ECLI:NL:RBZWB:2026:8066

Datum uitspraak
23-07-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/02/435190 FA RK 25-2381 en C/02/441431 FA RK 25-5597
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Verdeling. Woning. Bepaling huidige marktwaarde. Bepaling overwaarde. Gebruiksvergoeding.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummers: C/02/435190 FA RK 25-2381 (echtscheiding)

C/02/441431 FA RK 25-5597 (verdeling)

23 juli 2026

beschikking over echtscheiding en nevenvoorzieningen

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [plaats 1] (België),

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.L. Küppers-van Duivenbooden,

en

[de man] ,

wonende te [plaats 2] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. C. Bayrak.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 8 mei 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen (producties 1 tot en met 4);

- het op 2 september 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen (producties 1 en 2);

- het op 28 oktober 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek tevens houdende een aanvullend verzoek met bijlage (productie 5);

- het F9-formulier van 30 oktober 2025 van mr. Küppers-van Duivenbooden met bijlagen (producties 6 tot en met 8);

- de brief van 11 juni 2026 mr. Bayrak met bijlagen (producties 3 tot en met 10);

- het op 22 juni 2026 ingediende F9-formulier van mr. Küppers-van Duivenbooden met bijlage (productie 9).

1.2 De zaak is behandeld op de zitting met gesloten deuren van 25 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.3 Ter gelegenheid van de zitting heeft mr. Bayrak met instemming van mr. Küppers-van Duivenbooden een nieuwe alimentatieberekening overgelegd. Tijdens de zitting heeft de rechtbank met partijen besproken dat de man zijn jaaropgave 2024 en loonstrook van mei 2026, in verband met een uitgekeerde bonus, nog zou indienen. Bij F9-formulieren van 6 juli 2026 heeft mr. Bayrak de volgende stukken ingediend:

- de loonstroken van maart en mei 2026 van de man;

- de jaaropgaven van 2022, 2023 en 2024 van de man.

2 De feiten

2.1

Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- zij zijn op [datum] 2019 in de gemeente Antwerpen (België) met elkaar gehuwd;

- de vrouw bezit de Belgische nationaliteit en de man de Nederlandse;

- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

3 De verzoeken

3.1

De vrouw verzoekt, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- echtscheiding;

- vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van € 1.054,= per maand;

- vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen op de wijze zoals in overweging 5 van het verzoekschrift is verzocht;

- vaststelling van een door de man te betalen vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning.

3.2

De man verzoekt, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- echtscheiding;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap zoals door de man onder de punten 4 tot en met 15 van het verweerschrift is voorgesteld.

4 De beoordeling

Echtscheiding

4.1

Deze zaak heeft een internationaal karakter. De vrouw heeft de Belgische nationaliteit en woont in België. De man heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland.

4.2

Op grond van artikel 3 aanhef en onder a) van Brussel IIter1 is de rechtbank bevoegd van de echtscheidingsverzoeken kennis te nemen omdat de laatste gewone verblijfplaats van partijen in Nederland was en de man daar nog verblijft.

4.3

De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van het BW2 op de verzoeken tot echtscheiding Nederlands recht toepassen. De rechtbank zal die verzoeken als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Partneralimentatie

4.4

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de echtscheidingsverzoeken, heeft hij op grond van artikel 3 aanhef en onder c van de Alimentatieverordening3 ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek van de vrouw om een partneralimentatie vast te stellen.

4.5

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. Volgens hem moet dat verzoek primair worden afgewezen. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat – na een inkomensvergelijking – een eventuele bijdrage moet worden beperkt tot maximaal € 17,= bruto per maand. Meer subsidiair verzoekt de man een eventuele onderhoudsverplichting in duur te beperken tot één jaar.

4.6

Op het verzoek een partneralimentatie vast te stellen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol4 in beginsel het Belgisch recht moeten toepassen, omdat de vrouw als alimentatiegerechtigde op dit moment haar gewone verblijfplaats heeft in België. Op grond van artikel 5 van het Protocol is bij partneralimentatie genoemd artikel 3 niet van toepassing als een van de partijen zich daartegen verzet en het recht van een andere Staat, in het bijzonder dat van de Staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk. In dat geval is het recht van die andere Staat van toepassing. De vrouw verzet zich tegen toepassing van Belgisch recht en wenst toepassing van het Nederlandse recht. De man heeft zich daarbij aangesloten. De rechtbank overweegt dat partijen tijdens hun huwelijk altijd gezamenlijk in Nederland hebben gewoond. De rechtbank is het daarom met partijen eens dat het Nederlandse recht nauwer is verbonden met hun huwelijk. De rechtbank zal het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie daarom beoordelen naar Nederlands recht.

4.7

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Huwelijksgerelateerde behoefte

4.8

Partijen zijn het niet eens over de wijze waarop de behoefte van de vrouw moet worden becijferd. De vrouw betoogt dat de zogenaamde hofnorm het uitgangspunt vormt voor de berekening van de behoefte, zoals volgens haar ook blijkt uit de hiervoor genoemde aanbevelingen. Met het als productie 5 ingediende ‘kostenoverzicht oktober 2025’ heeft de vrouw laten zien dat zij ook daadwerkelijk een uitgavenpatroon heeft dat past bij de op basis van de hofnorm berekende behoefte. Dat kostenoverzicht moet niet worden opgevat als een behoeftelijstje, aangezien daarop verschillende posten, zoals boodschappen en kleding, ontbreken. Als de rechtbank oordeelt dat de behoefte van de vrouw moet worden vastgesteld aan de hand van een behoeftelijstje, vraagt de vrouw om haar in de gelegenheid te stellen haar behoefte in een (extra) schriftelijke ronde nader te onderbouwen.

4.9

De man voert aan dat in dit geval de hofnorm niet kan worden toegepast, omdat de vrouw in België woont, waar het leven in het algemeen minder duur is. Daar komt bij dat de vrouw geen woonlasten heeft, omdat zij bij haar moeder woont. Daarom stelt de man zich primair op het standpunt dat, op basis van het door de vrouw overgelegde kostenoverzicht, moet worden uitgegaan van een behoefte van € 885,50 per maand of, indien met een woonlast van € 305,- wordt gerekend zoals op dat overzicht is vermeld, van een behoefte van € 1.380,50 per maand.

4.10

De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van de toepassing van de hofnorm, die voor het berekenen van de behoefte in beginsel een goed bruikbare vuistregel vormt5 en in de hiervoor genoemde aanbevelingen ook tot uitgangspunt wordt genomen. De man heeft weliswaar aangevoerd dat daartoe reden bestaat omdat de vrouw in België woont. In dat verband heeft hij gesteld dat de kosten van levensonderhoud in België, waaronder de kosten van de zorgverzekering, in zijn algemeenheid lager zijn. Die stelling heeft de man echter op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl de vrouw dat gemotiveerd heeft bestreden, onder meer door het eerder genoemde kostenoverzicht in het geding te brengen. Ook de door de man aangevoerde omstandigheid dat de vrouw geen woonkosten heeft, vormt voor de rechtbank geen reden om van de hofnorm af te wijken of daarop een correctie toe te passen. Nog daargelaten dat de vrouw heeft aangevoerd dat zij ook op dit moment woonkosten heeft, heeft zij tijdens de zitting onweersproken gesteld dat de huidige situatie, waarin zij bij haar moeder verblijft, niet een structurele (woon)oplossing is. De rechtbank vindt het daarom redelijk om ervanuit te gaan dat de vrouw in de (nabije) toekomst (hogere) woonlasten heeft.

4.11

Voor de toepassing van de hofnorm, zal de rechtbank eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen moeten bepalen. De rechtbank gaat daarbij uit van de inkomens van partijen in 2024, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.

4.12

Tussen partijen staat vast dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw in 2024 € 2.249,= per maand bedroeg (op basis van een jaarinkomen in 2024 van € 29.098,=).

4.13

Voor de berekening van het NBI van de man gaat de rechtbank, zoals tijdens de zitting met partijen besproken, uit van het door hem ontvangen salaris zoals blijkt uit zijn jaaropgave over 2024. Om die reden heeft de rechtbank de man in de gelegenheid gesteld (enkel) die jaaropgave na de zitting nog in het geding te brengen. De rechtbank heeft daarbij uitdrukkelijk vermeld dat over dat stuk niet een nader (schriftelijk) debat zal worden gevoerd. Bij het F9-formulier van 6 juli 2026 heeft de advocaat van de man echter ook de jaaropgaven over 2022 en 2023 gevoegd, met daarbij het verzoek voor de berekening van het NBI van de man uit te gaan van het gemiddelde jaarinkomen over de jaren 2022, 2023 en 2024. De rechtbank gaat aan dat verzoek voorbij wegens strijd met de goede procesorde. Door dat verzoek pas te doen ná de zitting, ontneemt de man de vrouw de kans om daartegen verweer te voeren, terwijl heropening van het debat op dit punt zou leiden tot onredelijke vertraging van de procedure.

4.14

Uit de jaaropgave over 2024 volgt dat de man een inkomen van € 58.666,= bruto per jaar had. In fiscaal opzicht wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 3.588,= per maand.

4.15

Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 5.837,= per maand. Op basis van de hofnorm wordt de behoefte begroot op 60% van dat bedrag. Dat betekent dat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent op € 3.502,= netto per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu € 3.663,= netto per maand.

Behoeftigheid

4.16

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de behoeftigheid van de vrouw. Van behoeftigheid is sprake als de vrouw onvoldoende eigen inkomsten heeft om volledig in haar behoefte te kunnen voorzien en zij zich deze inkomsten in redelijkheid niet kan verwerven.

4.17

De man betwist de behoeftigheid van de vrouw. Volgens de man kan van de vrouw worden verlangd dat zij op korte termijn meer uren gaat werken (40 in plaats van 32 uur per week) om haar inkomen te vergroten. De vrouw heeft daartegenover gesteld dat zij op dit moment vanwege ziekte niet volledig kan werken. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de vrouw overgelegde loonstrook van mei 2026 blijkt dat zij vanwege ziekte nog niet volledig werkt. In hoeverre haar gezondheidssituatie eraan in de weg staat dat zij in de nabije toekomst volledig kan werken, heeft de vrouw niet inzichtelijk gemaakt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij binnen afzienbare tijd weer voor haar volledige arbeidsduur van 32 uur per week beschikbaar is voor werk. De vrouw heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat van haar dan niet gevergd kan worden dat zij 40 uur per week werkt om haar inkomen te vergroten. Daarom zal de rechtbank daarvan uitgaan.

4.18

De vrouw heeft volgens de salarisspecificatie van mei 2026 bij volledige arbeidsgeschiktheid (waarbij het daarop vermelde “salaris (uit uren ziek 85%)” aldus is aangepast naar 100%) een inkomen van € 2.470,= bruto per maand, op basis van een aanstelling van 32 uur per week. Dat komt neer op een bruto maandinkomen van € 3.087,= bij een 40-urige werkweek, te vermeerderen met een benefit budget van 14,3% (bestaande uit 8% vakantietoeslag, 1,8% benefit bijdrage en 4,5% vaste eindejaarsuitkering). De rechtbank houdt verder rekening met een ingehouden pensioenpremie van € 126,= per maand en een premie AOP van € 2,= per maand. In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag van € 2.849,= per maand.

4.19

De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt aldus (€ 3.663 - € 2.849 =) € 814,= netto per maand. Dit komt neer op € 1.591,= bruto per maand.

Draagkracht van de man

4.20

De financiële draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen wordt in 2026 bij een NBI vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)].

4.21

Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.

4.22

De man heeft volgens de loonstrook van mei 2026 een inkomen van € 4.013,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Daarnaast maakt de man op jaarbasis aanspraak op een bonus die blijkens de door de man overgelegde loonstrook van maart 2026, in 2026 een bedrag beloopt van € 3.231,=. De rechtbank houdt verder rekening met een ingehouden pensioenpremie van € 131,= per maand en een ingehouden WGA-hiaat verzekering van € 10,= per maand. In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 3.408,= per maand.

4.23

De man heeft aangevoerd dat zijn draagkrachtloos inkomen met een bedrag van € 200,= per maand moet worden verhoogd in verband met advocaatkosten die hij moet betalen en waarvoor hij, bij gebrek aan financiële middelen, een betalingsregeling heeft getroffen. De rechtbank overweegt als volgt. Weliswaar heeft de vrouw zich ertegen verzet dat genoemde advocaatkosten ten laste van de draagkracht van de man moeten komen. Zij heeft het bestaan van de last en de stelling van de man dat het gaat om niet-verwijtbare en niet-vermijdbare kosten, echter niet bestreden. De rechtbank zal daarom rekening houden met de advocaatkosten van de man en het draagkrachtloos inkomen verhogen met een bedrag van € 200,=.

4.24

Daarmee komt de beschikbare draagkracht van de man op een bedrag van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,= + € 200,=)] = € 493,= per maand.

4.25

Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting, zodat hij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man op een bedrag van € 789,= bruto per maand.

Inkomensvergelijking

4.26

Om te kunnen vaststellen of de vrouw bij vaststelling van een onderhoudsbijdrage in overeenstemming met de hiervoor onder 4.25 genoemde (bruto) draagkracht van de man, niet in een betere financiële positie wordt gebracht dan de man, dat wil zeggen niet meer vrij besteedbaar overhoudt dan de man, zullen de financiële omstandigheden van de vrouw en de man worden vergeleken, zoals de man heeft verzocht.

4.27

Voor wat betreft het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bedrag van € 2.849,= per maand, zoals onder rechtsoverweging 4.18 is vermeld.

4.28

Vergelijking van de financiële omstandigheden, daarbij rekening houdend met alle fiscale gevolgen, brengt de rechtbank tot het oordeel dat de vrouw en de man een gelijk bedrag vrij te besteden hebben wanneer de onderhoudsbijdrage wordt vastgesteld op een bedrag van € 334,= per maand.

Limitering

4.29

Omdat de rechtbank de partneralimentatie vaststelt op een bedrag hoger dan € 17,= per maand, komt de rechtbank toe aan het meer subsidiaire verzoek van de man om de onderhoudsverplichting van de man in duur te beperken tot één jaar. Volgens de man mag van de vrouw worden verwacht dat zij binnen afzienbare tijd volledig in haar eigen

levensonderhoud kan voorzien, mede gelet op haar leeftijd, gezondheid, arbeidsmogelijkheden en de vermogensbestanddelen die zij uit de verdeling zal ontvangen.

4.30

De rechtbank ziet in wat de man naar voren heeft gebracht geen aanleiding om de duur van de partneralimentatie te beperken tot één jaar. De rechtbank overweegt daartoe dat het limiteren van partneralimentatie een vergaande beslissing is. Vanwege de ingrijpende gevolgen van limitering worden hoge eisen gesteld aan de door de alimentatieplichtige te stellen, en zo nodig te bewijzen, (bijzondere) omstandigheden die afwijking van de wettelijke alimentatieduur zouden rechtvaardigen. De man heeft niet aan die op hem rustende stelplicht voldaan. Daarbij komt dat de rechtbank bij de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw er al rekening mee heeft gehouden dat van de vrouw gevergd kan worden dat zij full time (40 uur per week) werkt. Bovendien is de wettelijke duur van de alimentatieplicht, gelet op de duur van het huwelijk, in dit geval relatief kort. De rechtbank zal het verzoek van de man tot limitering van de partneralimentatie daarom afwijzen.

Berekening

4.31

De rechtbank heeft een berekening gemaakt die als bijlage aan deze beschikking is

toegevoegd en daarvan deel uitmaakt.

Conclusie

4.32

De slotsom luidt dat de man vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw partneralimentatie moet betalen van € 334,= per maand. Het verzoek van de vrouw wordt tot zover toegewezen.

Verdeling huwelijksgemeenschap

4.33

Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel IIter rechtsmacht heeft met betrekking tot de verzoeken tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen, zo volgt uit artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels6.

4.34

Op het huwelijksvermogensstelsel van partijen is de Verordening huwelijksvermogensstelsels van toepassing, omdat partijen zijn gehuwd na 29 januari 2019.

4.35

Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben gedaan.

4.36

Op grond van artikel 26, lid 1 onder a van genoemde verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het Nederlands recht, omdat partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats hebben gevestigd in Nederland.

Huwelijksvermogensregime

4.37

Partijen zijn na 1 januari 2018 gehuwd en hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Dat betekent dat zij in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

Peildatum omvang beperkte gemeenschap en waardering

4.38

Als peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, en dat is 8 mei 2025.

4.39

Met betrekking tot de waarde van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.

Bestanddelen van de beperkte gemeenschap

4.40

Volgens partijen maakten op de peildatum de volgende goederen en schulden deel uit van de beperkte gemeenschap:

  1. de echtelijke woning gelegen aan [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning);

  2. een auto van het merk Audi, type Q3;

  3. een auto van het merk Citroën, type C1;

  4. saldi van de bankrekeningen;

  5. goudstukken die partijen als bruidsschat geschonken hebben gekregen;

  6. de aan de echtelijke woning verbonden hypotheekschuld.

Overeenstemming

4.41

Tijdens de zitting is gebleken dat partijen overeenstemming hebben over de verdeling van de auto’s, de saldi van de bankrekeningen en de goudstukken. Op verzoek van partijen neemt de rechtbank de tussen hen gemaakte afspraken hieronder op.

4.42

Beide auto’s zijn inmiddels verkocht. De man heeft een bedrag van € 19.500,= ontvangen voor de Audi en de vrouw een bedrag van € 2.500,= voor de Citroën. Partijen hebben ieder recht op de helft van het totaalbedrag. Dat betekent dat de man nog een bedrag van € 8.500,= zal voldoen aan de vrouw.

4.43

Partijen behouden ieder hun eigen bankrekening(en) met het saldo op de peildatum, zonder verdere verrekening.

4.44

De te verdelen bruidsschat bestaat uit 14 armbanden en 1 ketting met negen gouden muntjes, partijen genoegzaam bekend. Partijen gaan gezamenlijk binnen twee weken na de datum van de zitting met die goudstukken naar een juwelier in Antwerpen om de waarde te laten bepalen. Vervolgens zullen zij (de waarde van) die goudstukken in onderling overleg bij helfte verdelen.

4.45

Omdat partijen met betrekking tot de auto’s, de saldi van de bankrekeningen en de goudstukken volledige overeenstemming hebben bereikt over de (wijze van) verdeling, kan de rechtbank de (wijze van) verdeling niet vaststellen, gezien het bepaalde in artikel 3:185 lid 1 BW. De rechtbank zal de verdelingsverzoeken van partijen met betrekking tot die bestanddelen, daarom afwijzen. De tussen partijen gemaakte en hiervoor weergegeven afspraken zijn wel bindend, maar lenen zich niet voor opname in het dictum van deze beschikking.

De echtelijke woning, de hypothecaire geldlening en een gebruiksvergoeding

4.46

Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning kan worden toegedeeld aan de man, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening en met vergoeding aan haar van de helft van de overwaarde. Partijen zijn het ook eens over de termijn die de man daarvoor heeft, namelijk drie maanden vanaf de datum van deze beschikking. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning waartegen de man de woning zal overnemen en de wijze waarop de overwaarde wordt bepaald.

4.47

Volgens de man moet de marktwaarde van de woning worden bepaald op € 385.000,=, de uitkomst van de door partijen gezamenlijk geïnitieerde taxatie van 27 augustus 2025 die volgens de man nog actueel is. Sinds september 2025 betaalt de man de volledige hypotheekaflossing, -rente en overige aan de woning verbonden eigenaarslasten. Per 1 september 2025 was de totale hypotheekschuld € 235.153,=, zodat de overwaarde op dat moment € 149.847,= bedroeg. Iedere verdere vermogensopbouw na die datum komt toe aan de man. De vrouw heeft daarom recht op € 74.923,50 in verband met overbedeling. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de waarde van de woning moet worden bepaald op de datum van verdeling, in dit geval de transportdatum van de notariële akte van verdeling waarmee de woning aan de man wordt geleverd en hij enig eigenaar wordt. Volgens de vrouw moet de woning, gelet op het tijdsverloop sinds augustus 2025 en de nog altijd stijgende huizenprijzen, opnieuw worden getaxeerd. Als het de man niet lukt om de woning over te nemen, moet de woning worden verkocht aan een derde.

4.48

De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals hiervoor onder 4.39 overwogen, moet de waarde van de woning in beginsel worden bepaald op de datum van de verdeling. Dat is het moment waarop de woning aan één van partijen wordt toebedeeld, in dit geval de datum van deze beschikking. De man moet bij toedeling van de woning aan hem de helft van de zogenoemde ‘overwaarde’ aan de vrouw vergoeden. Dat is het verschil tussen de huidige marktwaarde van de woning en het restant van de hypothecaire geldlening. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van de waarde van de hypothecaire geldlening op de datum van overdracht van de woning aan de man.

4.49

Aangezien partijen twisten over de huidige marktwaarde van de woning, zal de rechtbank daarover een beslissing nemen. Daarvoor zal de rechtbank aansluiten bij de in het taxatierapport van 27 augustus 2025 genoemde marktwaarde van € 385.000,=, zoals de man heeft verzocht. De rechtbank legt hierna uit waarom. Er is geen reden om aan de juistheid van dat rapport en de daarin genoemde marktwaarde te twijfelen. De man heeft daarnaast een e-mailbericht in het geding gebracht afkomstig van de taxateur die genoemd rapport heeft opgesteld. In dat bericht bevestigt de taxateur dat de in het rapport vermelde waarde naar de mening van de taxateur nog steeds actueel is. Daarmee heeft de man gemotiveerd gesteld dat de huidige marktwaarde van de woning nog altijd € 385.000,= bedraagt. Weliswaar heeft de vrouw die stelling betwist en aangevoerd dat een nieuwe taxatie nodig is omdat door tijdsverloop de woning inmiddels een hogere marktwaarde zou hebben. Zij heeft daartoe echter slechts in algemene termen aangevoerd dat de woningprijzen het afgelopen jaar zijn gestegen. De vrouw heeft geen concrete handvatten geboden voor de vaststelling dat de marktwaarde van specifiek de woning van partijen sinds september 2025 is gewijzigd, laat staan gestegen. Daarmee heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank de stelling van de man dat de marktwaarde van de woning sinds augustus 2025 ongewijzigd is gebleven, in het licht van het gemotiveerde betoog van de man onvoldoende betwist. De rechtbank gaat dus uit van de juistheid van de stelling van de man. Een nieuwe taxatie is daarom voor de rechtbank niet nodig.

4.50

Dat betekent dat de man in de gelegenheid wordt gesteld binnen drie maanden na de datum van deze beschikking de woning tegen een waarde van € 385.000,= over te nemen, waarbij hij de helft van de overwaarde van de woning, dat wil zeggen de marktwaarde van € 385.000,= minus het bedrag van de openstaande hypothecaire geldlening op het moment van het passeren van de notariële akte, uit hoofde van overbedeling aan de vrouw zal moeten vergoeden. De rechtbank volgt dus niet het standpunt van de man dat de vermogensopbouw die door aflossing op de hypothecaire geldlening heeft plaatsgevonden vanaf september 2025 alleen aan hem toekomt. Weliswaar heeft de vrouw tijdens de zitting erkend dat zij vanaf september 2025 niet meer heeft bijgedragen aan de betaling van de aan de woning verbonden eigenaarslasten, waaraan zij hoofdelijk is verbonden en die voor de helft voor haar rekening komen. In zoverre stelt de man terecht dat hij vanaf die tijd de (volledige) aflossing op de hypothecaire geldlening heeft betaald. Door niet meer mee te betalen aan de eigenaarslasten, heeft de vrouw zich echter niet van haar betalingsverplichting in de verhouding tot de man bevrijd. De man beschikt op grond van artikel 6:10 BW over een regresvordering op de vrouw ter hoogte van het bedrag dat hij méér heeft bijgedragen in genoemde eigenaarslasten dan het gedeelte (de helft) dat hem aangaat.

4.51

Daar staat tegenover dat de man het alleengebruik van de woning heeft gehad. De vrouw verzoekt de rechtbank in dat verband een gebruiksvergoeding te bepalen. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de man alleen in de woning verblijft aanleiding om een dergelijke gebruiksvergoeding aan de vrouw toe te kennen. Artikel 3:169 BW biedt daarvoor vanaf de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap de mogelijkheid. Daarbij is niet van belang dat de vrouw, zoals de man aanvoert, vrijwillig de woning heeft verlaten. Het gaat er om dat de vrouw feitelijk niet over het genot van de woning, waarvan zij voor de helft eigenaar is, (heeft) beschikt.7 De gebruiksvergoeding zal de rechtbank naar redelijkheid vaststellen op het aandeel van de vrouw in de aan de woning verbonden eigenaarslasten vanaf september 2025, waaronder de verschuldigde aflossing en rente van de hypothecaire geldlening. Dat betekent dat (de hoogte van) de gebruiksvergoeding die de man aan de vrouw dient te voldoen overeenkomt met (de hoogte van) de hiervoor onder 4.50 genoemde regresvordering van de man op de vrouw.

4.52

Tijdens de zitting heeft de vrouw zich erop beroepen dat zij haar bijdrage aan de eigenaarslasten vanaf september 2025 wenst te verrekenen met de gebruiksvergoeding. Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW heeft de vrouw die bevoegdheid omdat haar schuld jegens de man (de regresvordering van de man op de vrouw) beantwoordt aan de prestatie die zij op grond van deze beschikking te vorderen heeft van de man (de gebruiksvergoeding). Die twee bedragen vallen daarmee tegen elkaar weg. De man hoeft in verband met de gebruiksvergoeding dus niets aan de vrouw te betalen zolang hij (voor de toekomstige betalingen) haar aandeel in de eigenaarslasten blijft voldoen, maar kan ook niet zijn regresvordering uit hoofde van artikel 6:10 BW, voor zover die ziet op (ook toekomstige betalingen van) de eigenaarslasten, te gelde maken. De rechtbank zal een en ander in de beslissing tot uitdrukking brengen door te bepalen dat de man een gebruiksvergoeding moet betalen aan de vrouw ter hoogte van haar aandeel in de aan de woning verbonden eigenaarslasten, door die lasten vanaf september 2025 volledig voor zijn rekening te nemen.

4.53

Mocht het de man niet lukken om de woning over te nemen, waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening en de man de helft van de overwaarde aan haar vergoedt, dan – zo zijn partijen eens – zal de woning aan (een) derde(n) worden verkocht. Tijdens de zitting hebben partijen de rechtbank gevraagd om in dat geval een zogenaamd spoorboekje op te nemen. De rechtbank zal in overeenstemming met die wens van partijen bepalen dat als de man de woning niet kan overnemen, partijen binnen twee weken een schriftelijke overeenkomst zullen aangaan met [makelaar] in [plaats 2] , welke overeenkomst strekt tot bemiddeling van de verkoop van de woning, onder de voor een NVM-makelaar gebruikelijke voorwaarden. De rechtbank merkt verder op dat partijen in onderling overleg en op advies van de betrokken makelaar een (minimum)verkoopprijs kunnen bepalen. Mochten partijen daar niet gezamenlijk uit komen, dan geldt – zoals partijen ter zitting hebben bevestigd – dat de makelaar een marktconforme (minimum)prijs bepaalt, waaraan partijen zijn gebonden. Verder hebben partijen tijdens de zitting ermee ingestemd dat de woning – bij acceptatie van een bod gelijk aan of hoger dan de hiervoor bedoelde (minimum)prijs – niet eerder aan (een) koper(s) zal worden geleverd dan nadat vier maanden zijn verstreken vanaf het moment waarop de man binnen de hiervoor aan hem gegunde termijn aan de vrouw heeft laten weten dat hij de woning niet kan overnemen. Verder geldt ook in geval van verkoop van de woning aan (een) derde(n) hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.50 tot en met 4.52 heeft overwogen voor wat betreft de verdeling van de (over)waarde van de woning, na aflossing van de openstaande hypothecaire geldlening en betaling van de verkoop- en overdrachtskosten die in dat geval in gelijke delen voor rekening van partijen komen. Gelet daarop zal de rechtbank in geval van verkoop aan (een) derde(n) de wijze van verdeling gelasten als in het dictum vermeld.

4.54

Uiteraard staat het partijen vrij om in gezamenlijk overleg aanvullende of afwijkende afspraken te maken.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.55

De rechtbank zal de beslissingen met betrekking tot de partneralimentatie, de gebruiksvergoeding en de verdeling van de woning uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat die beslissingen direct gelden, ook als een partij daartegen hoger beroep instelt.

Proceskosten

4.56

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2019 in de gemeente Antwerpen (België) met elkaar gehuwd;

5.2

bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 334,= (driehonderdvierendertig euro) per maand;

5.3

bepaalt dat de man een gebruiksvergoeding moet betalen aan de vrouw ter hoogte van haar aandeel in de aan de woning, gelegen aan [adres] te [plaats 2] , verbonden eigenaarslasten, door die lasten vanaf september 2025 volledig voor zijn rekening te nemen;

5.4

gelast de wijze van verdeling van de woning, gelegen aan [adres] te [plaats 2] , als volgt:

1. de woning wordt toebedeeld aan de man voor een waarde van € 385.000,= onder de voorwaarde dat deze toebedeling binnen drie maanden na de datum van dit vonnis is afgerond;

2. dit betekent dat binnen deze termijn van drie maanden:

- de man moet zorgdragen voor de financiering van (het aandeel van de vrouw in) de woning;

- de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;

- het aandeel van de vrouw in de echtelijke woning via een notariële levering wordt overgedragen aan de man;

- de man bij de notariële levering het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning aan de vrouw dient te voldoen, zijnde de helft van het verschil tussen de waarde van € 385.000,= en de resterende hypothecaire geldlening per datum overdracht;

3. voor het geval de toebedeling van de woning aan de man onder de onder 2. genoemde voorwaarden niet binnen drie maanden na de datum van dit vonnis heeft plaatsgevonden, zullen partijen de woning als volgt verkopen en leveren aan (een) derde(n):

- partijen gaan binnen twee weken nadat de man binnen de hiervoor aan hem gegunde termijn heeft laten weten de woning niet te kunnen overnemen, een schriftelijke overeenkomst van dienstverlening aan met [makelaar] te [plaats 2] , die strekt tot bemiddeling van de verkoop van de woning, onder de voor een NVM-makelaar gebruikelijke voorwaarden;

- nadat een derde een bod gelijk aan of hoger dan een door partijen gezamenlijk of door een aan het hiervoor genoemde makelaarskantoor verbonden makelaar te bepalen minimum verkoopprijs heeft gedaan, verlenen partijen hun medewerking aan het tot stand komen van een schriftelijke koopovereenkomst ter zake de verkoop van de woning conform de standaard NVM-voorwaarden waarbij de woning voor dat bod wordt verkocht en zal worden geleverd op een datum niet eerder dan nadat vier maanden zijn verstreken sinds het moment waarop de man binnen de hiervoor aan hem gegunde termijn heeft laten weten de woning niet te kunnen overnemen;

- de hypothecaire geldlening zal bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;

- iedere partij is gehouden de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering van de woning te dragen; en

- de verkoopopbrengst zal na aflossing van de resterende hypothecaire geldlening en de betaling van de kosten van verkoop en overdracht, gelijkelijk tussen partijen worden verdeeld;

5.5

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6

verklaart deze beschikking voor wat betreft de hiervoor onder 5.2 tot en met 5.4 weergegeven beslissingen, uitvoerbaar bij voorraad;

5.7

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »