ECLI:NL:RBZWB:2026:8303

Datum uitspraak
29-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/390147 FA RK 21-4538
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voornemen benoeming deskundigen voorgelegd aan partijen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/390147 FA RK 21-4538

datum uitspraak: 29 juli 2026

nadere beschikking betreffende omgang

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. L. Stam uit ‘s-Hertogenbosch,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] in Portugal,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. B.V. Rafaela uit Rotterdam,

de ouders van [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna te noemen: [minderjarige] .

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 21 juni 2024 en alle daarin vermelde stukken;

- de e-mail van Kenniscentrum Kind en Scheiding van 16 april 2025;

- de e-mail van [zorgaanbieder] van 21 mei 2025;

- het F-formulier van mr. Stam van 2 juli 2025;

- het F-formulier van mr. Rafaela van 14 juli 2025;

- het F-formulier van mr. Stam van 17 september 2025;

- het F-formulier van mr. Rafaela van 18 september 2025;

- de brief van mr. Rafaela van 24 maart 2026;

- de brief van mr. Stam van 24 maart 2026;

- de brief met bijlagen van mr. Stam van 22 juni 2026;

- de brief van mr. Rafaela van 23 juni 2026;

- de op 24 juni 2026 ontvangen verslagen van [woongroep] .

1.2 De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 29 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.

1.3. Na de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

- het F-formulier van mr. Rafaella van 8 juli 2026;

- de brief met bijlage van mr. Stam van 9 juli 2026;

- de brief van mr. Rafaela van 10 juli 2026.

1.4. [minderjarige] is uitgenodigd om zijn mening te geven. Hij heeft een gesprek gehad met de rechter.

2 De beoordeling

2.1

Bij beschikking van 21 juni 2024 is door de rechtbank bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de vrouw alleen toekomt en dat de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar elke vrijdag om 19.00 uur middels videobellen via de telefoon van de vrouw. Daarnaast zijn partijen en [minderjarige] voor een jeugdhulptraject terugverwezen naar het aanmeldpunt van de regio Haaglanden, kenniscentrum Kind en Scheiding, voor voortzetting van het bij de beschikking van 13 januari 2023 ingezette UHA-traject. De procedure is daarop verder aangehouden.

2.2.

Bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 april 2025 heeft het Hof de beschikking van 21 juni 2024 bekrachtigd ten aanzien van de wijziging van het gezag en is de man niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek in hoger beroep voor zover dit verzoek ziet op de omgangsregeling.

Verzoeken

2.3.

De vrouw heeft haar verzoek per brieven van 24 maart 2026 en 22 juni 2026 gewijzigd. Aan de rechtbank ligt het verzoek van de vrouw voor bij eindbeschikking te bepalen dat de man [minderjarige] een keer in de maand ziet voor maximaal 2,5 uur met begeleiding, onder de voorwaarde dat de omgang niet te belastend is voor [minderjarige] .

2.4.

De man heeft verzocht het (gewijzigde) verzoek van de vrouw af te wijzen. Daarnaast ligt aan de rechtbank voor het verzoek van de man een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] bij hem verblijft:

- het eerste en tweede weekend van iedere maand waarbij [minderjarige] :

 op vrijdagen om 14.30 uur van school wordt opgehaald door de man en om 19.00 uur bij de vrouw wordt teruggebracht;

 op zaterdagen en zondagen om 12.00 uur door de man bij de vrouw wordt opgehaald en om 19.00 uur door de man bij de vrouw wordt teruggebracht;

- op de volgende vakantiedagen waarbij de man [minderjarige] om 10.00 uur bij de vrouw ophaalt en om 19.00 uur terugbrengt:

o in de Kerstvakantie van 2 tot en met 6 januari 2023;

o op Goede Vrijdag op 7 april 2023 of, in overleg met de vrouw, op Tweede Paasdag 10 april 2023;

o in de meivakantie van 1 tot en met 5 mei 2023;

o in de zomervakantie van 1 tot en met 18 augustus 2023;

o in de herfstvakantie: de helft van de dagen voor zover deze vallen binnen de 1e tot de 15e van de maand.

De beoordeling

2.5.

Uit de overgelegde stukken en tijdens de zitting is de rechtbank het volgende gebleken. In juli 2024 zijn partijen verwezen naar het Wilmahuis. Omdat het Wilmahuis gedurende 2024 is gestopt met het aanbieden van omgangsbegeleiding zijn partijen en [minderjarige] in januari 2025 verwezen naar [zorgaanbieder] . De begeleiding daar is per 13 mei 2025 stopgezet, omdat de ouders ontevreden waren, waarna de begeleiding is overdragen aan [woongroep] . [minderjarige] ontvangt hulpverlening van [hulpverlening] . Er is bij hem sprake van kindeigenproblematiek, namelijk ADHD, een laag zelfbeeld en trage informatie-verwerking.

2.6.

Uit de van [woongroep] ontvangen verslagen blijkt dat er daar inmiddels 49 begeleide omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de man hebben plaatsgevonden. Er is gezien dat er sprake is van een emotionele band tussen [minderjarige] en de man, maar ook dat de man onderwerpen bespreekt die niet passend zijn bij de leeftijd en ontwikkelingsfase van [minderjarige] en dat er regelmatig sturing nodig is tijdens de omgangsmomenten. De omgang is een periode uitgebreid naar 5 uur, maar vervolgens is er besloten het in te korten terug naar 2,5 uur per week op woensdag, omdat [minderjarige] in toenemende mate spanning en druk ervaart in het contact met de man. De omgangsmomenten hebben een emotionele impact op [minderjarige] . Het is voor hem belangrijk dat er sprake is van structuur, voorspelbaarheid en emotionele veiligheid. In de tussenevaluatie van [woongroep] staat beschreven dat de man moeite heeft met het innemen van een passende ouderrol, hetgeen leidt tot parentificatie (rolomkering) en een loyaliteitsconflict bij [minderjarige] . Er is intensieve opvoedondersteuning aan de man geboden. Er zijn nadere afspraken met de man gemaakt om zijn gedrag te kaderen. Er heeft gezinsbegeleiding plaatsgevonden, gericht op het vergroten van de pedagogische vaardigheden van de man. Er is ook afstemming geweest met de behandelaar van [minderjarige] bij [hulpverlening] . Er wordt ervaren dat de man beperkt openstaat voor adviezen. De omgangen verlopen wisselend. Er wordt onvoldoende structurele gedragsverandering gezien bij de man in de omgang met [minderjarige] . [woongroep] acht daarom blijvende ondersteuning van de omgang noodzakelijk, met duidelijke pedagogische kaders en afspraken rondom de omgang. Een eventuele aanpassing in duur of frequentie kan pas overwogen worden als er sprake is van aantoonbare en bestendige veranderingen in het gedrag van de man en de belasting voor [minderjarige] vermindert.

2.7.

De vrouw heeft verzocht om een eindbeslissing, waarin de huidige begeleide omgang tussen [minderjarige] en de man wordt vastgesteld. De rechtbank acht een begeleide wekelijkse omgangsregeling echter niet passend als eindbeslissing. [minderjarige] is pas negen jaar. De omgangsregeling met zijn vader kan niet nog jaren enkel begeleid plaatsvinden. Doorgaans faciliteren de zorgverleners en de financierende gemeente dit ook niet jarenlang. De Raad heeft ter zitting aangegeven dat er middels de hulpverlening gekeken moet worden naar ruimte in het vinden van een andere vorm van omgang, gezien [minderjarige] jonge leeftijd. [minderjarige] heeft tegen de rechter verteld dat hij graag omgang met zijn vader heeft en dat hij op vakantie zou willen gaan met zijn vader naar Portugal. Hij heeft er last van dat zijn ouders ruzie maken. De rechtbank kan in het huidige stadium geen beslissing nemen over uitbreiding, inkorting of een andere vorm van omgang tussen de man en [minderjarige] , gezien de zorgen die er in de begeleide omgang door [woongroep] worden gezien. De man geeft aan dat de Raad onderzoek kan doen naar een passende omgangsregeling. De rechtbank vindt echter een raadsonderzoek in dit geval niet toereikend, gezien de complexiteit van de situatie. Het verzoekschrift dateert van 2021. Er is sprake van een lange hulpverleningsgeschiedenis. Er zijn diverse vormen aan hulpverlening ingezet door verschillende hulpverleners (waaronder Impegno, De Gezinsmanager en voormelde zorgaanbieders voor de begeleide omgang). De rechtbank constateert dat er weinig vooruitgang is in de verhouding tussen de man en [minderjarige] en in de verhouding tussen de ouders. Vanuit de hulpverleners komt ook geen concrete visie hoe dit verder aangepakt moet worden en welk einddoel daarin wordt gesteld. De rechtbank vraagt zich af waarom het de man maar niet lukt om inzicht te tonen in het effect van zijn gedrag op [minderjarige] en om aan te sluiten bij de behoefte van [minderjarige] zodat de emotionele impact van de omgang voor hem hanteerbaar wordt. Om een (eind)beslissing te kunnen nemen over de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man is het noodzakelijk dat er een beeld wordt gevormd van de persoonlijkheid van de man en van de vrouw, wat [minderjarige] nodig heeft van zijn ouders en welke belemmeringen of mogelijkheden er zijn in het contact tussen [minderjarige] en de man en in de verhouding tussen de ouders.

Voornemen deskundigenonderzoek

2.8.

De rechtbank is daarom voornemens om op grond van artikel 284 jo artikel 186 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ambtshalve een deskundigenonderzoek te gelasten. De rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken. De vrouw heeft aangegeven geen meerwaarde hierin te zien, maar zij zal daar wel aan meewerken. Zij heeft geen middelen om in de kosten daarvan te voorzien. De man is het eens met het benoemen van deskundigen. Hij heeft aangegeven hiervoor € 10.000 beschikbaar te hebben.

2.9.

De rechtbank stelt dr. [persoon 1] , gedragswetenschapper en forensisch mediator te [plaats] , en drs. [persoon 2] , klinisch psycholoog en psychotherapeut te [plaats] , voor om te benoemen als deskundigen.

2.10.

De formulering van de aan de deskundigen voor te leggen vragen is aan de rechter overgelaten. Desondanks wil de rechtbank de man en de vrouw in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de onderzoeksvragen. De rechtbank is voornemens de volgende onderzoeksvragen voor te leggen aan de deskundigen:

- Wat is het formele en informele netwerk rond [minderjarige] ? - Wat zijn de persoonlijkheidskenmerken van de vader en van de moeder? - Hoe is het opvoedersgedrag van de vader en van de moeder te beschrijven?- Is er sprake van een veilige hechting tussen [minderjarige] en beide ouders? - Wat heeft [minderjarige] nodig van zijn ouders als opvoeders? - Welke mogelijkheden en belemmeringen worden geconstateerd in het functioneren van de vader en van de moeder als opvoeder van [minderjarige] , dit mede in relatie tot het vermogen van de ouders om jegens elkaar een basis te vestigen van waaruit [minderjarige] goed en onbelemmerd contact heeft met zijn beide ouders? - Is er hulpverlening aangewezen voor de vader of voor de moeder, als opvoeder en/of in de verhouding tot elkaar als ouders van [minderjarige] ? Zo ja: voor wie, in welke vorm en met welk doel? - Welke omgangsregeling wordt geadviseerd tussen de vader en [minderjarige] ? Zijn er contra-indicaties voor (een bepaalde vorm van) omgang en in hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen?

- In hoeverre kunnen de vader en de moeder de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vormgeven en hanteren? - Zijn er bevindingen naar voren gekomen die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn om te vermelden?

2.11.

De rechtbank heeft op grond van artikel 284 jo 187 Rv ambtshalve aan voormelde deskundigen gevraagd hun kosten voor het onderzoek te begroten. Aangehecht aan deze beschikking is de van de deskundigen ontvangen plan van aanpak en kostenbegroting. De deskundigen begroten de totale kosten op € 11.660,= exclusief btw (aldus € 14.108,60 inclusief BTW). Op grond van artikel 284 jo artikel 187 Rv wordt er geen voorschot opgelegd indien aan partijen een toevoeging is verleend. Zowel de vrouw als de man procederen op basis van een toevoeging, dus de rechtbank zal geen voorschot opleggen. De rechtbank zal bij eindbeschikking een beslissing nemen over de verdeling van de kosten van de deskundigen. De man dient er rekening mee te houden dat hij vervolgens het begrote bedrag binnen een korte termijn dient te voldoen. De rechtbank realiseert zich dat dit bedrag hoger uitkomt is dan de man heeft aangegeven beschikbaar te hebben voor het deskundigenonderzoek. De rechtbank verzoekt de man daarom om zich over deze kosten uit te laten.

2.12.

De rechtbank verzoekt de man en de vrouw om zich binnen zes weken, aldus voor 8 september 2026 Pro Forma, uit te laten over de benoeming van dr. [persoon 1] en drs. [persoon 2] als deskundigen en over voormelde onderzoeksvragen. Daarnaast verzoekt de rechtbank de man om zich voor vermelde termijn uit te laten over de begrote kosten van de deskundigen. De rechtbank zal daarvoor de behandeling van de verzoeken aanhouden.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

houdt de behandeling van de verzoeken van de vrouw en de man aan tot dinsdag 8 september 2026 Pro Forma in afwachting van het bericht van de vrouw en de man over de te benoemen deskundigen, de onderzoeksvragen en de begrote kosten voor het deskundigenonderzoek en behoudt zich verder iedere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 door mr. C.A.R.M. van Leuven, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Verger-Maas, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »