ECLI:NL:RBLIM:2026:11068

Datum uitspraak
15-10-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/03/352204 / KG ZA 26-173
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Erfrecht. Geschil tussen erfgenamen over de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder, in het bijzonder over de verkoop van woningen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot (kort gezegd) verkoop van de woningen af wegens gebrek aan een spoedeisend belang.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/352204 / KG ZA 26-173

Vonnis in kort geding van 15 oktober 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats 1] ,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. F.A. van den Heuvel,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde,

hierna samen te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. R.H.J.G. Borger.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding, met de producties 1 tot en met 13,

  • de aanvullende producties 14, 15 en 16 van [eiseres] ,

  • de voorwaardelijke eis in reconventie (tevens ook het antwoord in conventie) met de producties 1 tot en met 15,

  • de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026,

  • de pleitnota van mr. Van den Heuvel,

  • het bericht van mr. Van den Heuvel van 10 september 2026 met het verzoek om de zaak twee weken langer aan te houden,

  • het bericht van de rechtbank van 10 september 2026 waarin wordt ingestemd met de nadere aanhouding,

  • het bericht van mr. Van den Heuvel van 21 september 2026 met het verzoek om een tweede schriftelijke ronde,

  • het bericht van mr. Borger van 21 september 2026, waarin niet ingestemd wordt met een tweede schriftelijke ronde en verzocht wordt om vonnis te wijzen,

  • het bericht van de rechtbank van 22 september 2026, waarin is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn zus en broer van elkaar.

2.2.

De moeder van partijen, mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster), is op [datum] 2023 overleden. Erflaatster heeft op 27 november 2015 een testament op laten maken. Zij heeft daarin partijen, en haar andere kinderen, de heer [kind 1], de heer [kind 2] en mevrouw [kind 3] ieder voor een gelijk deel (1/5e) tot haar erfgenamen benoemd.

2.3.

De erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. De erfgenamen hebben aan drie medewerkers van [notariskantoor] een beheervolmacht gegeven.

2.4.

Tot de nalatenschap behoren drie woningen, gelegen aan [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [plaats 2] (hierna: de woningen). Erflaatster heeft ten gunste van haar kinderen legaten opgenomen met betrekking tot de woningen. Alle kinderen hebben het aan hen toekomende legaat verworpen.

2.5.

De woning aan het [adres 3] te [plaats 2] wordt bewoond door [gedaagde] . Bij notariële akte van 25 mei 1993 heeft erflaatster ten aanzien van deze woning een recht van vruchtgebruik aan [gedaagde] toegekend.

2.6.

Bij notariële akte van 26 mei 2026 heeft [kind 2] zijn deel in de nalatenschap van erflaatster aan [gedaagde] geleverd.

2.7.

[eiseres] , [gedaagde] , [kind 1] en [kind 3] hebben onderling geprobeerd om afspraken te maken over de verkoop van de woningen aan het [adres 2] en [adres 1] , maar dit is tot op heden niet gelukt.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. bepaalt dat [eiseres] op grond van art. 3:174 BW wordt gemachtigd tot tegeldemaking van de tot de nalatenschap behorende woningen, gelegen aan het [adres 2] en [adres 1] te [plaats 2] ;

Subsidiair

II. bepaalt dat aan [eiseres] vervangende toestemming wordt verleend althans dat zij wordt gemachtigd om na betekening van het vonnis tot verkoop en levering van de woning [adres 2] en de woning [adres 1] over te gaan, zonder medewerking van [gedaagde] , waarbij [eiseres] zelf een notaris mag selecteren, alsmede bepaalt dat de woningen worden verkocht voor een door [makelaar 1] vast te stellen bedrag, gebaseerd op een vraag- en laatprijs. Onder verkoop moet dus mede worden verstaan het aanstellen van [makelaar 1] , het treffen van maatregelen en krijgen van alles wat nodig is om de verkoop te realiseren (bijvoorbeeld sleutels van bepaalde ruimtes), het realiseren van bezichtigingen en het tekenen van het koopcontract;

III. bepaalt dat het vonnis van de rechtbank dezelfde kracht heeft als een wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling gehouden is, dan wel dat het vonnis in de plaats van de akte of een deel daarvan zal treden, zodat, zonder toestemming van [gedaagde] tot levering van de woningen aan een derde kan worden overgegaan, nu het vonnis in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van zowel [gedaagde] ;

Meer subsidiair

IV. bepaalt dat [gedaagde] dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst indien een bieder zich aandraagt met een bod binnen de nog vast te stellen kaders van de vraag- en laatprijs, binnen drie dagen nadat de makelaar de daartoe toepasselijke koopovereenkomst heeft opgesteld en toegestuurd en waarbij:

- een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van maximaal vijf maanden na de ondertekening van de verkoopovereenkomst, of korter indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en

- dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag en

- bepaalt, indien [gedaagde] of [kind 2] niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen twee dagen voldoen aan de veroordeling onder II een dwangsom verschuldigd zijn van € 500,00 per dag tot een maximum van € 100.000,00;

Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair

V. althans datgene bepaalt dat de voorzieningenrechter in goede justitie

meent te behoren;

VI. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, onder bepaling dat [gedaagde] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt wanneer deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, alsmede, in het geval dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis voldoet, te vermeerderen met de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Voorwaardelijke eis in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert, voor zover de voorzieningenrechter in conventie mocht oordelen dat het niet betrekken van [kind 3] en [kind 1] in deze procedure geen beletsel vormt én er sprake is van een spoedeisend belang in conventie, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [eiseres] veroordeelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het verstrekken van een volmacht en opdracht aan mr. drs. [notaris 1] dan wel notaris mr. [notaris 2] , werkzaam/gevestigd bij [notariskantoor] aan de [adres 4] , inhoudende dat deze als gevolmachtigde van de erfgenamen [makelaar 2] (RM/RT) werkzaam bij [adviesgroep] te [plaats 3] opdracht verstrekt tot verkoop van de woningen [adres 2] en [adres 1] te [plaats 2] waarbij de door [adviesgroep] op respectievelijk 24 en 25 april 2025 getaxeerde marktwaardes als richtprijs voor de vraagprijs gelden (nader door de gevolmachtigde en [adviesgroep] te bepalen) en de WOZ waardes als de minimale laatprijs waartegen de woningen worden verkocht, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat [eiseres] weigert aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,00;

II. [eiseres] veroordeelt om (vervolgens) mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst indien een koper zich aandient met een bod binnen voormelde marges (de vraagprijs of hoger als maximum en laatprijs voormeld als minimum), binnen drie dagen nadat [makelaar 2] voornoemd althans [adviesgroep] de daartoe toepasselijke koopovereenkomst heeft opgesteld en toegestuurd, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat [eiseres] weigert aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,00;

III. [eiseres] veroordeelt om (vervolgens) mee te werken aan de levering van de betreffende woning op de in de voormelde koopovereenkomst overeengekomen leverdatum (of zoveel eerder of later als partijen daarna nog overeenkomen), zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat [eiseres] weigert aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,00;

IV. [eiseres] veroordeelt in de kosten van deze procedure, onder bepaling dat [eiseres] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt wanneer deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn voldaan.

4 De beoordeling

4.1.

Om een voorziening in kort geding te kunnen treffen, is vereist dat de eisende partij een spoedeisend belang heeft bij die gevorderde voorziening.

4.2.

[eiseres] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij verkoop op korte termijn van de woningen aan het [adres 2] en [adres 1] te [plaats 2] , omdat zij op dit moment haar erfdeel niet kan gebruiken en zij over haar erfdeel een hoge box III-belasting verschuldigd is. Ook dreigt de berkenboom, die zich nabij de woning aan [adres 1] bevindt, om te vallen. Dit blijkt volgens haar uit productie 7 bij de dagvaarding. Verder stelt [eiseres] dat de woningen vanaf december 2023 onbewoond zijn en er veel achterstallig onderhoud is, waardoor de woningen in waarde dalen. Eventuele schade aan deze onbewoonde woningen is niet verzekerd. Zij wijst er verder op dat het geld dat de notaris beheert bijna op is. Tot slot vreest [eiseres] dat de gemeente een leegstandsheffing zal opleggen, omdat de notaris van [notariskantoor] is uitgenodigd voor een hoorzitting hierover.

4.3.

[gedaagde] betwist dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft. De uitkomst van een bodemprocedure kan volgens hem worden afgewacht. Met betrekking tot de berkenboom merkt [gedaagde] op dat het als productie 7 bij dagvaarding overgelegde rapport, waarop geen datum staat, dateert van vóór augustus 2024. Het is niet meer actueel; in augustus 2024 heeft onderhoud plaatsgevonden aan de berkenboom. Er is geen risico meer dat de boom omvalt. Voorts stelt [gedaagde] dat de woning aan het [adres 2] al meer dan dertig jaar onbewoond is. De taxateur van [adviesgroep] heeft de woningen bouwkundig als “redelijk” bestempeld. Er is dus geen sprake van een dreigend gevaar. [gedaagde] verwijst hierbij naar het rapport dat hij als productie 2 heeft overgelegd. [gedaagde] betwist verder bij gebrek aan wetenschap dat ten aanzien van deze woningen sprake is van een leegstandsheffing, nu [eiseres] hiervan geen stukken heeft overgelegd. Dat partijen door de onverdeeldheid hun erfdeel niet kunnen gebruiken en dit hoog belast wordt, geldt voor alle erfgenamen en maakt niet dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vorderingen van [eiseres] zich niet lenen voor behandeling in kort geding, omdat het spoedeisend belang ontbreekt. [eiseres] heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , onvoldoende aannemelijk gemaakt dat van haar niet kan worden gevergd de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. Niet is gebleken van acute risico’s rondom de woningen of van een zodanige financiële situatie dat een onmiddellijke voorziening noodzakelijk is. Ook de vrees van [eiseres] dat de gemeente mogelijk een leegstandsheffing zal opleggen, leidt niet tot een ander oordeel. Dat een dergelijke heffing zal worden opgelegd, is op dit moment niet gebleken.

4.5.

Omdat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij het gevorderde, komt de voorzieningenrechter niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.

4.6.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Ten aanzien van het primair gevorderde is niet gebleken dat de door [kind 1] bij e-mail van 24 maart 2026 en door [kind 3] bij e-mail van 26 maart 2026 gegeven toestemming ziet op het verlenen van een volmacht aan [eiseres] als bedoeld in artikel 3:174 BW.1 Uit die e-mails volgt dat de toestemming is gegeven in reactie op de eerdere brief van 24 maart 2026 van de advocaat van [eiseres] , waarin het voorstel is gedaan om aan de makelaar en de notaris – niet aan [eiseres] – een volmacht te verstrekken.2 [eiseres] heeft na de mondelinge behandeling van dit kort geding en het aanhouden van de zaak alsnog verklaringen van [kind 1] en [kind 3] overgelegd, waarin zij alsnog toestemming geven aan [eiseres] om de woningen te verkopen. De voorzieningenrechter overweegt dat de zaak louter is aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen overleg te plegen over een schikking. Aan partijen is geen toestemming gegeven om alsnog stukken in het geding te brengen. [gedaagde] heeft zich na de mondelinge behandeling niet meer kunnen uitlaten hierover. Deze stukken worden daarom niet toegelaten tot de procedure. Ten aanzien van de overige vorderingen van [eiseres] geldt overigens dat [eiseres] ook [kind 1] en [kind 3] had moeten dagvaarden, omdat alle erfgenamen gezamenlijk vereffenaar zijn.

Slotsom

4.7.

Nu de vorderingen in conventie wegens het ontbreken van een spoedeisend belang worden afgewezen, komt de voorzieningenrechter niet toe aan de voorwaardelijke eis in reconventie van [gedaagde] .

Proceskosten

4.8.

Gelet op de familiale relatie van partijen, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af,

5.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Etman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »