RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Middelburg
zaak/rolnr.: 12100464 CV EXPL 26-831
vonnis d.d. 18 maart 2026
inzake
de vennootschap naar buitenlands recht
Bondora A.S.,
gevestigd te Tallinn, Estland,
eiseres,
gemachtigde: Deurwaarderskantoor Van Lith B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonadres] ,
gedaagde,
niet verschenen.
1 Het verloop van het geding
Het procesverloop blijkt uit de dagvaarding 19 januari 2026 met producties.
2 De beoordeling
Eiseres heeft op de bij dagvaarding omschreven gronden, die hier als herhaald en ingelast gelden, gevorderd gedaagde te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 7.743,32 te vermeerderen met de vaste contractuele rente van 10,56% per jaar over een bedrag van
€ 6.814,01 vanaf 19 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.
Gedaagde is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter zitting verschenen en heeft ook niet tijdig een schriftelijk antwoord ingediend of om uitstel verzocht, zodat tegen deze verstek is verleend.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De kantonrechter stelt voorop dat deze zaak een internationaal karakter draagt nu eiseres in Estland is gevestigd en gedaagde in Nederland woonachtig is en dat derhalve ambtshalve beoordeeld dient te worden of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Gedaagde heeft als consument via de website van eiseres een leningsovereenkomst afgesloten met eiseres, waarbij eiseres een kredietfaciliteit heeft verstrekt aan gedaagde.
De overeenkomst is te beschouwen als een consumentenovereenkomst nu eiseres bij deze overeenkomst is betrokken als professionele partij en gedaagde als consument.
Of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt dient te worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, hierna Brussel I-bis Verordening.
Ingevolge artikel 18 lid 2 jo. artikel 17 lid 1 sub b van voornoemde verordening is gelet op de woonplaats van gedaagde de Nederlandse rechter bevoegd om van onderhavig geschil kennis te nemen.
Voorts dient de vraag te worden beantwoord welk recht op de zaak van toepassing is. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de bepalingen uit de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I). De kantonrechter oordeelt als volgt. In artikel 16.1 van de toepasselijke algemene voorwaarden is een rechtskeuze opgenomen voor het recht van de Republiek Estland. Zoals onder r.o. 2.5 is overwogen, is in dit geval echter sprake van een consumentenovereenkomst. Op grond van artikel 6 lid 1 Rome I wordt een dergelijke overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, op voorwaarde dat de verkoper zijn commerciële of beroepsactiviteiten richt op dat land en de overeenkomst onder die activiteiten valt. Artikel 6 lid 2 Rome I bepaalt in navolging hierop dat partijen op grond van artikel 3 Rome I een rechtskeuze kunnen doen. Deze keuze mag er echter niet toe leiden dat de consument de bescherming verliest die hij geniet op grond van de bepalingen waarvan niet kan worden afgeweken volgens het Nederlandse recht dat toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze. De wettelijke bepalingen omtrent het consumentenkrediet in titel 2A van boek 7 BW zijn van (semi)dwingend recht, zodat deze bepalingen van Nederlands recht van toepassing zijn.
Inhoudelijke beoordeling
Eiseres stelt in totaal een bedrag van € 7.743,32 van gedaagde te vorderen hebben uit hoofde van een consumentenkredietovereenkomsten met het [nummer], gesloten op 3 augustus 2024.
Eiseres stelt dat voornoemde consumentenkredietovereenkomst op afstand (online) is gesloten. Dit betekent dat artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) van toepassing is. Op grond van dit artikel dient eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een kredietwaardigheidscheck uit te voeren. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 8 Richtlijn 2008/48 EG, en dient door de rechter ambtshalve te worden getoetst. De informatie met betrekking tot de financiële situatie van de kredietnemer moet dan ook met stukken worden onderbouwd.
Eiseres stelt dat zij voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomsten een kredietwaardigheidstoets heeft uitgevoerd. Eiseres heeft aangegeven op welke wijze zij
dit heeft gedaan, maar is niet in staat om de gepersonaliseerde kredietwaardigheidstoets over te leggen. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen of en wanneer eiseres de
kredietwaardigheidstoets volledig heeft uitgevoerd. De kantonrechter kan dan ook niet anders dan concluderen dat eiseres niet aan de verplichting als bedoeld in artikel 4:34 Wft heeft voldaan.
Nationale consument-beschermende bepalingen die voortvloeien uit (een omzetting van) Europese richtlijnen moeten worden gelijkgesteld aan regels die naar nationaal recht van openbare orde zijn. Dit betekent dat, nu eiseres artikel 7:60 BW en 4:34 Wft niet heeft nageleefd, niet is voldaan aan een regel van openbare orde. De kantonrechter zal daarom de kredietovereenkomsten op grond van artikel 3:40 lid 2 BW vernietigen. Gelet op het feit dat eiseres zich reeds bij dagvaarding heeft uitgelaten omtrent het ontbreken van stukken ter onderbouwing van de kredietwaardigheidstoets, ziet de kantonrechter geen aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit de laten over de vernietiging van de kredietovereenkomst.
Ingevolge artikel 3:53 jo. 6:203 BW moet de gedaagde partij bij vernietiging van de overeenkomst het geleende geld terugbetalen aan de eisende partij. Daarbij geldt dat gedaagde geen rente en kosten op grond van de (nietige) kredietovereenkomst verschuldigd is (geworden). Voor zover al bedragen zijn betaald aan rente en kosten, strekken deze in mindering op de terug te betalen kredietsom.
Uit de bij de dagvaarding overgelegde stukken valt niet op te maken hoe de vordering van eiseres is opgebouwd. De kantonrechter zal eiseres dan ook in de gelegenheid stellen om een overzicht in te dienen waaruit volgt welk deel van het openstaande saldo ziet op terugbetaling van de geleende kredietsom, welk deel ziet op de over de kredietsom berekende rente, en welk deel ziet op in rekening gebrachte kosten.
Verdere procedure:
De zaak zal worden verwezen naar de rol teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen het overzicht zoals genoemd in r.o. 2.12 over te leggen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3 De beslissing
verwijst de zaak naar de terechtzitting van woensdag 15 april 2026 te 09:00 uur teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen het onder 2.12 genoemde stuk over te leggen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen, en in het openbaar uitgesproken op
18 maart 2026.