ECLI:NL:RBZWB:2026:9421

Datum uitspraak
01-10-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
BRE 25/2827
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Na afloop van de loongerelateerde uitkering toekenning van een IVA-uitkering. Geen aanleiding om IVA toe te kennen vanaf datum einde wachttijd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/2827 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V. uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. Bovenberg),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het recht op uitkering na afloop van de loongerelateerde uitkering (lgu) en de vraag met ingang van welke datum de uitkering op grond van de Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA) moet worden toegekend.

1.1

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres voor een deel geen belang meer heeft bij een oordeel van de rechtbank. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat het UWV op goede gronden een IVA-uitkering heeft toegekend met ingang van 20 juni 2024. Eiseres krijgt voor wat betreft de ingangsdatum van de IVA-uitkering dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorgeschiedenis

2. Bij eiseres is werkzaam geweest de heer. [persoon] (ex-werknemer). Met ingang van 20 juli 2023 is aan hem een lgu op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia) toegekend. Ex-werknemer heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit van 14 juni 2024 is het bezwaar ongegrond verklaard. Ex-werknemer heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit.

2.1

Met het besluit van 20 maart 2024 heeft het UWV aan de ex-werknemer van eiseres meegedeeld dat zijn uitkering per 20 juni 2024 wordt omgezet naar een loonaanvullingsuitkering (lau). Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 8 april 2025 (bestreden besluit 1) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Procesverloop

3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1.

3.1

Het UWV heeft op 20 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Met dit besluit is alsnog per 20 juni 2024 een IVA-uitkering toegekend aan ex-werknemer. Eiseres heeft op 31 oktober 2025 meegedeeld het niet eens te zijn met de ingangsdatum van de IVA-uitkering. Het beroep van eiseres heeft van rechtswege betrekking op dit besluit.1

3.2

De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan

heeft namens eiseres deelgenomen mr. F. Bovenberg. Het UWV is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

3.3

De rechtbank heeft bij beslissing van 10 maart 2026 het onderzoek heropend om nadere vragen aan het UWV te stellen. Het UWV heeft op 30 maart 2026 (met als bijlage een rapport van de verzekeringsarts b&b van 26 maart 2026) en 21 mei 2026 de vragen van de rechtbank beantwoord. Eiseres heeft op 8 juni 2026 gereageerd op deze reacties.

3.4

Partijen hebben op 24 september 2026 telefonisch aangegeven dat geen behoefte bestaat aan een nadere zitting. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 29 september 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Bestreden besluit 1

4. Met het bestreden besluit 2 is het bestreden besluit 1 komen te vervallen. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij een oordeel over dit besluit. Het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Bestreden besluit 2

5. Aan bestreden besluit 2 heeft het UWV ten grondslag gelegd dat ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid is.

Standpunt eiseres

6. Eiseres kan zich vinden in het standpunt van het UWV dat ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Zij is echter van mening dat ook onderzocht moet worden of de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen ook al 52 weken voor 20 juni 2024 vastgesteld kan worden. Zij heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 64, elfde en twaalfde 1id van de WIA.Standpunt UWV

7. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat de beoordeling per 20 juli 2023 vast staat en dat er daarom geen reden bestaat om de IVA-uitkering eerder dan 20 juli 2024 in te laten gaan.

7.1

Na een vraagstelling van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b opnieuw gerapporteerd op 26 maart 2026. De verzekeringsarts b&b heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de huidige inzichten, ex-werknemer ook al per einde wachttijd volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid was. Het UWV heeft echter in zijn brief van 21 mei 2026 gesteld dat geen aanleiding bestaat om per een eerdere datum dan 20 juni 2024 een IVA-uitkering toe te kennen. Het oordeel van de verzekeringsarts b&b is gebaseerd op de huidige inzichten. Bij de beoordeling per einde wachttijd is op grond van de destijds bekende informatie gemotiveerd dat er nog geen sprake was van duurzaamheid van de beperkingen. Dit is bevestigd in de beslissing op bezwaar van 14 januari 2024 waartegen door partijen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Dit besluit is daarmee in rechte komen vast te staan.

Reactie eiseres

8. In reactie op het standpunt van het UWV heeft eiseres aangevoerd dat door het UWV onvoldoende rekening is gehouden met de aard van de aandoening. Het gaat om een zeer jonge aandoening (post-covid) waarover in de loop van de tijd pas meer duidelijk is geworden over de (on)mogelijkheid van behandeling. Deze nieuwe feiten en omstandigheden maken dat het UWV tot een herzien standpunt is gekomen. Dit zou een opening bieden om een herzieningsverzoek in te dienen tegen de eerdere toekenningsbeslissing. Daarmee bestaat er eveneens ruimte om in dit beroep tot 20 juli 2023 een IVA-uitkering toe te kennen. Om een lange discussie te vermijden heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij zich ook kan vinden in een toekenning van de IVA per 21 juli 2023.Wettelijk kader

9. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Overwegingen rechtbank

Wat is de datum in geding?

10. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld wat de datum in geding is. Met het besluit van 20 maart 2024 heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid beoordeeld per 20 juni 2024. Dit is de datum waarop de lgu afliep en beoordeeld moest worden op welke uitkering ex-werknemer recht had na afloop van die lgu. Dit is daarom de datum in geding.2 Het bezwaar van eiseres was er ook op gericht om een volledige medische en arbeidskundige beoordeling te krijgen over de mate van arbeidsongeschiktheid per deze datum. Een aanvraag om een IVA-uitkering per een eerdere datum lag destijds verder ook niet voor.

10.1

In beginsel is de beoordeling van de rechtbank dan ook beperkt tot deze datum. Het UWV heeft echter in zijn reactie van 21 mei 2026 de datum in geding niet tegengeworpen en heeft een inhoudelijke reactie gegeven op de stelling van eiseres dat de ingangsdatum eerder moet liggen. Gelet hierop, en uit proceseconomische overwegingen, ziet de rechtbank aanleiding om in deze zaak ook te beoordelen of van een eerdere datum uitgegaan moet worden. De standpunten van partijen zijn immers duidelijk en als de rechtbank in deze zaak geen oordeel zou geven over een eerdere ingangsdatum, is het voorstelbaar dat eiseres bij het UWV zal verzoeken om per een eerdere datum een IVA-uitkering toe te kennen. Niet uitgesloten is dat er dan in het kader van dat verzoek alsnog een (inhoudelijke) procedure gevolgd zou moeten worden.

Had het UWV van een eerdere ingangsdatum moeten uitgaan?

11. Uit artikel 64, eerste lid, van de WIA gelezen in combinatie met artikel 47 van de WIA, volgt dat het recht op een IVA-uitkering op aanvraag wordt vastgesteld. Eiseres heeft een beroep gedaan op de terugwerkende kracht van artikel 64, elfde lid en twaalfde lid van de WIA. Anders dan eiseres lijkt te stellen, gaat deze terugwerkende kracht niet lopen vanaf de datum in geding, maar vanaf de datum van aanvraag, of als er geen aanvraag is gedaan, vanaf de datum waarop het UWV heeft vastgesteld dat er sprake is van het recht op IVA.3

11.1

De rechtbank stelt vast dat eiseres voor het eerst in de aanvullende gronden van beroep op 23 juli 2025 het verzoek heeft gedaan om te beoordelen of er per einde wachttijd al sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Voor zover dit verzoek gelijkgesteld kan worden met de dag van de aanvraag zoals bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de WIA betekent dit, als al eerder volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid aangenomen kan worden, de terugwerkende kracht beperkt is tot 52 weken voorafgaand aan 23 juli 2025, dus tot 23 juli 2024.

11.2

Omdat het UWV met bestreden besluit 2 al een IVA-uitkering heeft toegekend per een eerdere datum, namelijk 20 juni 2024, kan toepassing van artikel 64, elfde lid van de WIA niet leiden tot een eerdere toekenning van de IVA-uitkering.

11.3

Ook als uitgegaan zou worden van het moment waarop het UWV heeft vastgesteld dat er sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid kan niet worden toegekomen aan een toekenning per een eerdere datum dan 20 juni 2024. De verzekeringsarts b&b heeft immers pas op 26 maart 2026 vastgesteld dat, gelet op de huidige inzichten er ook al per einde wachttijd sprake was van duurzaamheid van de beperkingen. Toepassing van artikel 64, twaalfde lid, van de WIA, zou dan leiden tot een toekenning per 26 maart 2025. Ook dit ligt na de datum waarop het UWV al een IVA-uitkering heeft toegekend.

11.4

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het UWV terecht heeft besloten om niet per een eerdere datum dan 20 juni 2024 een IVA-uitkering toe te kennen. Het beroep van eiseres kan daarom niet slagen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk en het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Dit betekent dat er aan de inhoud van het bestreden besluit 2 niets verandert.

12.1

Omdat het UWV het bestreden besluit 2 pas heeft genomen nadat eiseres beroep had ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten die eiseres met het instellen van het beroep heeft gemaakt en te bepalen dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De proceskosten stelt de rechtbank vast op 2.335,-- ( 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een reactie op bestreden besluit 2 met een waarde per punt van 934,-- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiser moet vergoeden;

  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.335,-- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 1 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

WIA

Artikel 47

1. Recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien:

a. hij de wachttijd heeft doorlopen;

b. hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; en

c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

2. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat niet eerder dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel b, van toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet.

Artikel 64, elfde lid

Het recht op een uitkering op grond van deze wet kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het UWV kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

Artikel 64, twaalfde lid

Het elfde lid is van overeenkomstige toepassing indien het recht op uitkering op grond van deze wet later ontstaat dan wel herleeft of indien de uitkering op grond van deze wet wordt verhoogd.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »