RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/448413 / KG ZA 26-258
Vonnis in kort geding van 23 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met producties.
De zaak is besproken op de zitting van 9 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn de vrouw, haar advocaat en een tolk in de Litouwse taal verschenen.
2 De feiten
Tussen partijen staat het volgende vast:
-
zij hebben een affectieve relatie met elkaar gehad;
-
zij zijn de ouders van de nog [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige];
-
zij zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan het [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning);
-
de vrouw heeft de Litouwse nationaliteit en de man heeft de Poolse nationaliteit.
3 Het geschil
De vrouw vordert, samengevat, naar de rechtbank begrijpt:
I. primair: vervangende toestemming om te komen tot verkoop van de woning op grond van artikel 3:178 eerste en tweede lid jo. artikel 3:174 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij toewijzing hiervan zal daarbij door de vrouw al hetgeen uit hoofde van de verleende vervangende toestemming kunnen worden verricht wat noodzakelijk is om de woning zelfstandig aan een derde te kunnen verkopen en leveren, waaronder taxatie, inschakeling makelaar, bezichtigingen en onderhandelingen betreffende verkoopprijs, alsmede uiteindelijke levering aan een derde, met veroordeling van de man om daarvan ook de helft van de kosten te voldoen;
II. subsidiair: de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de woning aan een derde en zijn medewerking te verlenen aan alle daaruit voortvloeiende verplichtingen, waaronder uitdrukkelijk verstaan taxatie, inschakeling makelaar, bezichtiging en levering aan een derde, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag dat de man weigerachtig is zijn medewerking te verlenen;
III. de man te veroordelen om de woning te verlaten met ingang van de datum van betekening van het vonnis, onder achterlating van de sleutels en volledige inboedel en voorts de man te veroordelen om de eigenaarslasten verbonden aan de woning te blijven voldoen, tot het moment dat deze verkocht is;
IV. te bepalen dat [minderjarige] voorlopig haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft;
V. met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
4 De beoordeling
Vanwege de nationaliteit van partijen heeft deze zaak een internationaal karakter. De voorzieningenrechter heeft dit ambtshalve beoordeeld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hem rechtsmacht toekomt en dat hij naar Nederlands recht dient te beslissen op de vorderingen van de vrouw.
Het spoedeisend belang
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. Volgens de vrouw heeft zij een spoedeisend belang bij haar vorderingen, omdat zij zich in een complexe situatie met de man bevindt waarin sprake is van voortdurende spanningen/intieme terreur.
Het spoedeisend belang is niet weersproken, doordat de man niet in de procedure is verschenen. Daar komt bij dat gebleken is van een gespannen situatie tussen partijen, waarbij ook hun minderjarige dochter betrokken is. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat van de vrouw niet verlangd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht en dat er voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen bestaat.
Inhoudelijke beoordeling
Ter onderbouwing van haar primaire vordering onder I. en haar subsidiaire vordering onder II. (verkoop van de woning) stelt de vrouw dat zij zich in een complexe situatie met de man bevindt, waarin sprake is van voortdurende intieme terreur. De vrouw wordt dagelijks emotioneel mishandeld door de man, waarbij de man zich verbaal agressief gedraagt. De vrouw is bang van de man en vreest dat [minderjarige] en haar iets overkomt als zij geen juridische stappen onderneemt. De advocaat van de vrouw heeft de man per brief verzocht te laten weten of hij toestemming en medewerking aan verkoop van de woning zal verlenen. De man heeft hierop aangegeven niet akkoord te gaan met verkoop van de woning, omdat hij de woning wenst over te nemen. De man heeft vervolgens echter niets meer van zich laten horen. Gezien de complexe situatie waarin de vrouw zich met de man bevindt, vordert zij ook dat de man de woning dient te verlaten zolang de woning niet is verkocht, zodat zij gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning (vordering III). Daarbij vordert de vrouw ook te bepalen dat [minderjarige] voorlopig haar hoofdverblijf bij haar heeft (vordering IV). De vrouw is bang dat [minderjarige] iets zal overkomen als de situatie niet wordt verbeterd. De vrouw vordert tot slot de man te veroordelen in de proceskosten, aangezien het duidelijk is dat de man moedwillig deze kwestie frustreert (vordering V).
De voorzieningenrechter overweegt dat bij de betekening van de dagvaarding de bij wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, zodat verstek wordt verleend tegen de man. Partijen staan ingeschreven op hetzelfde adres en de vrouw heeft ter zitting aangegeven dat de man op de hoogte was van de procedure en de zitting. Hij heeft bij de vrouw aangegeven niet aanwezig te zijn bij de zitting.
Omdat verstek wordt verleend, moeten de vorderingen van de vrouw op grond van artikel 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden toegewezen, tenzij deze de voorzieningenrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Ten aanzien van de primaire vordering onder I. overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op grond van artikel 3:174 BW kan een deelgenoot op diens verzoek ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen worden gemachtigd tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed. Op grond van de door de vrouw gestelde en door de man niet weersproken feiten en omstandigheden acht de voorzieningenrechter de gevorderde machtiging gerechtvaardigd. De man was ter zitting niet aanwezig om zijn belangen kenbaar te maken. Het belang van de vrouw (en de minderjarige) is duidelijk: de beschikbaarheid van financiële middelen voor het vinden van vervangende woonruimte.
Verder is niet gesteld of gebleken dat de belangen van de man zich tegen het verlenen van de verzochte machtiging verzetten, althans dat zijn belangen in het kader van een belangenafweging zwaarder zouden moeten wegen dan de belangen van de vrouw. Door de af te geven machtiging ex artikel 3:174 BW wordt de vrouw – in het geval de man zijn medewerking aan het verkooptraject, de verkoop en de levering van de woning niet vrijwillig verleend – ter zake de woning zelfstandig beschikkingsbevoegd. Dit houdt in dat de vrouw het verkooptraject, de verkoop en de levering geheel zelfstandig en zonder toestemming van de man ter hand mag nemen. De man dient de helft van de kosten van verkoop van de woning te voldoen. De vrouw heeft dan ook geen belang bij het overige onder I. gevorderde. De voorzieningenrechter zal de gevorderde machtiging derhalve als na te melden toewijzen, onder afwijzing van de subsidiaire vordering onder II.
Ten aanzien van de vordering onder III. acht de voorzieningenrechter het redelijk dat aan de man een termijn van twee weken na betekening van het vonnis wordt gegeven om de woning te verlaten. Ook zal de voorzieningenrechter de man veroordelen om de helft van de eigenaarslasten te voldoen, en niet de gevorderde volledige eigenaarslasten, omdat deze lasten door beide eigenaren in beginsel bij helfte moeten worden gedragen. De vordering van de vrouw zal als in het dictum vermeld worden toegewezen.
Het overige door de vrouw gevorderde komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal op onderstaande wijze worden toegewezen. De man zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter ook nog dat de man geen (zichtbare) actie heeft ondernomen om de woning over te nemen. De man heeft de vrouw daarmee geen andere keus gelaten dan het starten van deze procedure. De kosten aan de zijde van de vrouw worden begroot op:
-
explootkosten € 151,94
-
griffierecht € 341,=
-
informatiekosten BRP € 1,08
-
salaris advocaat € 760,=
totaal € 1.254,02.
Tot slot zal de voorzieningenrechter, zoals gevorderd, de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
verleent verstek tegen de man;
machtigt de vrouw op grond van artikel 3:174 BW tot het te gelde maken van de woning aan het [adres] te [woonplaats], met inachtneming van dat wat is overwogen in rechtsoverweging 4.7.;
veroordeelt de man om de woning aan het [adres] te [woonplaats] te verlaten met ingang van twee weken na de datum van betekening van dit vonnis aan de man, onder achterlating van de sleutels en de volledige inboedel en veroordeelt de man om de helft van de eigenaarslasten verbonden aan de woning te blijven voldoen, tot het moment dat deze woning is verkocht;
bepaalt de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024 voorlopig haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op € 1.254,02;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Pulskens en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.