RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449679 / JE RK 26-1113
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI, in haar hoedanigheid als voogdes van de hierna te noemen minderjarige,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. R.T.K. Davidse uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 juni 2026;
-
de instemmende verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper, dhr. [persoon 1] , van 26 juni 2026, ontvangen op 29 juni 2026;
-
de brief van [minderjarige] , overgelegd tijdens de mondelinge behandeling.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] , die voorafgaande aan de zitting ook apart is gehoord, met zijn advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
Aan een vertrouwenspersoon van [minderjarige] , dhr. [persoon 2] (werkzaam bij [organisatie] ), is, met instemming van belanghebbenden, bijzondere toestemming door de kinderrechter verleend om de mondelinge behandeling bij te wonen en te worden gehoord.
2. De feiten
De moeder en de vader, de heer [persoon 3] , hebben een affectieve relatie gehad,
uit welke relatie [minderjarige] is geboren.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 januari 2015 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 29 januari 2015 en tot 29 januari 2016. Voorts is bij dezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 29 januari 2015 en tot 29 januari 2016.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg zijn vervolgens steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2017, met ingang van 29 januari 2017 en tot 29 januari 2018.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 december 2017 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en is [minderjarige] onder voogdij gesteld van Stichting Intervence, rechtsvoorganger van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland.
Bij beschikking van de kinderrechter van 18 april 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 18 april 2025 en tot 18 juli 2025. Daarna is steeds opnieuw een machtiging gesloten jeugdhulp verleend, laatstelijk bij beschikking van 17 oktober 2025, zulks met ingang van 18 oktober 2025 en tot 18 april 2026.
Bij beschikking van de kinderrechter van 24 april 2026 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 24 april 2026 en tot 24 juli 2026.
[minderjarige] verblijft bij Via [accommodatie] , [groep] , te [plaats] .
3 Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
4 De standpunten
De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. De GI kan echter ook instemmen met een verlenging van de plaatsing gesloten jeugdhulp van twee maanden, onder aanhouding van de resterende vier maanden van het verzoek. De GI verwacht van [minderjarige] dat hij meewerkt en zijn best gaat doen. Dit betekent dat [minderjarige] moet werken aan het doorbreken van zijn patronen, het verkrijgen van inzicht in zijn eigen handelen, deelnemen aan de groep en zich inzetten voor de school en dagbesteding. [minderjarige] moet consistent goed gedrag laten zien. De GI gunt [minderjarige] de kans. De GI is al bezig met de plaatsing op een open groep. De plekken in de open groepen zijn beperkt. [minderjarige] moet de kans grijpen als er een plek beschikbaar is.
[minderjarige] geeft aan dat hij zo snel mogelijk weg wil bij [accommodatie] . [minderjarige] snapt dat zijn eerdere gedrag problemen heeft veroorzaakt. De laatste maanden gaat het beter met hem. Hij is niet agressief en kan met de mensen op de groep opschieten. Ook heeft [minderjarige] tegenwoordig een goed ritme en volgt de programmering van de groep. [minderjarige] heeft nu een duidelijk doel voor ogen. Hij wil – buiten [accommodatie] – naar school, een baantje en zijn diploma halen. Hij wil graag interieur stylist worden. Een verlenging van de gesloten plaatsing van zes maanden zou betekenen dat hij in september niet op een school kan beginnen. Juist nu ziet [minderjarige] een kans om opnieuw te beginnen. Daarom is een verlenging van twee maanden – de termijn waarmee de gedragswetenschapper ook heeft ingestemd – passender. [minderjarige] snapt dat hij de komende periode aan zijn gedrag en aan zichzelf moet blijven werken. Hij is bereid hiervoor te gaan. Bij een overplaatsing naar een open groep geeft [minderjarige] de voorkeur aan een huiselijke en knusse groep. Als er geen groep kan worden gevonden in Zeeland, mag ook worden uitgeweken naar de [locatie].
De vertrouwenspersoon van [minderjarige] , dhr. [persoon 2] , geeft aan dat [minderjarige] het moeilijk vindt om te leven zonder doel. [minderjarige] weet dan niet waar hij aan toe is. Op dit moment is [minderjarige] zijn doel om een opleiding te gaan doen. Dat vindt [minderjarige] heel belangrijk. Verder geeft [minderjarige] aan dat hij inziet dat zijn gedrag tijdens de vorige zitting niet goed was.
5 De beoordeling
Wettelijk kader
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Tevens dienen er geen minder ingrijpende mogelijkheden te zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.1 De kinderrechter licht dit als volgt toe.
De GI heeft aangegeven dat er recentelijk – juni 2026 – nog steeds zorgen zijn over [minderjarige] . Er zijn zorgen over zijn dag- en nachtritme, delinquent gedrag, onttrekking en schoolgang. De inzet van Stichting Opendoor en een maatwerkconstruct komen moeilijk tot niet van de grond. [minderjarige] stelde zich onvoldoende begeleidbaar op. Om deze redenen heeft de GI besloten [minderjarige] in juni 2016 terug te plaatsen bij [accommodatie] . Gezien de problematiek heeft de GI in eerste instantie een verlening van de machtiging gesloten jeugdhulp van zes maanden verzocht. Tijdens de mondelinge behandeling geeft de GI echter aan dat zij [minderjarige] een kans wil geven om zich te bewijzen. Dit is omdat er een duidelijke gedragsverandering te zien is bij [minderjarige] . [minderjarige] is voorbereid en geeft aan een duidelijk doel voor ogen te hebben. Hij wil naar school, zijn diploma halen en een baantje. Ook geeft [minderjarige] aan dat zijn gedrag de laatste weken is verbeterd. Daarnaast stemt de gedragswetenschapper in zijn instemmingsverklaring in met een verlenging van twee maanden. De gedragswetenschapper geeft aan dat hij voorziet dat het gedrag van [minderjarige] pas zal veranderen als binnen afzienbare termijn wordt toegewerkt naar een open groep.
De kinderrechter gaat mee in het standpunt van de GI. Ook zij ziet dat [minderjarige] gemotiveerd is om het anders te doen en dat hij de kans dient te krijgen om te laten zien dat hij dit kan. Hoewel [minderjarige] ’s gedrag de laatste periode is verbeterd, is de verbetering nog pril. Het is aan [minderjarige] om de komende periode te laten zien dat hij consistent goed gedrag kan laten zien, dat hij aan zichzelf wil werken en kan functioneren op een groep. Bij een overplaatsing naar een open groep zal [minderjarige] immers ook dit gedrag moeten vasthouden. Gelet hierop zal de kinderrechter de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlenen met ingang van 24 juli 2026 tot 2 oktober 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de hieronder genoemde zitting. Op die zitting zal besproken worden hoe het verder is gegaan met [minderjarige] en of hij nog steeds gemotiveerd is. Van de GI wordt verwacht dat zij [minderjarige] begeleidt, met [minderjarige] op zoek gaat naar een school en een passende open groep.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 24 juli 2026 tot 2 oktober 2026;
houdt het resterende deel van het verzoek om de machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlengen aan tot de mondelinge behandeling op [datum] om [uur] voor de duur van 60 minuten bij mr. Dijkman als kinderrechter, in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan de Kousteensedijk 2, 4331 JE, in afwachting van de nadere informatie van de GI en indien nodig een nieuwe instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor die nadere mondelinge behandeling voor [minderjarige] en zijn advocaat en de GI.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.