RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/6162
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. van Domselaar),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van verweerder van 15 mei 2026.
2. Bij besluit van 2 mei 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de omgevingsvergunning voor een verruiming van het gebruik ten behoeve van horeca in de categorie 1A op de locatie [adres] te [plaats] afgewezen. Bij besluit van
15 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de omgevingsvergunning alsnog verleend.
3. Eiseres heeft bij brief van 25 juni 2026 pro forma beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brief van 27 juli 2026 heeft eiseres haar beroepsgronden aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
5. Het beroep van eiseres is gericht tegen de motivering van en inrichting van het bestreden besluit en een aantal van de daaraan verbonden voorschriften. Eiseres stelt dat er aan de omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden die bepalen dat er geen wijzigingen mogen plaatsvinden aan delen van het gebouw, zowel exterieur als interieur, die onderdeel uitmaken van de monumentenstatus, dat er geen bouwkundige wijzigingen aan het gebouw mogen worden uitgevoerd en dat aan deze omgevingsvergunning geen enkele aanspraak kan worden ontleend op toekomstige aanpassingen van het monument of het maatwerkvoorschrift geluid. Deze voorschriften gaan volgens eiseres verder dan artikel 5.32 Omgevingswet toestaat. Verweerder handelt hiermee in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het specialiteitsbeginsel, zo stelt eiseres. Daarnaast verzoekt eiseres de rechtbank om toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb, omdat eiseres gedurende het hele proces aanzienlijke vermogensschade heeft geleden. Deze schade bestaat onder meer uit advies- en voorbereidingskosten, kosten van deskundigen, kosten voor oprichting en wijziging van de rechtsvorm van de onderneming, legeskosten, financieringslasten, exploitatieverlies en overige bedrijfsschade. Tot slot verzoekt eiseres de rechtbank om de dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast te stellen op € 7.210,- (5x €1.442,-).
6. Verweerder stelt dat eiseres geen procesbelang heeft bij deze procedure. Aan eiseres is de gevraagde omgevingsvergunning verleend met het bestreden besluit. De voorschriften waarop het beroep van eiseres zich richt, stellen geen nadere beperkingen op anders dan zoals de wet- en regelgeving al stelt. De voorschriften (Monumentale wijzigingen gebouw en Maatwerkvoorschrift Geluid) benadrukken dat de verleende omgevingsvergunning alleen toestemming geeft voor het gewijzigd gebruiken van het pand aan de [adres] . Met andere woorden mist het beroep feitelijke betekenis. Daarnaast heeft eiseres geen procesbelang bij het door haar ingebrachte schadeverzoek, omdat de schadeposten die eiseres noemt volgens verweerder niet te herleiden zijn tot het bestreden besluit, maar tot het primaire besluit. Over de hoogte van de bestuurlijke dwangsom stelt verweerder dat ook hierin geen procesbelang is gelegen, omdat eiseres haar doel binnen deze procedure niet kan bereiken. Binnen één verzoekprocedure kan namelijk slechts één ingebrekestelling ingediend worden waarop moet worden beslist.
Procesbelang
7. De rechtbank is van oordeel dat eiseres nog procesbelang heeft. Dat procesbelang is in elk geval erin gelegen dat zij een hogere dwangsom wegens niet tijdig beslissen wil dan verweerder in het bestreden besluit heeft toegekend. Het beroep van eiseres is daarom ontvankelijk.
De motivering van het bestreden besluit
8. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet kan slagen. Met het bestreden besluit is aan eiseres, geheel in overeenstemming met haar aanvraag, een omgevingsvergunning verleend. Aan de overwegingen die daartoe hebben geleid, komt geen zelfstandige betekenis toe.
De vergunningvoorschriften
9. Ook de grond over de vergunningvoorschriften slaagt niet. De bij de omgevingsvergunning gestelde voorschriften zien alleen op deze vergunning. Verder wordt daarbij ter verduidelijking uiteengezet wat de reikwijdte van de vergunning is. De voorschriften houden dus niet, zoals eiseres meent, een weigering om de geluidsvoorschriften aan te passen of een weigering van toestemming voor wijzigingen aan een monument.
De dwangsom
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de dwangsom terecht heeft vastgesteld op € 1.442,-. De dwangsombepaling van artikel 4:17 van de Awb is bedoeld voor het niet nemen van een besluit op een aanvraag of een bezwaar. In het bestreden besluit gaat het alleen over de dwangsom die verbeurd is door overschrijding van de beslistermijn voor het nemen van het bestreden besluit. De maximaal te verbeuren dwangsom bedraagt daarvoor
€ 1.442.-.
Het verzoek om schadevergoeding
11. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Uit artikel 8:90, tweede lid, van de Awb volgt dat eiseres voordat zij een verzoek om schadevergoeding bij de bestuursrechter kan indienen, eerst het bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade moet vragen. Dat is slechts anders, wanneer sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8:91, derde lid, van de Awb. Die situatie doet zich hier niet voor, aangezien de door eiseres gestelde schadeposten niet voortkomen uit het in deze procedure bestreden besluit, maar uit het niet in geding zijnde primaire besluit. Nu eiseres het verzoekschrift voor eventuele schadevergoeding bij deze rechtbank heeft ingediend vóórdat zij dit bij verweerder heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de indiening bij de rechtbank rauwelijks is. Daarbij overweegt de rechtbank dat haar niet gebleken is dat van eiseres redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat zij zich eerst tot verweerder zou wenden. Hieruit volgt dat het verzoek niet-ontvankelijk is.
12. Het beroep is kennelijk ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
-
het beroep ongegrond;
-
het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.