ECLI:NL:RBZWB:2026:8746

Datum uitspraak
10-09-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
BRE 26/1940 ZW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Terugbetaling van de vordering in één keer, omdat eiser zich niet heeft gehouden aan de betalingsregeling. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het loonbeslag.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1940 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over terugbetaling van uitkering. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

1.1

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 februari 2026 op het bezwaar van eiser heeft het UWV dat bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het UWV mr. E. Lipman.

Op zitting is het onderzoek geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen na te gaan of kan worden ingestemd met een loonbeslag van € 325,- per maand. Op zitting hebben partijen toestemming verleend om een nadere zitting achterwege te laten.

2.3.

Met de brief van 7 augustus 2026 heeft het UWV aangegeven te kunnen instemmen met verlaging van het loonbeslag. Eiser heeft met de e-mails van 29 juli 2026 en 16 augustus 2026 gereageerd.

2.4.

Op 2 september 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Met het besluit van 27 maart 2020 heeft het UWV eisers Wajong-uitkering over 2018 vastgesteld en € 8.412,14 van eiser teruggevorderd.

3.1.

Met het besluit van 17 juni 2020 heeft het UWV eisers Wajong-uitkering over de periode van 1 januari 2019 tot ten met 31 mei 2020 vastgesteld en € 15.157,43 van eiser teruggevorderd.

Het bezwaar van eiser tegen dit besluit is op 12 oktober 2020 door UWV ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. De rechtbank heeft dat beroep op 11 februari 2022 ongegrond verklaard.1

Eiser heeft tegen de uitspaak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft dat hoger beroep op 30 maart 2023 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig betalen van griffierecht.2

3.2.

Met het besluit van 14 juli 2022 heeft eisers WW-uitkering over april 2022 herzien. Eiser moet € 773,31 terugbetalen.

3.3.

Met het primaire besluit van 12 november 2025 heeft het UWV aan eiser meegedeeld dat hij een bedrag van € 16.378,38 vóór 27 november 2025 in één keer moet betalen met de waarschuwing dat loonbeslag gelegd kan worden.

3.4.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bestreden besluit

3.5.

Met het bestreden besluit van 26 februari 2026 heeft het UWV dat bezwaar ongegrond verklaard.

3.5.1.

Het UWV stelt in dat besluit dat eiser over 2018 € 8.412,14 teveel uitkering heeft ontvangen. Dat is met het besluit van 27 maart 2020 meegedeeld. Hiervan resteert nog een vordering van € 231,64. Daarnaast heeft eiser een bedrag van € 15.157,43 aan Wajonguitkering teveel ontvangen. Dat is met het besluit van 17 juni 2020 meegedeeld. Op dit bedrag heeft eiser nog niets afgelost. Met aanmaningskosten is dit bedrag inmiddels € 15.173,43. Verder heeft eiser een bedrag van € 773,31 aan teveel WW-uitkering ontvangen. Dat is met het besluit van 14 juli 2022 meegedeeld.

3.5.2. 3.4.2

3.4.2 Het UWV stelt dat het met eiser verschillende betalingsregelingen getroffen heeft. Met de brieven van 7 mei 2025 en 3 september 2025 is eiser geïnformeerd dat hij zich niet aan de betalingsregeling heeft gehouden. De vordering is daarom volledig opeisbaar.

3.5.3.

Het UWV stelt verder dat er met de brief van 12 november 2025 geen nieuwe terugvordering is ontstaan. Het gaat om eerdere terugvorderingen die zijn opgeteld.

3.5.4.

Eisers verzoek om terug te komen op de terugvorderingsbesluiten wijst het UWV af, omdat hij geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen. Met het besluit op bezwaar van 12 oktober 2020 is vast komen te staan dat het juist is dat eiser € 15.157,43 terug moet betalen.

3.5.5.

Ook het verzoek om kwijtschelding wijst het UWV af. Eiser voldoet niet aan de voorwaarde dat hij zich houdt aan betalingsregelingen en de maximale aflossingscapaciteit benut.

Loonbeslag

4. Op 13 mei 2026 heeft het UWV aan eiser meegedeeld dat er beslag op zijn loon wordt gelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dat bezwaar op 4 juni 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 13 mei 2026 geen besluit is.

Voorlopige voorziening

5. Eiser heeft hangende het beroep aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen over het loonbeslag. De voorzieningenrechter heeft zich op 28 mei 2026 onbevoegd verklaard, omdat hij niet bevoegd is om te oordelen over het loonbeslag. Eiser kan zich daarvoor tot de civiele rechter wenden.3

Beroep

6. Eiser stelt dat het besluit van 12 november 2025 een nieuw besluit over de terugvordering is waartegen bezwaar kan worden gemaakt en dat dus de rechtmatigheid van de volledige vordering dient te worden beoordeeld. De kern van het geschil is nog niet beoordeeld terwijl executie (loonbeslag) al plaatsvindt.

6.1.

De vordering is volgens eiser onrechtmatig en gebaseerd op foutieve informatie. Hij heeft juist nog geld tegoed van het UWV. Bij de Ziektewetuitkering zijn er fouten gemaakt in de berekening van het aantal uren en het percentage. Het UWV heeft ook toegegeven fouten te hebben gemaakt. Daarnaast is het een administratieve fout van het UWV dat zowel een Wajong-uitkering als een Ziektewetuitkering is betaald. Dat mag niet voor rekening van eiser komen.

6.2.

Volgens eiser was het UWV akkoord met betaling van € 200,-. Door omstandigheden heeft hij dat bedrag twee of drie keer niet betaald. Het UWV blijft pushen dat hij meer kan aflossen. Door de hoogte van het aflossingsbedrag gaat eisers levenskwaliteit achteruit en bouwt hij andere schulden op. Hij betaalt € 200,- per maand maar toch handhaaft het UWV het loonbeslag. Eiser kan van wat overblijft na het loonbeslag niet rondkomen.

6.3.

Eiser eist volledige kwijtschelding van de terugvordering, betaling van gemiste financiële middelen en een immateriële vergoeding van € 50.000,- met oplegging van een dwangsom bij niet (tijdige) betaling. De terugvordering heeft lichamelijk en psychisch zoveel impact op eiser dat dat kan worden aangemerkt als geestelijke mishandeling.

6.4.

Tot slot stelt eiser dat in vergelijkbare gevallen het UWV de vordering heeft ingetrokken.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank stelt vast dat met de terugvorderingsbesluiten van 27 maart 2020, 17 juni 2020 en 14 juli 2022 drie vorderingen zijn ontstaan.

Tegen de besluiten van 27 maart 2020 en 14 juli 2022 heeft eiser geen bezwaar gemaakt, zodat die besluiten in rechte vaststaan.

Ook het besluit van 17 juni 2020 staat in rechte vast. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, beroep ingesteld en hoger beroep ingesteld. De CRvB heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk beoordeeld omdat eiser het griffierecht niet heeft betaald. Volgens eiser kon hij dat niet omdat het UWV door inhoudingen zijn uitkering had verlaagd. Dat laat onverlet dat de hoger beroepsprocedure met het doen van uitspraak is afgerond en dus het besluit van 17 juni 2020 vaststaat. Overigens had eiser bij de CRvB kunnen verzoeken om vrijstelling van het griffierecht. Dat heeft hij niet gedaan.

7.1.

Met het besluit van 12 november 2025 heeft het UWV mededeling gedaan van de hoogte van de nog openstaande vordering en de wijze waarop die vordering zal worden ingevorderd: betaling in één keer omdat eiser zich niet houdt aan de betalingsregeling.

Met dit besluit is dus geen nieuwe vordering ontstaan. Het betreft slechts een mededeling over de hoogte van het totaalrestant van eerder vastgestelde (terug)vorderingen. Er is dan ook in zoverre geen sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvan kan namelijk alleen sprake zijn als met dat besluit nieuwe rechten en/of plichten worden vastgesteld.

De rechtbank kan de vorderingen daarom niet inhoudelijk beoordelen. Overigens heeft de rechtbank het besluit van 17 juni 2020 en het besluit op bezwaar van 12 oktober 2020 – en daarmee de vordering van € 15.157,43 – al inhoudelijk beoordeeld en dat beroep op

11 februari 2022 ongegrond verklaard. De rechtbank kan niet tweemaal over hetzelfde geschil oordelen.

7.2.

Het besluit van 12 november 2025 is voor wat betreft de terugbetaling van de vordering (in één keer) wel een besluit. Daarover overweegt de rechtbank inhoudelijk als volgt.

Het UWV stelt dat met eiser een betalingsregeling van € 325,- per maand was afgesproken. Volgens eiser was een bedrag van € 200,- per maand overeengekomen. De rechtbank leidt uit het dossier af dat eiser vanaf september 2022 € 200,- per maand betaalde en dat het UWV daar lange tijd feitelijk genoegen mee heeft genomen. Weliswaar zijn betalingsherinneringen gestuurd voor € 325,-, maar er zijn geen verdere invorderingsmaatregelen genomen.

Wat er ook zij van de hoogte van de afgesproken betalingsregeling, vast staat dat eiser zich ook niet heeft gehouden aan een aflossing van € 200,- per maand. Zo heeft hij in augustus en september 2025 niets betaald. Hij heeft daarvoor naar het oordeel van de rechtbank geen goede verklaring kunnen geven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het UWV de volledige vordering in één keer heeft kunnen opeisen wegens het niet nakomen van de betalingsregeling.

7.3.

De rechtbank is verder van oordeel dat het UWV afdoende heeft gemotiveerd dat kwijtschelding van deze vordering niet aan de orde is, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor kwijtschelding.

7.4.

Voor zover eiser bedoeld heeft een beroep op het gelijkheidsbeginsel te doen, slaagt dat niet. Eiser heeft niet aangegeven in welke concrete gevallen, die gelijk zijn aan die van hem, er door het UWV anders is gehandeld. Met andere woorden: er is niet gebleken van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld.

7.5.

Het UWV heeft in het bestreden besluit nog een overweging gewijd aan eisers verzoek om terug te komen op de terugvorderingsbesluiten. De rechtbank leidt uit het dossier echter niet af dat eiser een zodanig verzoek heeft gedaan. Daarnaast moeten er, om een herzieningsverzoek eventueel te kunnen honoreren, nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Dat die er zijn is gesteld noch gebleken.

Loonbeslag

7.6.

Voor zover eisers beroep gericht is tegen (de hoogte van) het loonbeslag is de rechtbank niet bevoegd. In artikel 4:116 van de Awb is bepaald dat een dwangbevel een executoriale titel oplevert. Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, onder b, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een dwangbevel. Dit betekent dat de bestuursrechter niet bevoegd is om te oordelen over het door het UWV gelegde loonbeslag. Daarvoor kan eiser zich wenden tot de civiele rechter.

7.7.

De rechtbank overweegt hierover ten overvloede nog het volgende. Alhoewel de bestuursrechter zich niet kan uitlaten over het loonbeslag, heeft de rechtbank op de zitting geprobeerd of partijen tot overeenstemming konden komen over het bedrag dat eiser wel zou kunnen betalen. Dit om een civiele procedure te voorkomen, om eiser niet (onnodig) op kosten te jagen. Daarop heeft het UWV aangegeven te kunnen instemmen met een bedrag van € 325,- per maand. Eiser heeft hier ter zitting ook mee ingestemd, maar hij heeft die instemming na de zitting weer ingetrokken. De rechtbank gaat ervan uit, ter voorkoming van nieuwe procedures, dat het UWV zich aan deze toezegging houdt.

Conclusie en gevolgen

8.1

De rechtbank komt tot de slotsom dat het bestreden besluit standhoudt. Het beroep daartegen is daarom ongegrond. Voor zover eisers beroep is gericht tegen het loonbeslag is de rechtbank onbevoegd. Dit betekent ook dat eiser geen recht heeft op vergoeding van het griffierecht of (eventuele) proceskosten.

8.2

Eiser kan evenmin aanspraak maken op schadevergoeding. Op grond van artikel 8:88 van de Awb is de bestuursrechter bevoegd een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die wordt geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Uit wat hierboven is overwogen volgt dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook om die reden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

  • verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van eisers beroep voor zover dat is gericht tegen het loonbeslag;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.D. Sebel, griffier op 10 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »