RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/3523 en 25/5549
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaken tussen
VOF [eiseres], uit [plaats], eiseres 1, vergunninghoudster,
(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),
en
[eiser 1] en [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4] B.V. uit [plaats], eisers 2
(gemachtigde: mr. M.B. de Jong),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam
(gemachtigde: S. van Harssel).
Eiseres 1 en eisers 2 zijn over en weer belanghebbend in de beroepszaken die door de ander zijn ingediend.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een bed and breakfast voorziening met zes kamers bij het hippisch centrum aan de [adres 1] te [plaats] van VOF [eiseres] (vergunninghoudster). [eiser 1] en [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4] B.V. (de buren) zijn het niet eens met het verlenen van deze vergunning. Vergunninghoudster is het niet eens met het in bezwaar gedeeltelijk weigeren van de vergunning en het toevoegen van extra voorschriften. Zij voeren elk daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de vergunning op goede gronden is verleend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van vergunninghoudster gegrond is en van de buren ongegrond. Vergunninghoudster krijgt dus gelijk en de buren niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghoudster heeft sinds 2021 het perceel [perceel 1] te [plaats] in eigendom. Zij zet daar een paardenhouderij voort en is voornemens om een, zoals de aanvraag vermeldt, modern professioneel hippisch complex te gaan exploiteren. Als nevenactiviteit bij de paardenhouderij wenst zij daartoe ook een bed and breakfast te realiseren (zes verblijven met eigen badkamer, zonder eigen kookgelegenheid). Daarvoor is het noodzakelijk om een nieuw gebouw te realiseren met een totale oppervlakte van circa 325 m². Daarnaast wil zij een deel van de ruimte in een bestaand gebouw inrichten en gebruiken als ontbijtruimte.
Op 16 september 2024 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een nieuw te bouwen logiesgebouw aan de [perceel 1] te [plaats] en het realiseren van de ontbijtruimte.
De buren exploiteren een glastuinbouwbedrijf op het naastgelegen perceel [perceel 2] in [plaats]. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is afgewezen.1
Het college laat in de beslissing op bezwaar van 26 juni 2025 de vergunning in stand, maar weigert – in de motivering van het besluit - de vergroting van het bouwvlak en voegt een voorschrift toe over de landschappelijke inpassing.
Beide eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college, de buurman en de gemachtigde van de buurman.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is aangevraagd en wat heeft het college vergund?
3. De rechtbank stelt eerst vast wat het college met het bestreden besluit heeft vergund. De rechtbank ziet dat in het dossier meerdere plannen en/of activiteiten worden benoemd. In de ruimtelijke onderbouwing wordt, naast de B&B-voorziening, ook melding gemaakt van plannen om paddocks te realiseren en een plan om de bedrijfswoning te herbouwen.
Tussen partijen is er voorts een verschil van inzicht over wat er precies wel en niet is vergund.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de omgevingsvergunning het realiseren van een bed and breakfast-voorziening op het adres [adres 1] te [plaats] vergunt. De bouw daarvan is expliciet in het aanvraagformulier vermeld en ook expliciet benoemd in de omgevingsvergunning. Er is vergunning verleend voor de volgende activiteiten:
technische bouwactiviteit (artikel 5.1 tweede lid, onder a, van de Omgevingswet);
omgevingsplanactiviteit (artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet) en
het buitenplans afwijken van regels van het omgevingsplan.
Partijen verschillen van mening over wat er is aangevraagd en wat er is verleend. Op het aanvraagformulier is gevraagd om het bouwen van een B&B-voorziening en het vergroten van het bouwvlak. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat ten behoeve van de B&B-voorziening een ontbijtruimte wordt gerealiseerd in een bestaand gebouw.
De ruimtelijke onderbouwing vermeldt verder nog dat vergunninghoudster tevens het voornemen heeft om paddocks te realiseren en de bestaande woning op dezelfde plaats te herbouwen.
In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat het per abuis het gebruik van een bestaand gebouw ten behoeve van de ontbijtfaciliteit voor de B&B niet heeft opgenomen in de omgevingsvergunning. Dit betreft het gebruik van een gedeelte van een bestaand gebouw in strijd met het omgevingsplan met een oppervlakte van 75 m². Alle partijen gaan er vanuit dat dit ook vergund is. In de beslissing op bezwaar zijn hieraan ook expliciet overwegingen gewijd. Voor zover dit niet was vergund in de oorspronkelijke vergunning heeft het college dat in de beslissing op bezwaar hersteld. De rechtbank gaat er met partijen vanuit dat ook dit tot de aanvraag hoorde en dat beoogd is daarvoor toestemming te geven.
De rechtbank gaat uit van de aanvraag. Daarin zijn de vergroting van het bouwvlak en een B&B-voorziening aangevraagd. Over de paddocks of herbouw van de woning is niets in het aanvraagformulier opgenomen. De ontbijtruimte kan, zoals partijen dat doen, gezien worden als onderdeel van de B&B-voorziening. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college ook de andere plannen, die zijn vermeld in de ruimtelijke onderbouwing bij deze aanvraag, zoals het realiseren van paddocks en de (sloop en) herbouw van de woning bij de beoordeling van deze aanvraag had moeten betrekken. Zij zijn slechts vermeld als voornemen, maken daarom geen onderdeel uit van de aanvraag en zijn dus ook niet – impliciet – vergund, zoals gemachtigde van de vergunninghoudster ter zitting betoogde.
In de vergunning is niets vermeld over de vergroting van het bouwvlak. Vergunninghoudster leidt hieruit af dat die vergroting impliciet is verleend. In de beslissing op het bezwaar van de buren is echter in de motivering vermeld dat het vergroten van het bouwvlak geen deel uitmaakt van de vergunning. Het college heeft echter niet expliciet het primaire besluit gewijzigd of aangevuld. De rechtbank vat dit wel op als een gedeeltelijke weigering van de aanvraag. Deze is echter niet gericht aan vergunninghoudster. Gelet op het feit dat het vergroten van het bouwvlak geheel niet in de vergunning is genoemd, ook niet in de overwegingen, komt de rechtbank tot de conclusie dat het college op dit deel van de aanvraag nog niet had beslist.
De rechtbank gaat gelet op het voorgaande ervan uit dat vergunning is verleend voor het bouwen van een logiesgebouw van 325 m² (technische bouwactiviteit) en het gebruik van dat logiesgebouw en voorts het gebruik van een deel van een bestaand gebouw als ontbijtfaciliteit in strijd met het omgevingsplan (omgevingsplanactiviteit).
Ontvankelijkheid
4. De buren betogen dat de vergunninghoudster niet ontvankelijk is in haar beroep tegen het besluit om het bouwvlak niet te vergroten. Het college had immers ook in het primaire besluit niet besloten om het bouwvlak te vergroten en daartegen had vergunninghoudster geen bezwaar gemaakt.
Niet in geschil is dat vergunninghoudster belanghebbende is bij de aan haar verleende vergunning. De buren stellen dat vergunninghoudster geen beroep in mag stellen, omdat ze niet eerst bezwaar heeft gemaakt. Er is geen rechtsregel die verbiedt dat belanghebbenden voor het eerst beroep instellen tegen een beslissing op bezwaar die gericht is aan een andere belanghebbende. Vergunninghoudster was partij bij de bezwaarprocedure en pas in de beslissing op bezwaar heeft het college de vergunning voor het vergroten van het bouwvlak (impliciet) geweigerd. Ook lijken er nieuwe eisen over de landschappelijke inpassing te zijn opgenomen. Dat maakt dat vergunninghoudster wel degelijk belanghebbend is bij het bestreden besluit en beroep in kon stellen.
Een andere vraag is of dit besluit gericht is op rechtsgevolg. Het is immers niet gericht aan vergunninghoudster en het college stelt zelf dat er alleen een aanpassing van de motivering heeft plaatsgevonden. Inhoudelijk lijkt het college wel degelijk bedoeld te hebben met de beslissing op bezwaar het besluit inhoudelijk te wijzigen. De rechtbank wijst op de nieuwe eisen tot landschappelijke inpassing, het expliciet maken dat de ontbijtruimte ook is vergund en de weigering van het vergroten van het bouwvlak. Gelet hierop gaat de rechtbank er vanuit dat het bestreden besluit wel degelijk rechtsgevolgen heeft, althans dat eisers daarvan uit mochten gaan.
Toetsingskader
5. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen (omgevingsplan), buitenplans afwijken van de regels van het omgevingsplan en bouwen (technisch).
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Omgevingsplan gemeente Alphen-Chaam
6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu gedeeltelijk uit een tijdelijk deel. De regels van het (voormalig) bestemmingsplan ‘Correctieve herziening Buitengebied Alphen-Chaam 2010’ maken onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan.
In het bestemmingsplan heeft het perceel [adres 1] deels de enkelbestemming ‘Agrarisch bedrijf’ en deels de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden 1’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarde – natuurontwikkeling’ en de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’.
Het bestaande gebouw waarin de ontbijtfaciliteit zal worden gerealiseerd, ligt binnen de bestemming ‘Agrarisch bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten ondergeschikte nevenactiviteiten toegestaan. Dat is bepaald in artikel 4.1 van het bestemmingsplan.
Op het perceelsgedeelte waar het logiesgebouw is gepland, rust de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden 1’. Op gronden met deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Dat regelt artikel 6.2.2 van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan bevat geen regels die het college de bevoegdheid geven om van die regel af te wijken. Dat betekent dat het college alleen een omgevingsvergunning kan verlenen voor het initiatief via de procedure voor ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ (de bopa). Daarover zijn partijen het eens.
De rechtbank zal beoordelen of het college procedureel correct heeft gehandeld en of de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen in overeenstemming met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Beroepsgronden van vergunninghoudster (25/3523)
Gebruik van AI
7. Het is de rechtbank opgevallen dat de gemachtigde van vergunninghoudster voor het opstellen van het beroepschrift gebruik heeft gemaakt van generatieve AI, zoals ChatGPT. Een sterke aanwijzing ziet de rechtbank daarvoor onder meer in de verwijzingen in het beroepschrift naar eerdere uitspraken van de Afdeling. De genoemde ECLI-nummers verwijzen naar uitspraken van de Afdeling die over andere onderwerpen gaan, of naar ECLI-nummers die niet bestaan. Op de zitting heeft de gemachtigde van vergunninghoudster verklaard dat hij het beroepschrift, inclusief de verwijzingen naar eerdere uitspraken, met behulp van AI heeft opgesteld. Het beroepschrift bevat ook enkele onnavolgbare beroepsgronden. De rechtbank zal in deze uitspraak niet op deze gronden ingaan maar de bespreking van het beroep beperken tot de gronden die ter zitting zijn toegelicht.
Mag het bestuursorgaan na de primaire besluitvorming alsnog weigeren?
8. Vergunninghoudster stelt dat het college na de initiële toekenning van het verzoek, niet zonder meer alsnog mag weigeren. Hij beroept zich op het verbod van reformatio in peius. Op tekening en in de anterieure overeenkomst is de vergroting van het bouwvlak expliciet vermeld. Het college had in de primaire fase de heroverweging in bezwaar aan moeten kondigen. Door dat niet te doen is er sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel2 en het fair play beginsel3. De Afdeling heeft dit ook herhaaldelijk geoordeeld.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het verbod van reformatio in peius houdt in dat iemand niet slechter mag worden van een door hemzelf ingediend bezwaar. De bezwaarprocedure zou zinloos worden als een vergunning naar aanleiding van een bezwaar van derden, zoals in dit geval de buren, niet ingetrokken of gewijzigd kan worden. De rechtbank ziet ook niet in waarom het bestuursorgaan in de primaire fase aan moet kondigen dat de vergunning in bezwaar alsnog wordt heroverwogen. Dat is de kern van de bezwaarprocedure en veronderstelt dat het bestuursorgaan al weet dat er bezwaar gaat komen.
Het enkele feit dat in de primaire fase niets is overwogen of besloten over de vergroting van het bouwvlak, maakt al dat vergunninghoudster niet in een slechtere positie terecht is gekomen en er dus geen sprake is van reformatio in peius.
Heeft het bestreden besluit de vergunning gewijzigd??
9. Vergunninghoudster stelt dat aan de buren weliswaar een nieuw besluit met onder andere een expliciete weigering van het bouwvlak is toegezonden, maar dat zij nooit een gewijzigde vergunning heeft ontvangen. De oorspronkelijke vergunning blijft dus geldig.
Het bestreden besluit is gericht aan de buren en niet aan vergunninghoudster. Hoewel in de motivering van het bestreden wordt gesteld dat het primaire besluit in stand blijft met aanvulling van de motivering, blijkt uit de tekst van het bestreden besluit en de toelichting ter zitting wel degelijk dat het college heeft beoogd het primaire besluit te wijzigen.
Deze beroepsgrond slaagt. Door in de beslissing op bezwaar die is gericht aan de buren nieuwe voorwaarden, overwegingen en een impliciete weigering van een deel van de aanvraag op te nemen, maar die niet te verwerken door de vergunning die aan vergunninghoudster is verleend aan te passen of te vervangen, ontstaat er onduidelijkheid over de juridische situatie. Dat maakt de beslissing op bezwaar incompleet. Dit is reden voor de rechtbank om het bestreden besluit te vernietigen.
In het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank hieronder alsnog op de inhoudelijke gronden van de buurman ingaan. Voor zover die leiden tot eveneens een gegrond beroep kan het college dat gelijk meenemen in de nieuwe beslissing op bezwaar, waarmee het bovenstaande gebrek wordt opgeheven. Daarmee wordt voorkomen dat het college de wijzigingen die in het bestreden besluit staan, overneemt als wijzigingen in de vergunning en dezelfde gronden in een beroep tegen de wijziging van die vergunning weer beoordeeld moeten worden.
Beroepsgronden van de buren (25/5549)
Is de agrarische functie nog de hoofdfunctie?
10. De buren geven aan dat gelet op de grote hoeveelheid nevenactiviteiten en het speciale bed and breakfast gebouw dat gebouwd wordt de agrarische functie niet meer herkenbaar is als nevenfunctie. Dit wordt versterkt doordat bij de paardenhouderij ook niet-agrarische activiteiten horen. Gelet hierop en de ruimtelijke uitstraling die dit met zich meebrengt is de agrarische functie niet meer als hoofdfunctie op dit perceel herkenbaar. Dit is in strijd met artikel 4.5.1, onder a van de planvoorschriften.
De vergunninghoudster heeft het perceel [adres 1] in gebruik als paardenhouderij. Ter zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat de hoofdfunctie van hun bedrijf is het professioneel opfokken en africhten van (sport)paarden. In de ruimtelijke onderbouwing die bij de aanvraag is overgelegd, is toegelicht dat voor de projectlocatie een milieutoestemming geldt waarbinnen 10 volwassen paarden mogen worden gehouden en 19 paarden in opfok. Als nevenactiviteit wordt er ook aan educatie gedaan, op het gebied van dierenwelzijn, gezondheid, hygiëne, voeding, verzorging, rijvaardigheid en veiligheid. Daarvoor is een loods op het terrein aanwezig (oppervlakte 200 m²), die tevens wordt gebruikt als vergaderlocatie en kantine voor het personeel. Ook zijn er weides, een paardenbak en een stapmolen.
De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat de vergunde bed and breakfast-voorziening kan worden aangemerkt als nevenactiviteit bij de hoofdfunctie van het bestaande agrarisch bedrijf van vergunninghoudster, aangezien deze in omvang en functioneel ondergeschikt is aan en aanvullend op de bestaande paardenhouderij. De bestaande paardenhouderij blijft hierbij de hoofdfunctie. Gelet op alle voorzieningen die, naast de bed and breakfast aanwezig zijn, zoals de stallen met uitloop, de overdekte rijhal, de buitenrijbanen, de longeercirkel, de stapmolen, het weiland en de mestopslag, kan niet geoordeeld worden dat de agrarische functie als hoofdfunctie niet meer als hoofdfunctie herkenbaar is.
Is de maximale oppervlakte voor nevenactiviteiten overschreden?
11. De buren stellen dat de maximale oppervlakte van 400 m² voor nevenactiviteiten is overschreden. De ontbijtruimte en educatieve ruimte zijn feitelijk één ruimte van 200 m². Het is onjuist om deze ruimte voor 75 m² toe te berekenen aan de ontbijtruimte voor de nevenactiviteit en voor 125 m² aan de educatieve functie bij een paardenhouderij. De ruimte zal immers als één geheel geëxploiteerd worden. Bovendien zijn het geven van cursussen en het aanbieden van vergaderfaciliteiten geen agrarisch gebruik en vallen die onder de nevenfunctie.
In de ruimtelijke onderbouwing is toegelicht dat de beoogde bed and breakfast-voorziening als nevenactiviteit bij paardenhouderij zal worden geëxploiteerd. De vergunninghoudster. heeft ter zitting toegelicht dat zij zich richt op paardenhouders. De kamers zijn ingericht voor twee personen. Zij kunnen met hun paard komen, dat ook kan worden gestald. De mogelijkheid bestaat voor deze paardenhouders om gebruik te maken van de trainingsfaciliteiten, maar ze kunnen ook zelfstandig met hun paard in de omgeving rijden. In het bestaande gebouw dat nu al wordt gebruikt als educatie- en vergaderruimte en kantine voor het personeel, wordt een ontbijtfaciliteit gerealiseerd met een oppervlakte van maximaal 75 m². Met een bouwoppervlakte van de bed and breakfast -verblijven van 325 m² en de gebruiksoppervlakte van de ontbijtfaciliteit, blijft de gezamenlijke oppervlakte binnen de op grond van artikel 4.5.1 van het bestemmingsplan maximaal toegestane 400 m².
Deze beroepsgrond slaagt niet. De ruimte van 200 m² was al in gebruik als bedrijfsruimte, in die zin dat personeel hier instructie krijgt en deze ruimte als kantine gebruikt. Dat deze ruimte nu ook gebruikt gaat worden voor activiteiten ten behoeve van de nevenfunctie, betekent niet dat de bedrijfsmatige functie van deze ruimte komt te vervallen en dat deze ruimte geheel aan het recreatief medegebruik toegerekend moet worden. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid kon instemmen met het toerekenen van 75 m² van de bestaande vergader- en educatieruimte en kantine voor het personeel aan de nevenfunctie voor bed and breakfast-faciliteiten. Dit is geen te kleine oppervlakte voor een ontbijtruimte voor maximaal zes kamers met maximaal 2 personen per kamer.
Toepassing van het binnenplans toetsingskader
12. De buren stellen dat het college ten onrechte heeft aangesloten bij de binnenplanse ontheffingsmogelijkheid voor het toestaan van nevenactiviteiten bij een Agrarisch bedrijf binnen het agrarisch bouwvlak. De vergunde ontwikkeling vindt echter deels buiten het agrarisch bouwvlak plaats, waardoor analoge toepassing van deze bepaling niet mogelijk is.
Vergunninghoudster betoogt met het college dat de omgevingsvergunning wel met toepassing van een bopa kan worden verleend.
Hoewel het initiatief van vergunninghoudster niet volledig met toepassing van de binnenplanse regels voor het afwijken van het bestemmingsplan kon worden vergund, heeft het college toch bij de voorwaarden voor toepassing van een van die binnenplanse regels aangesloten. In het bestreden besluit is overwogen dat wordt aangesloten bij de toetsing aan de binnenplanse ontheffingsmogelijkheid voor het toestaan van een nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf (artikel 4.5.1 van het bestemmingsplan). Dat het college in zijn belangenafweging in het kader van de bopa aansluit bij de (minder vergaande) binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van het bestemmingsplan, acht de voorzieningenrechter niet onredelijk.
Het college kan op grond van artikel 4.5.1 van het bestemmingsplan binnen de bestemming ‘agrarisch bedrijf’ medewerking verlenen aan verbrede landbouw en nevenactiviteiten. Een van de voorwaarden is dat de agrarische functie op het perceel als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar blijft en dat – in geval van recreatieve doeleinden – de gezamenlijke oppervlakte maximaal 400 m² bedraagt.
In de voorgaande rechtsoverwegingen is al geoordeeld dat de agrarische hoofdactiviteit op het perceel herkenbaar blijft en dat voldaan wordt aan de maximale oppervlakte van 400 m².
Het college heeft verder in het bestreden besluit overwogen dat de nevenactiviteit gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd, maar dat de ruimtelijke impact van de nevenactiviteit beperkt is. Het college heeft daarbij opgemerkt dat het bestaande bouwvlak nog geen 1,5 hectare groot is en dat de locatie van de bed and breakfast-voorziening grenst aan het bouwvlak. De rechtbank is gelet op deze aanvullende motivering waarom het college de ontwikkeling vindt passen in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ondanks dat dit niet volledig past in de binnenplanse ontheffingsmogelijkheid, van oordeel dat het college de vergunning op deze manier mocht verlenen.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte wijzigingen op basis van het bezwaarschrift niet heeft verwerkt in de vergunning, maar alleen bekend heeft gemaakt aan de buurman. Dat geeft rechtsonzekerheid. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen binnen acht weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De beroepsgronden van de buren treffen geen doel. Hun beroepschrift is daarom ongegrond.
14. Omdat de rechtbank het beroep van vergunninghoudster gegrond verklaart, moet het college aan haar het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt vergunninghoudster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, beide met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.
Omdat het beroepen van de buren ongegrond is, hoeft het college aan hen geen griffierecht te vergoeden en ook geen proceskosten te betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep van [eiser 1] en [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4] B.V. ongegrond;
- verklaart het beroep van VOF [eiseres] gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan VOF [eiseres] te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van VOF [eiseres] tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 9 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:81, eerste lid:
Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Omgevingswet
Artikel 5.1:
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
[.]
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit,
[.]
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.18:
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
-
Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren.
-
Artikel 2.32, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op die regels.
Artikel 5.21:
-
Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
-
De regels strekken er in ieder geval toe dat:
-
de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels,
-
de omgevingsvergunning ook kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
-
op de beslissing of de omgevingsvergunning in een geval als bedoeld onder b kan worden verleend als het gaat om een omgevingsplanactiviteit anders dan van provinciaal of nationaal belang geheel en als het gaat om een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing zijn:
1° de op grond van de artikelen 2.22 en 2.24 gestelde regels over omgevingsplannen,
2° de op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 gegeven instructies over omgevingsplannen.
3. De regels, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, onder 1°, strekken er ook toe dat als in een op grond van artikel 2.22 gestelde regel toepassing is gegeven aan artikel 2.32, eerste lid, een verzoek als bedoeld in laatstbedoeld lid ook kan worden gedaan door Onze Minister die het aangaat.
4. Van het tweede lid kan worden afgeweken voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een maatwerkregel.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.0a. (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen):
-
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
-
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 8.0b.
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing:
-
de regels van hoofdstuk 5;
-
op grond van artikel 2.22 van de wet gestelde regels over omgevingsplannen; en
-
op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 van de wet gegeven instructies over omgevingsplannen.
2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als:
-
de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie als bedoeld in het eerste lid;
-
de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan; of
-
de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk belemmert.
3. Het tweede lid, aanhef en onder c, is alleen van toepassing gedurende de termijn, bedoeld in artikel 4.19a, derde lid, van de wet.
4. Als in een op grond van artikel 2.22 van de wet gestelde regel over omgevingsplannen toepassing is gegeven aan artikel 2.32, eerste lid, van de wet, kan een verzoek om ontheffing van de gestelde regel als bedoeld in dat lid ook worden gedaan door Onze Minister die het aangaat.