RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2349
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
de korpschef van Politie, de korpschef.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de korpschef van 27 november 2025.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken.1 Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.2 Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden/gepubliceerd.
Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.3
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.4
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat de korpschef het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 8 december 2025 door verzending per e-mail, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 19 januari 2026.
Eiser heeft op 7 april 2026 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend en eiser erkent dat ook in zijn beroepschrift.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Eiser heeft voor de termijnoverschrijding de volgende reden gegeven. Hij is langdurig ziek geweest vanwege een erkend dienstongeval. Hierdoor heeft hij sinds 2025 een intensief medisch traject doorlopen dat ook een noodzakelijke operatie op 4 februari 2026 inhield. Dit gehele traject heeft gezorgd voor ernstige fysieke en psychische belasting.
Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim. De operatie van 4 februari 2026 zag op de hand van eiser en heeft na afloop van de beroepstermijn plaatsgevonden. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat hij gedurende de beroepstermijn niet in staat zou zijn geweest een pro-forma beroepschrift – een beroepschrift op nader aan te voeren gronden – in te dienen of daarvoor rechtskundige bijstand te zoeken. Hierbij merkt de rechtbank op dat in de reactie van de korpschef op de termijnoverschrijding is opgenomen dat eiser bij andere procedures wel gebruik heeft gemaakt van rechtskundige bijstand.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 10 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www. rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.