beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/448522 / FA RK 26-2674
datum uitspraak: 22 juli 2026
beschikking betreffende wijziging hoofdverblijf en vervangende toestemming inschrijving school
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. L.E. van Hevele te Oostburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 2] ,
Als informant in onderhavige zaak wordt aangemerkt:
De gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1 Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 21 mei 2026 ontvangen verzoek van de man met bijlagen;
- F9-formulier van mr. Van Hevele van 22 juni 2026;
- een tweetal e-mailberichten met bijlagen van de vrouw, ontvangen op 20 juli 2026.
Het verzoek is mondeling behandeld op 20 juli 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de advocaat van de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster namens de GI en een vertegenwoordiger namens de Raad. De man is via een online verbinding aanwezig geweest bij de zitting.
De kinderrechter stelt vast dat de vrouw op hoogte was van de zitting. Zij is in de gelegenheid gesteld om net als de man via een online verbinding aan te sluiten bij de zitting. Zij heeft de uitnodiging aanvaard. Zij heeft hier echter geen gebruik van gemaakt.
2 De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.
De man en de vrouw zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
Partijen hebben in 2021 een ouderschapsplan met elkaar gesloten waarin zij – onder meer – zijn overeengekomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft. Daarnaast zijn zij een zorgregeling tussen de man en [minderjarige] overeengekomen die inhoudt dat er tussen hen contact is gedurende ieder weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur.
Bij beschikking van 9 oktober 2025 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de
tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 december 2024 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en aldus ten aanzien van de beslissing omtrent de verhuizing naar [plaats 3] , althans naar één van de omliggende dorpen, de inschrijving op de [basisschool 2] en de bijbehorende kinderopvanginstelling en ten aanzien van de vaststelling van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op grond waarvan [minderjarige] en de man voorlopig recht hebben op contact met elkaar ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur.
Bij beschikking van 14 oktober 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 oktober 2025 en tot 14 januari 2026, welke ondertoezichtstelling daarna is verlengd, voor het laatst bij beschikking van 5 december 2025 met ingang van 14 januari 2026 en tot 14 oktober 2026.
Bij beschikking van 28 november 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige]
gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de man, met ingang van 28 november 2025 en tot 12 december 2025.
Bij beschikking van 5 december 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de man verlengd, met ingang van 12 december 2025 en tot 23 januari 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI.
Bij beschikking van 22 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de man, verlengd met ingang van 23 januari 2026 en tot 23 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden. Daarnaast is bepaald dat de vrouw en [minderjarige] minimaal 1,5 uur per week omgang met elkaar hebben, waarbij de regie voor wat betreft begeleid naar onbegeleid en uitbreiden in het tempo van [minderjarige] in de handen van de GI wordt gelegd, waarbij door de GI toegewerkt dient te worden naar de door de moeder verzochte regeling, en uiteindelijk naar de voorlopige regeling zoals door het gerechtshof is bepaald, een en ander zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.8. van die beschikking.
Op basis van deze beschikking zou [minderjarige] bij de man moeten verblijven. De vrouw heeft echter op 14 maart 2026 na een omgangsmoment [minderjarige] niet meer teruggebracht.
Op 10 april 2026 heeft de GI een schriftelijke aanwijzing aan de vrouw gegeven.
Deze houdt in dat de GI de volgende aanwijzingen geeft:
“- U meldt [minderjarige] niet ziek wanneer zij fit (genoeg) is voor school en u zorgt ervoor dat [minderjarige] naar school gaat, conform schooltijden. Als [minderjarige] volgens u ziek is, gaat u hiervoor op consultatie bij uw huisarts of bij de GGD. U vraagt een verklaring aan de deskundige van de door u vastgestelde klachten. Deze verklaring deelt u met school en de GI;
- U werkt mee van een zo spoedig mogelijke terugkeer van [minderjarige] naar vader. Dit betekent dat u ervoor zorgt dat u [minderjarige] naar school brengt. Vader zal dan de verantwoordelijkheid op zich
nemen om [minderjarige] op te halen;
- Zodra [minderjarige] bij vader is, hij verantwoordelijk voor de opvoeding van [minderjarige] , waaronder
schoolgang valt. Dit betekent dat u [minderjarige] tijdens schooltijd niet opzoekt of haar ophaalt van
school, zonder dat daar toestemming van de GI voor is;
- U houdt zich aan de machtiging uithuisplaatsing, d.d. 22 januari 2026. Hierin is vastgelegd dat de GI de regie heeft in verband met de omgang. Dit betekent dat u zich aan de omgangsafspraken van de GI houdt. Deze afspraken volgen nog.”
Bij vonnis in kort geding van 11 mei 2026 is de vrouw veroordeeld om [minderjarige]
binnen een dag na het in deze te wijzen vonnis aan de man af te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat de vrouw nalatig is aan het vonnis te voldoen.
Bij beschikking van 21 mei 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij
de andere ouder met gezag, te weten de man, verlengd met ingang van 23 mei 2026 en tot 14 oktober 2026. Ook de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd, waarbij er een dwangsom aan de vrouw is opgelegd.
Op basis van deze beschikking behoort [minderjarige] bij de man te verblijven. Zij verblijft echter op een locatie waar de vrouw haar naartoe heeft gebracht, zonder toestemming van de man en/of de GI. De vrouw heeft de man en de GI ook niet geïnformeerd over deze verblijfplaats.
Bij beschikking van 23 juni 2026 is aan de man – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw – toestemming verleend voor de aanvraag van een Nederlands paspoort ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] .
De vrouw heeft de Italiaanse nationaliteit, de man en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
3 Het verzoek
De man verzoekt het ouderschapsplan te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de man en de man vervangende toestemming te verlenen [minderjarige] in te schrijven op de basisschool in [plaats 1] .
4 De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen aangezien de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op dezelfde grond is op de gezagsvoorziening Nederlands recht van toepassing.
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Inhoudelijke beoordeling
Nu de vrouw niet ter zitting verschenen is, is er geen vergelijk tussen partijen mogelijk.
De man stelt zich op het standpunt dat hij beter in staat is om voor [minderjarige] te zorgen dan dat de vrouw is. [minderjarige] gaat al sinds 14 maart 2026 niet meer naar school. Ook is er al vier maanden geen fysiek contact tussen [minderjarige] en de man. De man is beter dan de vrouw in staat om ervoor te zorgen dat [minderjarige] contact heeft met haar beide ouders. De vrouw heeft [minderjarige] zonder toestemming meegenomen naar Italië.
Voor wat betreft de vervangende toestemming om [minderjarige] op een school in [plaats 1] in te schrijven, geeft de man aan dat hij geen rijbewijs heeft. Bovendien is de verstandhouding tussen de vrouw en de huidige school van [minderjarige] in [plaats 2] slecht. Die school geeft ook aan bang te zijn voor de veiligheid van hun medewerkers.
De GI heeft aangegeven dat het voor [minderjarige] ook lastig is als de kinderen van de school in [plaats 2] vragen gaan stellen aan [minderjarige] . Op dit moment heeft de vrouw in Italië huisarrest. Zij heeft aan de GI aangegeven de wens te hebben om met de baby in Italië te blijven. De GI weet niet of de vrouw de woning in [plaats 2] nog heeft.
De Raad adviseert om de verzoeken van de man toe te wijzen. De vrouw trekt zich niets aan van rechterlijke beslissingen en werkt niet samen met de GI. [minderjarige] is al maanden niet naar school geweest. De man werkt samen met de GI en biedt meer ruimte aan de vrouw in haar rol als moeder.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de vrouw meerdere rechterlijke uitspraken naast zich neer heeft gelegd. Zij volgt aanwijzingen van de GI ook niet op. Vast staat dat de vrouw zonder toestemming van de man met [minderjarige] naar Italië is gegaan. Het is onbekend of de vrouw dit in eerste instantie als vakantie heeft bedoeld. Volgens de GI is het de wens van de vrouw om met de baby in Italië te blijven.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw zich in het geheel niets aantrekt van de belangen van [minderjarige] . Zo is er sprake van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag, te weten de man. De vrouw gaat hier geheel aan voorbij en trekt in alles haar eigen plan. Er is in eerste instantie sprake geweest van begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vrouw. Na het derde onbegeleide omgangscontact tussen de vrouw en [minderjarige] heeft de vrouw [minderjarige] niet meer teruggebracht naar de man. Ook heeft zij [minderjarige] vanaf dat moment niet meer naar school laten gaan. Door het handelen van de vrouw heeft de vrouw nu al meerdere keren voor een contactbreuk tussen de man en [minderjarige] gezorgd. De vrouw houdt geen dan wel onvoldoende rekening met de gevolgen hiervan voor [minderjarige] .
Inmiddels loopt er een teruggeleidingsprocedure in Italië en heeft de vrouw huisarrest in Italië. Het is nog onbekend wat de strafrechtelijke gevolgen voor de vrouw gaan zijn.
De rechtbank vindt het van belang, gelet op alle gebeurtenissen, dat het hoofdverblijf van [minderjarige] wordt gewijzigd en bij de man wordt bepaald. Ook is het van belang dat aan de man vervangende toestemming wordt verleend voor het inschrijven van [minderjarige] op de basisschool in [plaats 1] . Voor [minderjarige] is het van belang dat er zodra zij terug is in Nederland een nieuwe start gemaakt kan worden. Doordat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man wordt bepaald, is het ook logisch dat de school in de woonplaats van de man gevestigd is. Daar komt ook bij dat de vrouw [minderjarige] sowieso niet meer naar de school in [plaats 2] wilde laten gaan en er om die reden dus wellicht een andere school voor [minderjarige] gezocht moest gaan worden.
De rechtbank gaat ervan dat de man in samenwerking met de GI er voor zorgt dat, zodra de vrouw ook in Nederland is, er zo snel mogelijk gestart wordt met begeleide omgang.
5 De beslissing
De rechtbank
bepaalt (onder wijziging van het tussen partijen in 2021 ondertekende ouderschapsplan) dat de minderjarige, - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, haar hoofdverblijf heeft bij de man;
verleent aan de man – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw – toestemming om [minderjarige] in te laten schrijven op de [basisschool 1] in [plaats 1] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: