ECLI:NL:RBZWB:2026:8487

Datum uitspraak
01-09-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Zaaknummer
12333268 VV EXPL 26-39 (E)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser vordert in kort geding betaling van loon. Eiser heeft de rechtmatigheid van zijn vordering niet voldoende aannemelijk gemaakt. De standpunten van partijen lopen uiteen en er zijn geen stukken overgelegd van het beweerdelijk dienstverband. De relatie van partijen ten opzichte van elkaar is niet duidelijk geworden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Bergen op Zoom

Zaaknummer: 12333268 \ VV EXPL 26-39

Vonnis in kort geding van 1 september 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [werknemer],

gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen,

tegen

1 [bedrijf 1] B.V.,

te [plaats 2],2. [bedrijf 2] B.V.,

te [plaats 2],

gedaagde partijen,

hierna te noemen respectievelijk: [werkgever],

vertegenwoordigd door hun (middellijk) bestuurder [bestuurder 1].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding;

  • de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026.

1.2.

Op de mondelinge behandeling is verschenen [werknemer], bijgestaan door mr. Van der Meulen en mevrouw [tolk]. Namens [werkgever] is verschenen de heer [bestuurder 1].

1.3.

Ter onderbouwing dat [bestuurder 1] bevoegd is [werkgever] te vertegenwoordigen in deze procedure heeft hij na de mondelinge behandeling bij e-mail van 18 augustus 2026 recente uittreksels van de Kamer van Koophandel nagezonden. Daaruit volgt dat [bestuurder 1] (middellijk) bestuurder is van [werkgever] en daarmee bevoegd om hen te vertegenwoordigen.

2 Het geschil

2.1.

[werknemer] vordert hoofdelijke veroordeling van [werkgever], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • tot betaling aan [werknemer] van het achterstallige loon over de periode van 6 maart 2026 tot en met de datum van het vonnis, een en ander te berekenen op basis van het overeengekomen netto loon van € 2.200,00 per maand waarbij [werkgever] dienen zorg te dragen voor brutering van het bedrag, dan wel het wettelijk minimumloon indien en voor zover dit lager is, te verminderen met het reeds betaalde voorschot van € 500,00, te voldoen binnen 48 uur na betekening van het vonnis,

  • tot doorbetaling van het loon aan [werknemer] gedurende de periode van arbeidsongeschiktheid, conform het bepaalde in artikel 7:629 BW, zulks tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, eveneens te berekenen op basis van ten minste 70% van het overeengekomen loon, dan wel het wettelijk minimumloon,

  • tot verstrekking aan [werknemer] van deugdelijke loonspecificaties over de gehele periode van het dienstverband, zulks binnen 48 uur na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom;

  • te veroordelen in de kosten van dit kort geding.

2.2.

[werknemer] legt het volgende ten grondslag aan zijn vorderingen. Hij stelt dat hij op 6 maart 2026 in dienst is getreden van [bedrijf 1] als magazijn medewerker tegen een loon van € 100,00 per dag. Hij heeft dat afgesproken met de heer [bestuurder 2], (middellijk) bestuurder van [werkgever]. Hij stelt dat hij een paar dagen had gewerkt tot hij een ongeval heeft gehad op het werk op 26 maart 2026. Hij heeft toen met [bestuurder 2] en zijn echtgenote afgesproken dat het loon werd € 2.200,00 netto per maand voor 16 uur per week. Op 8 april 2026 heeft [bedrijf 2] als voorschot

€ 500,00 betaald. [werknemer] stelt dat eventuele onduidelijkheid of hij in dienst is van [bedrijf 1] of [bedrijf 2] voor rekening van de werkgever komt en dat zij daarom beide hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vorderingen. Verder stelt [werknemer] dat hij een spoedeisend belang heeft voor dit kort geding, omdat hij zonder het loon geen inkomen heeft.

2.3.

[werkgever] voeren verweer. Zij betwisten dat er een dienstverband met [werknemer] is. [werknemer] is wel bij hen geweest, maar dat was om te helpen.

3 De beoordeling

Spoedeisend belang

3.1.

Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening nodig is. Het gaat in deze zaak om een vordering tot betaling van loon. [werknemer] heeft onweersproken gesteld dat hij zonder dit loon is verstoken van inkomen, zodat daarmee het spoedeisend belang is gegeven.

Vorderingen

3.2.

In dit kort geding dient te worden beoordeeld of het bestaan van de vorderingen van [werknemer] voldoende aannemelijk is en dat het, mede gelet op de belangen van partijen over en weer, gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan in een bodemprocedure vooruit te lopen door het treffen van de gevorderde voorziening. Gelet op het karakter van een kort geding past daarbij geen uitgebreid onderzoek en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering.

3.3.

[werknemer] heeft de rechtmatigheid van zijn vorderingen niet voldoende aannemelijk gemaakt. Daarvoor wordt het volgende overwogen.

3.4.

[werknemer] heeft geen stukken overgelegd voor het beweerdelijke dienstverband. Een schriftelijke arbeidsovereenkomst ontbreekt. Die was namelijk niet opgesteld, volgens [werknemer]. Evenmin heeft hij andere stukken overgelegd die wijzen op het bestaan van een dienstverband tussen [werknemer] en [bedrijf 1] of [bedrijf 2].

3.5.

[werknemer] heeft een betalingsbewijs overgelegd van € 500,00 van [bedrijf 2] op 6 april 2026 aan hem onder vermelding van “Voorschot”. Een grondslag voor de betaling valt niet uit het betalingsbewijs af te leiden. Daaruit volgt dus nog geen dienstverband.

3.6.

Ook heeft [werknemer] een WhatsAppconversatie overgelegd met een niet nader genoemde vertegenwoordiger van [werkgever]. [werknemer] en die vertegenwoordiger corresponderen over de bovenstaande betaling, maar wat de grondslag voor die betaling is, is niet af te leiden uit de correspondentie. Verder meldt [werknemer] in de conversatie dat hij een uitkering wil aanvragen en dat hij daarvoor een contract van zijn vorige werk nodig heeft. De vertegenwoordiger antwoordt dat dit klopt en hij/zij nodigt [werknemer] uit voor een afspraak. Welke afspraken er waren of nog werden gemaakt, volgt niet uit de conversatie.

3.7.

[werknemer] stelt dat hij mondeling afspraken heeft gemaakt met [bestuurder 2] en later ook zijn echtgenote. Volgens hem kunnen anderen daarover verklaren. Ook stelt hij dat hij een opname heeft van zijn gesprek met [bestuurder 2] en zijn echtgenote, waarin het loon werd aangepast naar € 2.200,00 netto per maand voor 16 uur per week. Die beweerdelijke verklaringen en opname heeft hij echter niet overgelegd.

3.8.

Aangezien de standpunten van partijen uiteenlopen en er geen stukken zijn waaruit blijkt dat het is gegaan zoals [werknemer] stelt, is de relatie van partijen ten opzichte van elkaar niet duidelijk geworden. Het is daarom niet voldoende aannemelijk geworden dat de vorderingen van [werknemer] in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Om duidelijkheid in dit geschil te verkrijgen zal nadere bewijslevering nodig zijn. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats. De vorderingen van [werknemer] zullen daarom worden afgewezen.

Proceskosten

3.9.

[werknemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [werkgever] worden vastgesteld op

€ 50,00 voor reis-, verblijf- en verletkosten.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

wijst de vorderingen van [werknemer] af,

4.2.

veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »