die omstandigheden verzetten de aard en de strekking van de garantstellingsverklaring, haar verbondenheid met de aan MDrivers verleende bedrijfsvergunning en de uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende eisen zich tegen een intrekking of herroeping daarvan zolang MDrivers zich blijft bedienen van de bedrijfsvergunning. In dit geval staat vast dat op het moment waarop Captrain en MDrivers de huurovereenkomst hebben gesloten en de vorderingen van Captrain op MDrivers zijn ontstaan (de eerste maanden van 2025), MDrivers beschikte over de bedrijfsvergunning. De hoofdelijke aansprakelijkheid van Intergroup c.s. voor die vorderingen van Captrain op grond van de garantstellingsverklaring, waaruit bovendien blijkt dat gedaagden de “financieel economische verplichtingen voor ten minste een jaar (2025) kunnen waarborgen”, is door de intrekkingsverklaring dus niet aangetast.
Vorderingen
Huurpenningen, rente en incassokosten
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat Sbcn en Intergroup c.s. op basis van de door hen ondertekende garantstellingsverklaring hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de uit de rechtshandelingen van MDrivers voortvloeiende schulden. Daaronder valt ook de uit de huurovereenkomst voortkomende en onbetaald gebleven schuld van MDrivers aan Captrain.
Intergroup c.s. heeft de verschuldigdheid door MDrivers van de bedragen zoals vermeld op de hiervoor onder 2.13 genoemde facturen, niet bestreden. De hiervoor onder 3.1 onder I) vermelde vordering ligt in zoverre voor toewijzing gereed. De rechtbank zal Sbcn en Intergroup c.s. daarom hoofdelijk veroordelen tot betaling aan Captrain van een bedrag van € 61.072,26.
De rechtbank zal ook de door MDrivers op basis van de huurovereenkomst verschuldigde en door Captrain gevorderde rente over de hoofdsom toewijzen. Die renteverplichting vormt immers op zichzelf een uit een rechtshandeling van MDrivers voortvloeiende schuld waarvoor gedaagden – op basis van de garantstellingsovereenkomst – hoofdelijk aansprakelijk zijn. Volgens de huurovereenkomst bedraagt de rente 8% boven de ‘Basiszinssatz’/‘base rate’ vanaf het moment van opeisbaarheid van de verschuldigde betaling. Omdat de huurovereenkomst wordt beheerst door het Duitse recht en bij gebreke van andersluidende stellingen van partijen op dit punt, begrijpt de rechtbank dat met ‘Basiszinssatz’ is bedoeld de in het Duitse recht in artikel 247 van het Bürgerliches Gesetzbuch genoemde Basiszinssatz (basisrentevoet) die halfjaarlijks door de Deutsche Bundesbank wordt vastgesteld en die per 1 januari 2025 2,27% procent bedroeg, per 1 juli 2025 1,27% en per 1 juli 2026 1,52%.4 Tegen de stelling van Captrain dat de rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na iedere factuurdatum (dus vanaf de respectieve vervaldata van de facturen), heeft Intergroup c.s. geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank daarbij zal aansluiten.
Captrain vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering vindt niet zijn grondslag in de huurovereenkomst. De vraag of gedaagden buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd, moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en (artikel 2 van) het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Captrain heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat eerst jegens MDrivers en daarna jegens gedaagden buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Captrain heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal de rechtbank – gelet op de hoofdsom van € 61.072,26 – een bedrag van € 1.385,72 toewijzen; het meer gevorderde zal de rechtbank afwijzen.
Energieverbruik
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Intergroup c.s. verweer gevoerd tegen de – bij vermeerdering van eis door Captrain ingestelde – vordering zoals weergegeven onder 3.1 onder II). Het gaat om kosten die volgens Captrain verband houden met energieverbruik van de locomotief in de periode van 11 tot en met 14 januari 2025, die voor rekening komen van MDrivers. Ter onderbouwing van haar vordering heeft Captrain verschillende stukken overgelegd, waaronder een ‘Netznutzungsrechnung für das 16,7-Hz-Bahnstromnetz’ van 26 juni 2025 afkomstig van DB Energie GmbH en een ‘Rechnung für Strom – Januar 2025’ van 14 juli 2025 afkomstig van Sachsen Energie. Intergroup c.s. hebben erop gewezen dat uit die stukken niet het stroomverbruik door of ten behoeve van MDrivers in verband met de gehuurde locomotief, valt af te leiden. Captrain heeft daarop niet meer gereageerd, terwijl ook voor de rechtbank onduidelijk is hoe uit genoemde stukken het stroomverbruik van MDrivers en de daarmee verband houdende kosten volgen. Daarom zal de rechtbank deze vordering van Captrain als onvoldoende onderbouwd afwijzen.
Beslag- en proceskosten
Captrain vordert hoofdelijke veroordeling van Sbcn en Intergroup c.s. tot betaling van de door haar gemaakte beslagkosten in verband met de hiervoor onder 2.17 genoemde beslagen. Deze vordering is gelet op de toewijzing van de hoofdvordering en het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar jegens Intergroup c.s. Ten aanzien van Sbcn geldt dat niet, aangezien ten laste van die vennootschap geen beslag is gelegd. Voor zover de vordering tot betaling van de beslagkosten zich tot Sbcn richt, zal de rechtbank haar dus afwijzen.
Gelet op de onderlinge verbondenheid van Intergroup, Rail4ward en Schiegotthard, die ook in deze procedure gezamenlijk zijn opgetrokken, en op hun hoofdelijke veroordeling ten aanzien van de hoofdvordering, zal de rechtbank hen ook hoofdelijk veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Die door Captrain met stukken onderbouwde en verder niet weersproken kosten begroot de rechtbank op € 7.937,68 (€ 714,= griffierecht, € 1.214,= salaris advocaat en € 6.009,68 explootkosten).
Intergroup c.s. en Sbcn worden grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De rechtbank zal Intergroup c.s. en Sbcn hoofdelijk veroordelen tot betaling van de proceskosten van Captrain bestaande uit:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
162,32 |
|
|
- griffierecht |
€ |
2.281,00 |
(€ 2.995,00 min € 714,00) |
|
- salaris advocaat |
€ |
2.580,00 |
(2 punten Tarief IV) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
5.212,32 |
De rechtbank merkt daarbij op dat het griffierecht dat van Captrain is geheven voor het beslagrekest ten onrechte niet op het voor de hoofdzaak van Captrain geheven griffierecht in mindering is gebracht. Dat had wel gemoeten. De rechtbank zal de griffier opdragen daar alsnog zorg voor te dragen en het teveel aan Captrain in rekening gebrachte (€ 714,=) in de hoofdzaak, te crediteren.
De gevorderde wettelijke rente over de beslag- en proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
Omdat Captrain dat onweersproken heeft gevorderd, zal de rechtbank de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
5 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt Intergroup c.s. en Sbcn hoofdelijk om aan Captrain te betalen een bedrag van € 61.072,26, te vermeerderen met de in de huurovereenkomst tussen Captrain en MDrivers overeengekomen rente van 8% boven de ‘Basiszinssatz’ over het toegewezen bedrag (zie hiervoor onder 4.19), vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen (zie hiervoor onder 2.13), tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Intergroup c.s. en Sbcn hoofdelijk om aan Captrain te betalen een bedrag van € 1.385,72 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt Intergroup c.s. en Sbcn hoofdelijk in de proceskosten van € 5.212,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Intergroup c.s. en Sbcn niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Intergroup c.s. en Sbcn hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hiervoor onder 5.3 genoemde kosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
veroordeelt Intergroup c.s. hoofdelijk in de beslagkosten van in totaal € 7.937,68
veroordeelt Intergroup c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hiervoor onder 5.5 genoemde kosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026. |
||