ECLI:NL:RBZWB:2026:9398

Datum uitspraak
29-09-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
26/1633
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wav boete

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1633

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Idrissi),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van de minister waarin haar bezwaar tegen het (primaire) besluit van 7 augustus 2024 om een bestuurlijke boete van € 24.000,00 op te leggen vanwege zes overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), ongegrond is verklaard. Eiseres is het niet eens met de bestuurlijke boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de bestuurlijke boete blijft in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 19 januari 2026 (het bestreden besluit) inzake een door de minister opgelegde boete vanwege zes overtredingen van de Wav en de openbaarmaking van inspectiegegevens.

2.1.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en diens kantoorgenoot mr. M. Khallouk en namens de minister mr. Y.D.R. Mandel.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten

3. Eiseres heeft een bedrijf in import van voedings- en levensmiddelen en opslag. De onderneming, bestaande uit een kantoor en een bedrijfsloods.

3.1.

Inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie hebben samen met ambtenaren van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel, Belastingdienst, gemeente Oosterhout, de politie en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit de onderneming van eiseres gecontroleerd op de naleving van de Wav. De inspecteurs hebben eiseres meerdere malen bezocht. Op 12 juli 2023 zijn twee harddisks door de Politie-eenheid Zeeland-Brabant ter beschikking gesteld aan de inspecteurs. Op deze harddisks zijn camerabeelden opgeslagen van de onderneming van eiseres. De inspecteurs hebben deze camerabeelden uitgelezen en zagen op de beelden dat op 17 maart 2023 een vrachtwagen werd gelost en dat de goederen werden opgeslagen in de bedrijfsloods van eiseres. Zij zagen ook op deze beelden dat acht arbeidskrachten werkzaamheden verrichtten. Een van de arbeidskrachten betrof de heer [persoon 1] . De overige zeven arbeidskrachten verrichtten werkzaamheden door het lossen van de goederen, onder andere dozen thee, van de vrachtwagen en deze over te brengen in de bedrijfsloods. Van één van de zeven arbeidskrachten is de identiteit later vastgesteld. Van de overige zes arbeidskrachten op de camerabeelden konden de inspecteurs de identiteit niet vaststellen. De inspecteurs hebben op 19 oktober 2023 eiseres bij brief gevraagd om binnen 48 uur de identiteit vast te stellen van de arbeidskrachten. Op het moment dat de geboden termijn van 48 uur verstreek, constateerden de inspecteurs dat eiseres niet aan de vordering had voldaan. De inspecteurs hebben naar aanleiding daarvan op 12 april 2024 een boeterapport Wet arbeid vreemdelingen (boeterapport) opgesteld.

3.2.

Bij besluit van 7 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 24.000,00 omdat eiseres artikel 15a van de Wav heeft overtreden. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiseres zes keer artikel 15a van de Wav heeft overtreden met een boetenormbedrag van € 8.000,00 per keer.1 De minister neemt voor de overtredingen normale verwijtbaarheid aan (50% van het boetebedrag. Ook is besloten om de inspectiegegevens openbaar te maken.

3.3.

Eiseres heeft op 12 september 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

3.4.

Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De minister heeft de bestuurlijke boete van € 24.000,00 in stand gelaten. In het bestreden besluit neemt de minister voor de overtredingen grove schuld aan.

3.5.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 15a van de Wav is een werkgever verplicht om binnen 48 uren na een daartoe strekkende vordering van de toezichthouder de identiteit vast te stellen van een persoon van wie op grond van feiten en omstandigheden het vermoeden bestaat dat hij arbeid voor hem verricht of heeft verricht, aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en de toezichthouder te informeren door een afschrift van dit document te verstrekken.

4.1.

De voor het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Omvang van het geding

5. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden een boete van € 24.000,00 aan eiseres heeft opgelegd. Omdat de boete is aan te merken als een bestraffende sanctie, zal de rechtbank het besluit vol toetsen.

5.1.

De minister heeft ook besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens. Omdat eiseres daartegen geen gronden heeft aangevoerd, laat de rechtbank dit onderdeel onbesproken.

Beroepsgronden

6. Eiseres stelt zich primair op het standpunt er geen sprake is van “arbeid laten verrichten” in de zin van de Wav, nu de werkzaamheden die op de camerabeelden zijn waargenomen niet ten dienste van eiseres zijn verricht, maar juist ten nadele van haar. Eiseres heeft geen opdracht gegeven voor de werkzaamheden. Eiseres heeft aangifte gedaan en daaruit blijkt dat de activiteiten die op de camerabeelden zijn vastgelegd onderdeel uitmaakten van een diefstal waarbij goederen uit de bedrijfsloods zijn ontvreemd. Het was voor de bestuurder van eiseres feitelijk onmogelijk om de situatie te verhinderen vanwege een verblijf in Marokko waar hij ernstig ziek was (de rechtbank begrijpt dat gedoeld wordt op de gevolmachtigde; zijn partner stond ingeschreven als bestuurder). Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de bestuurlijke boete niet in stand kan blijven wegens het volledig ontbreken van verwijtbaarheid. Meer subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

Was de minister bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen?

7. De rechtbank moet beoordelen of de minister terecht stelt dat sprake is van overtredingen van artikel 15a van de Wav. In dat kader stelt de rechtbank vast dat eiseres, na de vordering van de inspecteurs daartoe op 19 oktober 2023, niet binnen 48 uur een afschrift van de identiteitsdocumenten van de zes arbeidskrachten heeft verstrekt.

7.1.

Mede gelet op hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank verder vast dat eiseres niet (langer) betwist dat de zes personen van wie de identiteit niet kon worden vastgesteld, op 17 maart 2023 feitelijk arbeid hebben verricht in de bedrijfsloods van eiseres. Deze werkzaamheden bestonden uit het lossen van een vrachtwagen en het opslaan van goederen, waaronder dozen thee. Het gaat daarmee om werkzaamheden die behoren tot de normale bedrijfsvoering van eiseres.

7.2.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij ten aanzien van deze zes arbeidskrachten geen werkgever is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt het werkgeversbegrip in de Wav ruim uitgelegd.2 Het bestaan van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. De ruime uitleg van het werkgeversbegrip in de Wav brengt mee dat instemming met of wetenschap van de arbeid voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet vereist is en dat alleen het mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan als het laten verrichten van arbeid wordt opgevat.3

7.3.

Gelet op de aard van de werkzaamheden, de feitelijke bemoeienis met de uitvoering daarvan en het directe toezicht op de werkzaamheden, is de rechtbank van oordeel dat eiseres als werkgever in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wav moet worden aangemerkt. Dat haar gevolmachtigde, de heer [persoon 2] , in Marokko verbleef en niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de zes arbeidskrachten, maakt dit niet anders. De werkzaamheden vonden plaats binnen de normale bedrijfsvoering van eiseres en werden verricht onder leiding van [persoon 1] , aan wie [persoon 2] de dagelijkse leiding had overgedragen. De minister heeft daarom terecht vastgesteld dat eiseres artikel 15a van de Wav zesmaal heeft overtreden en was bevoegd daarvoor een bestuurlijke boete op te leggen.

7.4.

De beroepsgrond slaagt niet.

De hoogte van de boete

8. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 15a van de Wav om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten.4 Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

8.1.

De rechtbank toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de minister met betrekking tot de boete voldoet aan de eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

8.2.

In de Beleidsregels 2020 heeft de minister de boetebedragen voor de overtredingen vastgesteld. Het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 15a van de Wav is € 8.000,-.

8.3.

Volgens de Afdeling mag in beginsel bij overtreding van de Wav worden uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Dat de Wav als zodanig bekend wordt verondersteld en dat deze is overtreden, brengt nog niet met zich dat de werkgever in kwestie de overtreding opzettelijk heeft begaan of daaraan grove schuld heeft. Afwijking naar beneden van genoemde 50% van het boetenormbedrag is aangewezen als sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de werkgever. Op de werkgever rust de verplichting de daarvoor noodzakelijke feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. Onder verminderde verwijtbaarheid wordt verstaan situaties waarin het de werkgever niet volledig valt aan te rekenen dat hij de Wav heeft overtreden. Afwijking naar boven van het percentage van 50% is gerechtvaardigd bij opzet of grove schuld bij de werkgever. Het is dan aan het bestuursorgaan om aan te tonen dat de werkgever met opzet of grove schuld heeft gehandeld. Grove schuld is aan de orde wanneer de mate van verwijtbaarheid hoger ligt dan de normale verwijtbaarheid, maar er geen sprake is van opzet. Hierbij gaat het om ernstige nalatigheid, ernstige onzorgvuldigheid of ernstige onachtzaamheid met als gevolg dat de Wav niet of niet behoorlijk is nageleefd. Van grove schuld kan ook sprake zijn wanneer er omstandigheden zijn die elk op zich normale verwijtbaarheid opleveren, maar in onderlinge samenhang bezien wel leiden tot grove schuld.

8.4.

Eiseres stelt dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de overtredingen, omdat haar gevolmachtigde niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de zes arbeidskrachten. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Op eiseres rust als werkgever de verantwoordelijkheid om haar wettelijke plichten na te leven. Door de dagelijkse leiding van haar onderneming aan [persoon 1] over te laten, is zij niet van deze verantwoordelijkheid ontslagen. Het lag op haar weg om voldoende toezicht te houden op de naleving van deze verplichtingen. Dat haar gevolmachtigde niet wist dat de zes arbeidskrachten werkzaamheden verrichtten, betekent daarom niet dat iedere verwijtbaarheid bij eiseres ontbrak. Weliswaar heeft de gevolmachtigde aangifte heeft gedaan tegen [persoon 1] , maar deze aangifte ziet op een andere periode en op andere feiten. De aangifte biedt daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres van de overtredingen geen verwijt kan worden gemaakt.

8.5.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat de overtreding aan eiseres kan worden verweten. Eiseres heeft de dagelijkse leiding van haar onderneming aan [persoon 1] overgelaten, zonder voldoende toezicht te houden op de naleving van haar wettelijke verplichtingen. Niet is gebleken dat eiseres maatregelen heeft getroffen om te waarborgen dat de identiteit van de arbeidskrachten binnen de gestelde termijn kon worden vastgesteld. Het gaat bovendien om zes arbeidskrachten die werkzaamheden hebben verricht binnen de normale bedrijfsvoering van eiseres. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiseres nalatig is geweest. Aangezien de minister de opgelegde boete heeft gebaseerd op normale verwijtbaarheid en de hoogte daarvan in het bestreden besluit niet heeft aangepast gelet op het verbod van reformatio in peius, kan in het midden blijven of de gedragingen in dit geval als grove schuld moeten worden aangemerkt. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om de boete te matigen wegens verminderde verwijtbaarheid.

8.6.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestuurlijke boete in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 29 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:41

Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

Artikel 5:46, tweede lid:

2. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, daarbij zo nodig rekening houdend met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Wet arbeid vreemdelingen

Artikel 1:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

b. werkgever:

1° degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten

(...)

Artikel 15a:

De werkgever is verplicht om binnen 48 uren na een daartoe strekkende vordering van de toezichthouder de identiteit vast te stellen van een persoon van wie op grond van feiten en omstandigheden het vermoeden bestaat dat hij arbeid voor hem verricht of heeft verricht, aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de Identificatieplicht en de toezichthouder te informeren door een afschrift van dit document te verstrekken.

Artikel 18:

Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, 15, 15a en het bepaalde bij of krachtens artikel 2a.

Artikel 19g, eerste lid:

1. De toezichthouder maakt het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van de Wav als bedoeld in artikel 18 van genoemde wet, openbaar teneinde de naleving van deze wet te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van toezicht op grond van deze wet.

Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020

Bijlage 1:

Op grond van bijlage 1, de Tarieflijst boetenormbedragen behorende bij de Beleidsregel, bedraagt de bestuurlijke boete Wav voor een rechtspersoon of daarmee gelijkgestelden € 8.000,- per overtreding van artikel 15a van de Wav.

Wet op de identificatieplicht

Artikel 1, eerste lid:

1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen ken worden vastgesteld, worden aangewezen:

1°. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of een Nederlandse identiteitskaart en vervangende Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet;

2°. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie;

3° een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit;

(…)

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »